Een punt achter de zaak

Op 18 augustus 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak gedaan in een klachtzaak betreffende een voormalige topambtenaar van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Na uitvoerig onderzoek komt het hof tot de slotsom dat er geen enkele verdenking is gebleken ter zake van verkrachting van minderjarige jongens in Turkije door deze topambtenaar. Diens naam werd daar wel jaren lang mee in verband gebracht.

Voor ik hier op terugkom maak ik eerst een uitstapje, te weten naar Israël waar ik deze zomer was. Ik kan me niet zo gauw een ander land bedenken waar zoveel nationaliteiten elkaar met zoveel emotie verdringen rond als heilig ervaren plaatsen. Het scherpst geslepen worden de potloden op en rond de Tempelberg in Jeruzalem met daarbovenop de Al Aqsa moskee (uit de 6e eeuw, eerder een Byzantijnse kerk) en de Rotskoepel (uit de 7e eeuw) en aan de rand de Klaagmuur, officieel de Westmuur geheten, het fundament van de rond ’70 (door de Romeinen) verwoeste tweede Joodse tempel. Recent zijn daar nog relletjes geweest vanwege het plaatsen van detectiepoortjes bij de toegang tot de berg, voor moslims die daar willen bidden.

Er loopt een ondergrondse gang langs de Westmuur die je onder begeleiding van een gids kunt bezoeken. De tunnel geeft een beeld van de indrukwekkende omvang van het bouwwerk, met stenen die piramidebouwers waardig zouden zijn geweest. Op de hoek van de muur kom je in een voormalig (nu ondergronds) straatje uit, als ik het goed onthouden heb, uit de Byzantijnse tijd.

Op die plek nam de gids even de tijd voor een meer beschouwende overweging. Here we are again, practicing the same religion, speaking the same language, and history is continuing, waarop enkele Amerikanen acclameerden: hallelujah! Die laatste zin en de reactie van de Amerikanen triggert mijn nieuwsgierigheid. De enige toelichting die de gids gaf, was: history doesn’t stop here. Gezien de plek en context vermoed ik dat ze bedoelde: die berg wordt ook wel weer eens van ‘ons’. Het beamen door de Amerikaanse toeristen laat zien dat de Bijbelse belofte van het heilige land aan de Joden een sterk en tot de verbeelding sprekend verhaal is, ook nu na enkele millennia nog, en trouwens niet alleen bij Amerikanen.

Hoe lang blijven claims juridisch eigenlijk geldig? In het internationale recht worden op oude geschiedenis, religie of mythe gebaseerde claims niet zo maar erkend. Het is namelijk niet moeilijk voorbeelden te bedenken die de wereld nogal zouden opschudden als dat wel het geval was, zoals de native Americans, die eveneens een mythische band met hun land ervaren, en denk aan grote delen van Duitsland, Polen, Turkije, het voormalig Joegoslavië, grote delen van voormalige koloniale gebieden. Erkenning van zo’n juridisch principe zou de wereld nogal onrustig maken.

Ons nationale recht is gericht op het geldend kunnen maken van je rechten en op het opsporen en berechten van verdachten van strafbare feiten. Maar ons recht kent als tegenhanger ook het fundamenteel beginsel dat claims en vervolgingsrechten niet voor eeuwig geldig blijven. Op enig moment moet er een punt worden gezet.

In het civiele recht geldt een algemene verjaringstermijn van 20 jaar, maar in sommige gevallen, zoals bepaalde vormen van milieuverontreiniging, geldt een termijn van 30 jaar. In andere gevallen, zoals een vordering tot schadevergoeding uit ‘gewone’ onrechtmatige daad, geldt vijf jaar. En sommige gebreken aan bijvoorbeeld gekochte spullen moet je nog veel sneller melden. Een uitzondering geldt voor schade die pas na jaren kenbaar wordt. Dat is redelijk, want sommige schade, zoals asbest-gerelateerde, komt pas na decennia aan het licht.

Ook het recht op strafvervolging verjaart na verloop van tijd, al zijn er zeer ernstige misdrijven die niet verjaren. De tendens is om de verjaring terug te dringen. Op 1 april 2013 werden de verjaringstermijnen van misdrijven waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld en van bepaalde zedenmisdrijven die jegens minderjarigen zijn gepleegd, afgeschaft. Voor delicten waarop levenslange gevangenisstraf staat, was dat al het geval. De verjaringstermijn van twintig jaar werd uitgebreid naar misdrijven waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.

Waarom de verjaring niet helemaal in de ban doen? De verschillen die je ziet in verjaringstermijnen zijn het resultaat van een zo redelijk mogelijke belangenafweging. Het achterliggende belang van verjaring is dat er op een zeker moment voor het rechtsverkeer en de betrokken personen, bedrijven, overheden, instanties en landen duidelijkheid en rust moet komen alvorens de duisternis van de geschiedenis een rechtvaardig oordeel onmogelijk maakt. Ook is een overweging dat bewijs, zoals het toch al niet zo betrouwbare getuigenbewijs, er in veel gevallen met de jaren niet frisser van wordt. Nieuwe ontwikkelingen, zoals verbeterde DNA-technieken en het steeds overvloediger beschikbaar komen en blijven van kwalitatief goede camerabeelden en elektronische data, spelen echter een rol bij de afweging of een verjaringsregel nog redelijk is.

