Waar of niet?

In de NRC is regelmatig een rubriek te vinden, waarin een uitspraak van een politicus, een wetenschapper of een ander mens op zijn waarheidsgehalte wordt beoordeeld. Ik wil deze exercitie uitvoeren voor het bericht dat vorige week werd verspreid naar aanleiding van het verschijnen van de jaarlijkse rapportage over de ontwikkeling van de criminaliteit en de handhaving. De boodschap luidde dat de (geregistreerde) criminaliteit (verder) daalde en dat de gevangenisstraf de laatste jaren de meest opgelegde (hoofd)straf is; twee mededelingen die kennelijk waren bedoeld om een positief beeld te schetsen van het gevoerde veiligheidsbeleid en eventuele zorgen over een (te) mild strafklimaat weg te nemen.

Toen ik, zoals telkenjare, de gemeenschappelijke publicatie van het CBS, het WODC en de Raad voor de Rechtspraak ter hand nam, niet primair de tekst maar de tabellen, kon ik me niet voorstellen dat de eerder genoemde constateringen uit een zorgvuldige bestudering van die tabellen, vielen af te leiden.

Wat is namelijk het geval? Het feit dat de geregistreerde criminaliteit daalt is eerder een reden tot zorg dan een grond voor vreugde. Het betekent namelijk dat de politie uit de gepleegde criminaliteit weer een kleinere hap heeft genomen dan in het jaar ervoor. Waaruit bestaat die (werkelijk) gepleegde criminaliteit? Uit drie soorten zaken. Allereerst de criminaliteit waarvan een persoon of een bedrijf slachtoffer wordt. Hoe die criminaliteit zich ontwikkelt wordt jaarlijks gemeten in de zogenaamde veiligheidsmonitor (VM) waarin aan een steekproef uit de bevolking wordt gevraagd of ze slachtoffer zijn geworden van een aantal met name genoemde delicten, aanvankelijk 14 in getal, in latere jaren uitgebreid met een aantal vormen van wat tegenwoordig cybercrime wordt genoemd. In 2016 omvatte de steekproef ruim 80.000 personen. Die rapporteerden overall een iets geringere mate van slachtofferschap dan in 2015 toen de steekproef ruim 120.000 proefpersonen bevatte. Met name de vermogens- en de vandalismemisdrijven waren gedaald, niet doordat er meer waren opgehelderd, maar door de voortgaande technopreventie bij diefstal, inbraak en vandalisme. De geweldsmisdrijven daarentegen waren juist gestegen. Maar omdat die relatief veel minder voorkomen dan al die (fiets) diefstallen en andere vermogensdelicten tellen ze niet erg door in de totaalcijfers. De meest zorgwekkende misdrijven, die met een gewelddadig karakter, daalden dus niet en de andere daalden vooral door andere oorzaken dan het optreden van de politie. Daarbij moet nog bedacht worden dat lang niet alle slachtofferdelicten in de VM zijn opgenomen en dat slachtofferschap bij bedrijven al geruime tijd niet meer wordt onderzocht en dus ook niet kan worden vastgesteld of de criminaliteit daar daalt. Men is zich gelukkig bewust van de tekortkomingen van de VM en wil daar via een ander soort dark number studie in voorzien, maar om dan nu al te stellen dat de criminaliteit daalt is op zijn zachtst gezegd merkwaardig, zeker nu de bedrijven helemaal niet zijn meegenomen.

Daar komt nog bij, ik zei het al, dat er ook heel wat misdrijven zijn waarbij, gelukkig, meestal geen slachtoffers zijn te betreuren. Die misdrijven komen niet bij de politie terecht omdat iemand er aangifte van doet, maar omdat de politie controles houdt om de plegers ervan te achterhalen. Rijden onder invloed, zonder ongeval is zo’n misdrijf; vuurwapenbezit ook, net als het hebben van een wietplantage of het runnen van een extacylaboratorium. Het aantal geregistreerde gevallen van dronken rijden is de laatste jaren fors afgenomen, maar ook dat zegt meer over de geleverde politie inspanning dan over de ontwikkeling van het verschijnsel als zodanig. Dat geldt ook voor de vuurwapencriminaliteit die is toegenomen en de genoemde drugsmisdrijven, waarvoor geen gedetailleerde cijfers beschikbaar zijn. Mijn conclusie luidt derhalve dat de eerste mededeling grotendeels onwaar is.

Wat de aard van de opgelegde sancties betreft het volgende. Het feit dat de gevangenisstraf de laatste jaren de meest opgelegde straf is, zegt op zich zelf niet veel. Als het pakket aan zaken dat de rechter te beoordelen krijgt in die jaren is gewijzigd en gemiddeld zwaarder is geworden, zal dat doorwerken in de opgelegde sancties. Geen woord daarover in de publicatie waarin de tabellen van commentaar worden voorzien. Ik ga er gemakshalve dus maar even vanuit dat er in dat pakket de laatste jaren, sinds 2012, niet wezenlijk iets is veranderd. 2012 was het laatste jaar dat er meer werkstraffen dan vrijheidsstraffen werden opgelegd. Sindsdien is gevangenisstraf inderdaad de meest opgelegde sanctie. Van alle opgelegde sancties (dus inclusief de bijkomende straffen) 115.777 in totaal, ging het in 31,5% van de gevallen om een gevangenisstraf of jeugddetentie. In 28,1% om een werkstraf en in 19,3% om een geldboete Op zich zeggen deze cijfers echter niet zoveel. Om ze op waarde te kunnen schatten en de zwaarte ervan te wegen moet ook gekeken worden naar de vorm van die gevangenisstraf (voorwaardelijk of onvoorwaardelijk) en naar de duur. En dan blijkt het volgende. Die gevangenisstraf wordt steeds vaker geheel voorwaardelijk opgelegd. Was dat in 2007 nog 7.9% en in 2012 iets meer dan 8%, in 2016 was dat percentage opgelopen tot bijna 10. Een op de tien veroordeelden met zo’n straf merkt daar dus feitelijk niets van.

Wat de duur betreft is het beeld nog dramatischer. Waar in 2007 het aandeel van de straffen korter dan 3 maanden nog bijna 59% was, was dat in 2102 opgelopen tot 62,5 en in 2016 tot 73.3 %. Bijna driekwart van alle vrijheidsstraffen is dus korter dan 3 maanden. Daartegenover staat dat het aandeel van de lange(re) straffen juist is gedaald. In 2007 was 12.0% van de straffen langer dan een jaar. In 2012 was dat nog net 10% en in 2016 was het aandeel van die straffen gedaald tot 7.2%. Ik kan derhalve niet anders concluderen dat ook deze bewering als grotendeels onwaar moet worden aangemerkt en beide aan het begin vermelde uitspraken als nep nieuws moeten worden beschouwd. Grotere zorgvuldigheid is geboden bij dit soort mededelingen. De tegenwerping dat het dan te complex wordt is onzin, gezien de bovenstaande, nog net geen 1000 woorden.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie