Het slachtoffer ter terechtzitting

Door Rolf Hoving

Met het toekennen van meer rechten aan het slachtoffer zijn de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende partijen die bij een strafproces zijn betrokken er niet duidelijker op geworden. Dit blijkt wel weer uit het verloop van de behandeling van de zaak Mitch Henriquez waarin de slachtoffers samen met hun advocaat Richard Korver een prominente plek hadden. Namens de slachtoffers bracht Korver onder meer camerabeelden in, bood een rapport van liplezers aan waarin – op basis van de camerabeelden – de verklaringen van de verdachte agenten werden gereconstrueerd en deed een verzoek tot aanhouding.[1] De slachtoffers kwamen verder in het nieuws nadat ze demonstratief uit de rechtszaal waren weggelopen, omdat de rechter naar hun mening te weinig met hun inbreng deed.[2] Deze zaak roept de vraag op wat eigenlijk de positie is van het slachtoffer ter terechtzitting.

De laatste jaren heeft het slachtoffer steeds meer mogelijkheden gekregen om te participeren in het strafproces. In het vooronderzoek kan het slachtoffer onder meer de officier van justitie verzoeken om kennis te nemen van processtukken die voor het slachtoffer van belang zijn (art. 51b lid 1 Sv). Ook mag het slachtoffer de officier van justitie verzoeken processtukken die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak te voegen aan het procesdossier (art. 51b lid 2 Sv). Tijdens de terechtzitting heeft het slachtoffer bij een aantal misdrijven een spreekrecht (art. 51e lid 1 Sv). Dit spreekrecht is niet langer beperkt tot het afleggen van een verklaring over de gevolgen die het strafbare feit teweeg heeft gebracht. Tegenwoordig mag het slachtoffer over alles een verklaring afleggen, dus ook over onderwerpen die de bewijsvraag raken (art. 51e lid 2 Sv). Zowel tijdens het vooronderzoek als tijdens de terechtzitting kan het slachtoffer zich laten bijstaan door een advocaat (art. 51c Sv).

Door het toekennen van deze rechten heeft het slachtoffer een duidelijke en enigszins van de officier van justitie te onderscheiden positie gekregen in het strafproces. Tegelijkertijd roepen deze nieuwe mogelijkheden ook veel vragen op over wat het slachtoffer precies wel en niet kan doen. Met name tijdens de terechtzitting. Heeft het slachtoffer de mogelijkheid om zelfstandig het verloop van de terechtzitting te beïnvloeden, bijvoorbeeld door het doen van een aanhoudingsverzoek of het aanleveren van bewijsmateriaal? En zo ja, op grond van welke bepalingen? Of is de rol van het slachtoffer beperkt tot het afleggen van een verklaring en moet het slachtoffer processuele verzoeken via de officier van justitie doorgeven? En heeft het slachtoffer daarvoor de bijstand nodig van een advocaat tijdens de terechtzitting?

De huidige regels over het verloop van de terechtzitting zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat de rechter het onderzoek op de terechtzitting leidt. De officier van justitie en (de raadsman van) de verdachte hebben het recht om de rechter te vorderen of te verzoeken bepaalde beslissingen te nemen (art. 328 en 331 Sv), zoals de beslissing het onderzoek ter terechtzitting te schorsen (art. 281 Sv), de beslissing getuigen op te roepen en te horen (art. 315 Sv), de beslissing deskundigen te benoemen (art. 315 Sv), de beslissing bepaalde processtukken voor te lezen (art. 301 Sv) of de beslissing bescheiden of stukken van overtuiging die niet op de terechtzitting aanwezig zijn aan het dossier toe te voegen (art. 315 Sv). In aanvulling daarop hebben de officier van justitie en de verdediging ook de mogelijkheid om tijdens de terechtzitting bescheiden of stukken van overtuiging aan de rechtbank te overleggen. In hoger beroep is deze bevoegdheid te vinden in art. 414 Sv. Er is (ten onrechte) geen vergelijkbare bepaling voor het overleggen van bescheiden in eerste aanleg, maar die mogelijkheid hebben de officier van justitie en de verdediging vanzelfsprekend wel.[3]

Gezien de wettelijke regeling lijkt het niet mogelijk om als slachtoffer – of advocaat van het slachtoffer – de rechter te verzoeken om tijdens de terechtzitting bepaalde beslissingen te nemen. In art. 328 Sv staat duidelijk wie beslissingen van de rechter mag vorderen of verzoeken: de officier van justitie en de verdachte. In aanvulling daarop bepaalt art. 331 lid 1 Sv dat ook de advocaat van de verdachte de rechter om bepaalde beslissingen mag verzoeken. Het slachtoffer of zijn advocaat worden niet genoemd. Er is dus ook geen enkele verplichting voor de rechter om in de zaak Mitch Henriquez in te gaan op het verzoek van Korver om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen en aan te houden.

