Een ieder wordt geacht de wet te kennen

De wetsregel die de Nederlanders waarschijnlijk het beste kennen, is artikel 461 Wetboek van Strafrecht. Althans, iedereen weet van de vele bordjes in onze bossen en duinen dat deze bepaling bestaat. Het overgrote deel van de bevolking zal ook nog wel begrijpen dat artikel 461 iets met verboden toegang te maken heeft. Weinigen zullen echter een idee hebben van wat er precies in staat. (En ik weet niet of kennis daarvan bijvoorbeeld onderdeel van de voor immigranten verplichte inburgeringscursus vormt.)

Als dat al met deze wettelijke regel het geval is, hoe zit het dan met het algemeen geldende principe dat een ieder wordt geacht de wet te kennen. Is dat niet een enorme illusie en, zo ja, zouden we daaraan niet iets moeten doen?

Het is daarom misschien wat teleurstellend dat de vier partijen die een – als gevolg van maanden onderhandelen – minutieus gedetailleerd formatieakkoord hebben opgesteld, daarin niets hebben opgenomen over de mate waarin Nederlanders van de inhoud en strekking van de voor hen geldende wettelijke regels kennis (dienen te) dragen. De coalitie vindt andere zaken kennelijk belangrijker.
Zo staat in het akkoord wel dat kinderen op school de tekst van – in ieder geval het eerste couplet van – het Wilhelmus moeten gaan leren. Alsof dat de grootste prioriteit verdient. Het lijkt eerder het zoveelste teken van het nogal bekrompen nationalisme dat, zoals in zoveel landen, in Nederland van laag tot hoog steeds meer de kop opsteekt en alleen maar in heftigheid verschilt van, bijvoorbeeld, de onafhankelijkheidsdrift van, naar het schijnt, ongeveer de helft van de bevolking van Catalonië.

Maar goed, we dwalen af. Terug naar de kennis van de wet dus. Moeten we bijvoorbeeld, net als voorheen met de rekentafels, vanaf groep 3 wet voor wet aan onze kinderen gaan onderwijzen? Dat is een wat overspannen manier om een niet al te effectieve rechtenstudie op onze scholen te introduceren. Het lijkt echter geen gek idee een goed overdachte selectie te maken en dan – en misschien een paar groepen later, als de leerlingen wat beter kunnen lezen – gewoon met artikel 1 van onze Grondwet te beginnen.
Het daarin verwoorde discriminatieverbod biedt een mooie basis voor de bespreking van wat de kern van het gedachtegoed van onze maatschappij zou moeten zijn. Daarmee kan ook een prachtige opstap worden gemaakt naar uiteenzettingen en gesprekken over de andere fundamentele rechten die in onze Grondwet en voor ons geldende internationale verdragen zijn opgenomen. En dat is weer een mooie loopplank naar een uitleg van de wereld waarin wij leven en de wijze waarop wordt getracht die rechten op Europees en wereldniveau te waarborgen.

Geen 80-jarige oorlog en Wilhelmus als uitgangspunt dus, maar geschiedenis van de menselijke beschaving en de manier waarop, voortbouwend op – goede en slechte – ervaringen uit het verleden, wordt geprobeerd deze met fundamentele universele regels aan onze maatschappij vorm te geven. Is dat te moeilijk? Dat hoeft het helemaal niet te zijn. Het is kinderen heel goed uit te leggen dat zij wereldburgers zijn en dat (wereld)burgers om te kunnen samenleven bepaalde regels nodig hebben, die we op internationaal niveau verdragen en in de nationale context wetten noemen.
Verder zal goed zijn uit te leggen dat je een onderscheid tussen fundamentele rechten (en bijbehorende verplichtingen) en meer dagelijkse regels kunt maken. In het kader van deze vorming kun je op school ook aandacht aan allerlei fundamentele beginselen van strafrecht besteden: het vermoeden van onschuld, geen handelen of nalaten is strafbaar dan volgens een reeds bestaande regel, om er maar twee te noemen. Aan scholieren zal je zeker duidelijk kunnen maken dat en waarom wij verschillende niveaus van strafbare feiten hebben. En misschien zou het nuttig zijn, als kinderen kennis nemen van regels waarmee zij in hun dagelijkse bestaan zouden kunnen worden geconfronteerd.

Het lijkt verder nuttig dat kinderen weten dat wettelijke regels er niet voor niets zijn en dat je je in beginsel eraan dient te houden, ook al zijn er misschien uitzonderingssituaties. Dat laatste is iets wat heel goed in een klas te bespreken moet zijn, zoals ook leerstukken als noodweer best aan kinderen kunnen worden uitgelegd. Met dit al is het betreurenswaardig dat de leider van een van de nu aangetreden coalitiepartijen zo hard verkondigde dat hij zich niets gelegen zal laten liggen aan de uitslag van het referendum over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Alsof de wet die zo’n referendum mogelijk maakt, niet nog gewoon van kracht is. Het is een slecht voorbeeld, maar ook leerzaam voor in de klas.

Het formatieakkoord biedt dus leuke onderwerpen voor discussie op school en is dus in ieder geval ergens goed voor.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam