Anne Faber

Zó voorspelbaar.
Bij de eerste berichtgeving over de vermissing van de volwassen vrouw Anne Faber leek de kans op een misdrijf al groot en kon de nabije toekomst worden uitgetekend: wanneer de verdachte een bekende van justitie is breekt de pleuris uit, zoals vrijwel altijd wanneer blijkt dat de overheid zijn burgers geen 100% veiligheid kan bieden. Heel goed verwoord in de petitie die het falend rechtssysteem als uitgangspunt heeft genomen om daar vervolgens onderzoek naar te eisen. Met als doel dat zoiets nooit meer gebeurt. Dat het systeem heeft gefaald staat daarbij vast, kennelijk vanuit de gedachte dat dit in een niet falend systeem niet kan gebeuren. Eerst een mening en dan de feiten, bij voorkeur voorzover deze niet in strijd zijn met de mening.
Verontrustend is dat deze aanpak de overhand lijkt te hebben, in ieder geval bij hen die zich publiekelijk roeren.
Youp van ’t Hek meent in de NRC van 14 oktober 2017 dat wanneer psychiatrisch onderzoek wordt geweigerd het zo goed als zeker is dat tbs ontlopen wordt. Hij verwijst vervolgens de officier van justitie die in beroep zou zijn gegaan tegen het eerdere vonnis inzake Michael P. naar het PBC, in gezelschap van zijn medewerkers en van de rechters van de rechtbank (!) die het vonnis met 5 jaar verlaagden.
De raadsheren moeten naar het PBC, zo begrijp ik Youp, omdat zij geen uitzondering wilden maken, het is een zootje onverschilligen.
Maar Youp is een columnist en een columnist heeft de bekende vrijwel ongebreidelde vrijheid. En hoeft dus ook niet (altijd) op de kwaliteit van de door hem aangeboden waar te letten. Nog zo’n columnist is Theodoor Holman die in het Parool (14/10/17) zijn punt kracht bij wil zetten door als uitgangspunt te nemen dat iemand die een gruwelijke moord heeft gepleegd per definitie gestoord is. Dat psychiaters dat niet met hem eens zijn is toe te schrijven aan te veel status en te veel macht bij deze non-wetenschappers. Bij Holman hebben – zoals vaker – vooral de strafrechtadvocaten het gedaan.
Meent Youp nog dat door weigering de tbs zo goed als zeker ontlopen kan worden, bij Theodoor kan de weigeraar alleen gevangenisstraf krijgen. Vervolgens is het niet de verdachte die daar handig gebruik van maakt, nee dat is de strafrechtadvocaat.
Wat opviel in het verbale geweld was een genuanceerde column in de Telegraaf (18/10/17) van de hand van John van de Heuvel, die terecht pleit voor eerst de feiten en dan een mening.
Onverwacht en zeer opmerkelijk zijn de uitlatingen van emeritus hoogleraar forensische psychiatrie H. van Marle, gedaan in Nieuwsuur van 12 oktober 2017. De rechter had in 2012 Michael P. tbs moeten opleggen. En dat had hij moeten doen door meer te vertrouwen op een onderbuikgevoel of zijn intuïtie. Volgens Van Marle zie je als psychiater op basis van het delict gewoon de geestelijke verdraaiing en de perversie, dan kun je afronden richting perversies en dan heb je de stoornis. De psychiater kon dus destijds bij Michael P. een stoornis vaststellen. Helaas gaf Van Marle niet aan waarom er desondanks niet een dergelijk advies kwam.
Het is te bizar: de rechter doet wat hij moet doen en besluit om Michael P. naar het PBC te sturen. Daar zitten psychiaters die volgens van Marle op basis van het delict de perversie en dus de stoornis kunnen vaststellen. Maar zij, de deskundigen, doen dat niet, want de observandus werkt niet mee. Vervolgens moet de rechter, als leek, zijn onderbuik raadplegen en tbs opleggen. De rechter hád aan Michael P. tbs moeten opleggen, zo sterk zet Van Marle het aan, om ook nog even aan Twan Huys te bevestigen dat dus de oorzaak van dit drama bij de beslissing van het hof in Arnhem ligt. Een hoogleraar die weet wat de rechter had moeten doen, die hoeft in ieder geval niet lang op een uitnodiging voor een tv-optreden te wachten. Misschien ook iets voor problemen in de bewijssfeer, die onderbuik en intuïtie?

Uiteraard heb ik rechters aan het werk gezien, worstelend met deze materie. Deskundigen van het PBC op zitting met haast smekende raadsheren. “Moet je niet een stoornis hebben om op zo’n manier een gruwelijk levensdelict te plegen?” Maar een stoornis konden de deskundigen niet vaststellen want er was niet meegewerkt. Na een ultieme inspanning van het hof verklaarden de deskundigen dat “de gedachte aan een stoornis zich wel sterk opdrong” Dat was voldoende: tbs met dwangverpleging.
Wanneer deskundigen ter zitting kunnen verklaren dat de “gedachte aan een een stoornis zich sterk opdringt” kan dat natuurlijk ook in een rapportage.

De problematiek is inmiddels volledig gesimplificeerd door te stellen dat verdachten niet meewerken omdat zij al dan niet op aangeven van hun advocaat denken dan geen tbs te kunnen krijgen. Terwijl er best nagedacht zou kunnen worden over mogelijkheden om meewerken te stimuleren. Advocaten vertellen aan hun cliënten dat er (grote) nadelen kunnen zitten aan niet meewerken. Een weigeraar loopt een niet gering risico om tbs te krijgen zonder advies en dus ook zonder een advies over de toerekeningsvatbaarheid. Wellicht beslist de rechter “vanuit de onderbuik” dat er wel sprake zal zijn van enige mate van ontoerekeningsvatbaarheid maar mogelijk is er sprake van volledige ontoerekeningsvatbaarheid en dan zou de veroordeelde na meewerken direct de kliniek in kunnen in plaats van eerst jaren in de cel.
Het niet meewerken volhouden, ook na het opleggen van tbs, zal vaak tot een veel langere tbs leiden dan bij wel meewerken.
Wel meewerken kan ook het opleggen van tbs met dwangverpleging voorkomen, doordat deskundigen na onderzoek niet tot een tbs met dwangverpleging-advies komen. Vaak kan bij een stoornis worden volstaan met een lichtere vorm van behandeling maar dat komt er bij een weigeraar niet uit. Zelfs kan bij onderzoek blijken dat de veronderstelde stoornis er niet is of geen relatie heeft met het delict.

Maar er is nog iets anders. In het PBC wordt niet alleen onderzocht of er sprake is van een stoornis maar ook of het veronderstelde delict is gepleegd als gevolg van die stoornis.
Meewerken impliceert ook het praten over het delict, het praten over de interactie met mededaders, emotionele belevingen etc. Kortom, de meewerkende observandus bekent. Niet praten over het delict en de delictbeleving levert regelmatig het predikaat weigeraar op.
De ontkennende proceshouding is een zelfstandige reden om niet mee te werken.
Ook daar kan over nagedacht worden.
In het kader van de verhouding slachtoffer – verdachte wordt gesproken over de invoering van het twee fasen proces: eerst beslissen op de voorvragen en bewijsvraag en dan pas de confrontatie tussen de dan in eerste aanleg veroordeelde verdachte en slachtoffer.
Het twee fasen proces zou ook de ontkennende tbs kandidaat kunnen confronteren met de bewezenverklaring, wat reden kan zijn om de proceshouding te wijzigen, anders gezegd eieren voor zijn geld te kiezen. Zoals dat nu ook met regelmaat gebeurt door de in eerste aanleg ontkennende maar veroordeelde verdachte tijdens het strafproces in hoger beroep.

De zaak Michael P. heeft heeft het probleem van de weigerende tbs-kandidaat prominent op de kaart gezet. Het is te hopen dat de emoties over een verondersteld falend rechtssysteem snel plaatsmaken voor het denken in oplossingen die binnen de rechtsstaat passen.

Peter Plasman
Strafpleiter