Er lijkt ook geen ruimte te zijn voor het slachtoffer om tijdens de terechtzitting bescheiden of stukken van overtuiging aan de rechtbank te overleggen, zoals video-opnames of deskundigenrapporten. Hoewel deze bevoegdheid voor de officier van justitie en de verdediging voor zaken in eerste aanleg ook niet letterlijk is te vinden in de wet, wordt deze mogelijkheid alom als vanzelfsprekend aanvaard. Dat de officier van justitie en de verdediging dit kunnen doen, vloeit voort uit hun taken. De officier van justitie is verantwoordelijk voor de samenstelling van het dossier en moet daarin alle stukken opnemen die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen (art. 149a Sv). Van de verdediging wordt gevraagd om ingenomen standpunten goed te onderbouwen, zo mogelijk met bewijsmateriaal. Maar voor het slachtoffer is dit anders. Het slachtoffer speelt geen rol bij de vervolging van de verdachte, want die rol is toegekend aan de officier van justitie. Er is dus ook geen enkele reden voor het slachtoffer om zelfstandig bewijsmateriaal in te brengen tijdens de terechtzitting, in ieder geval niet voor zover dit betrekking heeft op de vraag of de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezenverklaard. Indien het slachtoffer wil dat bepaald bewijsmateriaal wordt voorgelegd aan de rechter, kan hij hiertoe het verzoek doen bij de officier van justitie (art. 51b Sv). De rechter is dus niet verplicht om in de zaak Mitch Henriquez enige aandacht te schenken aan de videobeelden of deskundigenrapporten die door Korver zijn ingebracht.

Met name voor deskundigenrapporten is het van belang dat de wettelijke regeling strak wordt gehandhaafd, in ieder geval zolang we in het Nederlandse strafproces de benoemingsprocedure houden. Voor de officier van justitie geldt dat hij alleen in het NRGD geregistreerde deskundigen mag benoemen (art. 150 Sv). Van de verdediging wordt geaccepteerd dat zij ook rapporten van niet-geregistreerde deskundigen mag inbrengen tijdens de terechtzitting. Maar dat geldt dus niet voor de officier van justitie.[4] Dit verschil is enigszins gerechtvaardigd door het feit dat er voor de verdediging niet al te hoge drempels moeten worden opgeworpen om ontlastend bewijsmateriaal te verzamelen. Deze redenering geldt niet voor de rapporten van onbenoemde deskundigen die op verzoek van het slachtoffer onderzoek hebben gedaan. Het lijkt mij niet meer dan logisch dat deze deskundigen moeten worden benoemd door de officier van justitie, aangezien de officier van justitie (mede) moet worden gezien als vertegenwoordiger van het slachtoffer. Zijn de gewenste deskundigen niet geregistreerd, dan zal de officier van justitie het benoemingsverzoek moeten richten tot de rechter-commissaris. Dit betekent dat het rapport van de onbenoemde (en ongeregistreerde) lipleesdeskundigen niet kan worden aangemerkt als een geldig deskundigenrapport.

Over de wenselijkheid van deze huidige stand van zaken kan verschillend worden gedacht. Voorstanders van meer slachtofferrechten lijken het zeer onbevredigend te vinden, zoals wordt geïllustreerd door het verlaten van de rechtszaal door de slachtoffers. Een verandering kan echter alleen worden bewerkstelligd door extra wetswijzigingen. Voordat daar zelfs maar aan kan worden gedacht, zal er echter er een fundamentele doordenking moeten plaatsvinden van de positie van het slachtoffer in het Nederlandse strafproces. Willen we in Nederland een soort driepartijenproces, waarbij de officier van justitie, de verdediging én het slachtoffer elk hun eigen procespositie mogen kiezen? Of blijft de officier van justitie de vertegenwoordiger van het slachtoffer en krijgt het slachtoffer geen directe invloed op het verloop van het strafproces?

Er zijn volgens mij geen goede redenen om te tornen aan de klassieke verhoudingen tussen rechter, aanklager en verdediging. Voor dit model heeft elk rechtssysteem gekozen of het nu gaan of inquisitoire of adversaire stelsels. Een slachtoffer heeft binnen geen enkel systeem een eigen plaats tijdens de terechtzitting. In plaats daarvan wordt het slachtoffer vertegenwoordigd door de aanklager. Indien het slachtoffer een eigen plaats zou krijgen binnen het strafproces, zou het hele strafproces veel gecompliceerder worden. Dit leidt tot allerlei problemen, variërend van hele fundamentele (zoals de verhouding tussen de rol van het slachtoffer en de onschuldpresumptie) tot hele praktische (zoals de extra kosten die dit met zich meebrengt). Het lijkt me beter die doos van Pandora dicht te houden. Daarom wil ik afsluiten met een advies aan elk slachtoffer. Stamp niet boos weg maar overleg met de officier van justitie.

Rolf Hoving
Universitair docent Rijksuniversiteit Groningen

Naschrift: In een eerdere versie van deze bijdrage stond een onjuiste weergave van de feiten inzake het verlaten van de rechtszaal door de slachtoffers en de rol van Richard Korver daarin.

Voetnoten:
[1] https://www.nrc.nl/nieuws/2017/11/13/volg-hier-de-zaak-mitch-henriquez-a1580960, https://www.nrc.nl/nieuws/2017/11/16/liplezen-als-bewijs-uniek-maar-ook-gevaarlijk-14060603-a1581499
[2] https://www.nrc.nl/nieuws/2017/11/16/nabestaanden-henriquez-lopen-weg-bij-proces-a1581447
[3] Zie voor de verdediging de noot van Reijntjes bij HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1451, NJ 2000, 214.
[4] HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8821, NJ 2011, 516. Zie verder over de benoemingsproblematiek R.A. Hoving, Deskundigenbewijs in het strafproces (diss. Groningen), Oisterwijk: Wolf legal publishers 2017, p. 99.