De zaak Anne Faber: tijd voor een paradigmashift?

Door Wim Canton, forensisch psychiater

In de afgelopen weken was Nederland geschokt door de verdwijning van een jonge vrouw. Ze fietste in de stromende regen door de bossen bij Zeist maar kwam nooit op haar bestemming aan. Pas dertien dagen later werd haar lichaam op aanwijzingen van de vermoedelijke dader gevonden.

Er werden sporen op haar jas gevonden die wezen naar een jonge man, die opgenomen was in een in de buurt gelegen FPA (forensisch psychiatrische afdeling). Hij werd daar behandeld in het kader van het laatste deel van een gevangenisstraf, die was opgelegd naar aanleiding van een tweetal verkrachtingen van jonge meisjes. Na deze delicten had hij een onderzoek naar zijn geestesvermogens geweigerd. Hem werd geen Tbs opgelegd, hoewel zijn gedrag rond de delicten wel als vrij opmerkelijk gezien kan worden. Rechters zijn echter zeer terughoudend in het opleggen van deze maatregel als er geen door deskundigen onderbouwde bevindingen zijn die aantonen dat er sprake is van een stoornis en van een relatie tussen deze stoornis en het gepleegde delict.

Dit is een logisch gevolg van het in dit soort zaken centraal staan van het huidige wetsartikel 37a uit het Wetboek van Strafrecht. Op grond van dit artikel kan een Tbs worden opgelegd als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Het artikel bevat formele eisen die betrekking hebben op de ernst van het feit en het moet aannemelijk zijn dat de verdachte in de toekomst een gevaar vormt voor zijn omgeving. Daarnaast speelt de psychische stoornis op twee manieren een rol. De wet eist dat ten tijde van het plegen van het feit bij de verdachte sprake was van een psychische stoornis of (in wettelijke zin) van “een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens”. Op grond van de rechtspraak moet bovendien het gevaar dat de verdachte oplevert zijn grond vinden in de psychische stoornis. Dit betekent dat de Tbs pas kan worden opgelegd indien op enigerlei wijze een psychische stoornis is vastgesteld.

Naast de Tbs kent de wet nog een strafrechtelijke maatregel voor verdachten met een psychische stoornis. Artikel 37 maakt het mogelijk verdachten aan wie het feit niet kan worden toegerekend te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. Ook hier geldt de voorwaarde dat er vrees moet bestaan voor gevaarlijk gedrag in de toekomst. Historisch gezien is dit een logisch en humaan artikel: mensen met evidente psychiatrische problematiek, die als gevolg hiervan delicten plegen horen in principe niet in de gevangenis, maar moeten voor deze problematiek (al dan niet in een kliniek) behandeld worden. Te denken valt aan mensen met ernstige hersenbeschadigingen, zwakzinnigheid of allesoverheersende wanen en hallucinaties. Dit is echter binnen het huidige forensische veld maar een zeer kleine groep. Bij minder dan 3% van de mensen die pro justitia onderzocht worden is sprake van dermate ernstige psychiatrische problematiek, dat geadviseerd wordt om hen het gepleegde delict niet toe te rekenen en hen te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis. Als sprake is van een stoornis in combinatie met een hoog herhalingsgevaar kan de rechter de maatregel van tbs opleggen, ook in gevallen waarin het feit maar in verminderde mate kan worden toegerekend. Een dergelijk advies wordt in ongeveer 2% van de onderzochten gegeven.

Gesteld zou kunnen worden dat het stoornisbegrip in de laatste decennia aan inflatie onderhevig is geweest. De forensisch meest relevante en meest aangetroffen stoornissen zijn de persoonlijkheidsstoornis en de stoornis in het gebruik van middelen.

In de huidige forensische praktijk speelt het onderzoek pro justitia een grote rol. De rechter wil zich door gedragsdeskundigen laten informeren over de volgende vragen:

  • Is er sprake van een stoornis?
  • Zo ja, is er dan een relatie tussen deze stoornis en het gepleegde delict? Hieraan gekoppeld is de vraag over het toerekenen.
  • Risicoanalyse: wat draagt bij aan de kans op herhaling van soortgelijk of ander delinquent gedrag?
  • Risicomanagement: wat is nodig om het risico te verminderen?

De vraag is of het nog wel van deze tijd is om de stoornis in deze vraagstelling zo centraal te stellen. Vanuit de forensische wetenschap is een aantal argumenten aan te dragen om hier anders naar te kijken. Allereerst is overtuigend aangetoond dat behandelen leidt tot minder recidieven dan straffen. En aangezien preventie, naast vergelding en afschrikking, een van de pijlers is onder het strafrecht kan hier niet aan voorbij gegaan worden. Wat verder blijkt uit alle onderzoeken op het gebied van risicotaxatie is dat het bestaan van een stoornis nauwelijks bijdraagt aan de hoogte van het recidieverisico. Het vaststellen van een eventuele stoornis heeft dan ook als het gaat om de risicoanalyse nauwelijks belang (wel blijft het onderzoek naar het bestaan van een stoornis uiteraard van belang voor het advies over de mate van toerekenen). De belangrijkste criminogene factoren en daarmee voorspellers van recidive zijn het hebben van antisociale opvattingen, een antisociale peergroup, middelenmisbruik, disfunctionele familieomstandigheden, gebrek aan empathie en gebrekkige zelfcontrole. Deze risicofactoren zijn ook zonder uitvoerig gedragskundig onderzoek grotendeels in beeld te brengen. De justitiële voorgeschiedenis, de delictanalyse en het proces verbaal geeft vaak al veel relevante informatie over iemands risicoprofiel. Gedragsobservatie kan aanvullend zijn. Medewerking aan een gedragskundig onderzoek is dus niet nodig om risico’s in beeld te brengen.

In het forensisch werkveld wordt gewerkt volgens de what works principes. Hiervan is in de afgelopen decennia aangetoond dat werken volgens deze principes de kans op recidieven het beste verkleint. De principes zijn vrij simpel:

  • Naarmate het risico hoger is, moet de behandeling intensiever zijn. Bij laag risico is behandeling niet nodig.
  • Behandeling dient zich te richten op de bij deze persoon specifieke criminogene factoren.
  • Bij de behandeling moet rekening worden gehouden met de specifieke eigenschappen van de persoon (bijvoorbeeld gebrek aan motivatie, een stoornis of verminderde begaafdheid)
  • Behandeling dient plaats te vinden op een wijze waarvan wetenschappelijk de waarde is aangetoond.

Binnen de what works principes staat dus het risico, veel meer dan de stoornis, centraal. Op basis van wetenschappelijke argumenten zou de overweging gemaakt kunnen worden om ook in de Nederlandse wetgeving het risicobegrip een grotere rol te geven en de rol van de stoornis in het strafproces te verminderen. Dus niet meer alleen een gedwongen behandeling kunnen opleggen als er sprake is van een stoornis die in relatie staat tot het delict en van een verhoogd recidieverisico, maar ook het mogelijk maken van een gedwongen behandeling als er alleen sprake is van een hoog risico op herhaling van delinquent gedrag.

Deze paradigmashift biedt de volgende voordelen:

  • Het sluit aan bij de huidige stand van de wetenschap.
  • Het leidt tot een vermindering van het aantal recidieven, omdat gedwongen behandeling bij meer veroordeelden kan worden toegepast en behandeling leidt tot minder recidieven dan straffen.
  • Het sluit aan bij wat de maatschappij wil: minder recidieven.
  • Het maakt een einde aan de onrechtvaardige behandeling en stigmatisering van gestoorde delinquenten: alleen bij een stoornis is in het huidige systeem een tbs mogelijk en daarmee in principe een mogelijk veel langere verwijdering uit de maatschappij dan bij gevangenisstraf.
  • Het weigeren van een onderzoek naar de geestvermogens hoeft niet te leiden tot het ontkomen aan een behandeling. Of iemand valt binnen de categorie hoog risico kan namelijk met behulp van actuariële instrumenten zonder medewerking van de delinquent worden vastgesteld. Voor een uitgebreide gepersonaliseerde risicoanalyse die dient als basis van de behandeling is uiteraard wel enige medewerking van de betrokkene noodzakelijk.
  • Je zou de naam Tbs kunnen afschaffen. Het systeem heeft bij velen een slechte naam en leidt ook tot onnodige stigmatisering.

In de praktische uitwerking zou voor de groep delinquenten met een hoog risicoprofiel gebruik gemaakt kunnen worden van de huidige infrastructuur van de Tbs-klinieken. Hier bestaat veel kennis en kunde rond behandeling en resocialisatie. In de kern hoeft er niet veel te veranderen: ook nu al is men in deze klinieken bezig met behandeling en resocialisatie, gericht op risicoreductie. Bij mensen met een zeer hoog risicoprofiel kan er (net als in de huidige tbs-situatie) voor gekozen worden om resocialisatie pas plaats te laten vinden als dit op een voldoende veilige manier mogelijk is.

Behandeling van de risico’s bij mensen met een lager risicoprofiel kan ambulant of binnen detentie plaatsvinden. Bij deze groep zou het een optie kunnen zijn om strafvermindering aan te bieden als ze deelnemen aan een behandelprogramma.

In de praktische uitwerking van deze paradigmashift zou er ook een verandering moeten komen in de aard van de pro justitia rapportage. De vraag naar de stoornis zou minder centraal moeten staan en alleen beantwoord hoeven worden in het licht van een advies over het toerekenen, de vraag naar een goede risicoanalyse en adequaat risicomanagement zou meer leidend moeten zijn. Een gevolg van een dergelijke verandering is dan wel dat deskundigen beter in kaart moeten brengen wat de behandelkansen zijn voor wat betreft behandelbaarheid en te verwachten duur. Een ander gevolg is dat rechters nadrukkelijker moeten oordelen over de proportionaliteit van de geadviseerde behandeling in relatie tot de ernst van het misdrijf.

Een paradigmashift vereist een aanpassing in het strafrecht en in de rol die gedragsdeskundigen spelen in de diverse fasen van het strafproces. Ook aan een nieuw systeem zullen haken en ogen zitten. Er zullen altijd mensen blijven bestaan die delicten plegen en die recidiveren. Als deskundigen zijn we echter verplicht om te handelen naar de stand van de wetenschap. Een paradigmashift zou hierin beter passen dan voortzetting van de huidige gang van zaken.

Wim Canton
Forensisch psychiater