De wetgever maakt die afwegingen. De memorie van toelichting bij de wet waarmee de regeling van vervolgingsverjaring werd aangepast (Stb. 2012, 572) wijst op die nieuwe technieken. Bovendien meende de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie dat de strafbehoefte niet door tijdsverloop verdwijnt. Hij betwistte daarmee een klassiek argument voor verjaring. Voor nabestaanden, zo stelde de minister, en daar is in deze tijd, waar meer aandacht voor psychisch trauma is, voor zwaardere misdrijven wel wat voor te zeggen, heelt de psychische wond niet en ook de samenleving laat een ernstig misdrijf niet zomaar achter zich.

Gewezen werd verder op het feit dat de toegenomen media-aandacht maakt dat ernstige misdrijven tegenwoordig veel meer in het collectieve geheugen blijven gegrift. Daardoor zou de maatschappelijke behoefte aan waarheidsvinding ook na tijdsverloop sterker dan voorheen blijven bestaan. Naar de mening van de minister diende het belang van de slachtoffers bij de regeling van de vervolgingsverjaring bovendien zwaarder te wegen dan het belang van ‘de dader’ bij een einde van de zaak op enig moment.

Deze laatste argumenten vind ik niet zo sterk. In de memorie van toelichting werd hier en daar vaker gesproken van de dader in plaats van de verdachte. De tegenstelling slachtoffer-dader klinkt retorisch als een klok, maar is een bias. Verdachte en dader zijn niet hetzelfde en dat is geen louter theoretische of taalkundige kwestie. Het is immers evengoed een maatschappelijk belang – namelijk het vertrouwen in de rechtstaat en de vrijheid van de individuele burger – dat de juiste persoon wordt vervolgd en veroordeeld en niet iemand die onschuldig is. En aangiften zijn – helaas – ook niet altijd betrouwbaar, zelfs niet in zedenzaken. Dus of iemand slachtoffer is, staat niet altijd op voorhand vast.

Onderschat wordt wel dat een verdachte gemakkelijk in een lastig parket kan geraken, zoals iedere liefhebber van Hitchcock films weet. Zeker na tijdverloop weet een verdachte meestal niet meer precies waar hij vertoefde of wat hij precies deed op het moment van het delict. Onder spanning kan hij gemakkelijk dingen zeggen die na onderzoek onwaar blijken, hetgeen dan voor zijn schuld lijkt te pleiten. De casus uit voormelde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden levert een voorbeeld op van waar-rook-is-is-vuur, wat de betrokkene jarenlang publiekelijk heeft achtervolgd.

Het mag zo zijn dat technisch bewijs tegenwoordig meer voorhanden is, maar het afschaffen of verruimen van verjaringstermijnen geldt evengoed voor zaken waar technisch bewijs niet of niet afdoende voorhanden is. Dat knelt in het bijzonder in zedenzaken, waar soms een flintertje steunbewijs naast de aangifte wordt aangedragen (en soms door de strafrechter geaccepteerd) om het wettelijk bewijsminimum te ‘ halen’. Dat ‘flintertje’ kan bijvoorbeeld een herinnering zijn van iemand die verdachte in de buurt van het slachtoffer heeft (of denkt te hebben) gezien op plaats en tijd delict, terwijl verdachte beweert elders te zijn geweest. Herinneringen kunnen accuraat zijn, maar ook door de tijd vervormd of ingegeven. Dit soort zaken behoort voor strafrechters tot de aller moeilijkste die er zijn.

De in de memorie van toelichting gestelde onwenselijkheid van het vrijuit gaan van de dader wekt bovendien bij de burger zekere verwachtingen. De burger zal immers verwachten dat de politie dan ook achter de daders aan zal gaan. Hoeveel capaciteit heeft de politie? En mocht de politie achter oude zaken aangaan, wat betekent de daaraan bestede capaciteit dan voor het oplossen van meer recente zaken? Als je de cijfers van de politie leest, lijkt een bescheiden verwachting op dat punt op zijn plaats. Het afschaffen en verlengen van verjaringstermijnen zal dan ook vanzelf lang niet altijd soelaas bieden.

De positieve invloed van de media als argument in een strafrechtelijke discussie lijkt mij ook niet zo sterk want is selectief en potentieel oeverloos. De media laten even gemakkelijk andere brandende kwesties buiten de aandacht, die dan daardoor minder prioriteit zouden krijgen. Rechtens zou dat niet zo moeten werken. Als de media-aandacht een maatstaf is, rijst de vraag welk rechtsbelang dan eigenlijk wordt beschermd, één aspect dat toevallig de aandacht krijgt? Dat gaat dan ten koste van een serieuze discussie over alle relevante aspecten van een leerstuk, ook de moeilijke die je lastig over het publieke voetlicht kunt krijgen. Zoals de geschiedenis leert en je nog iedere dag uit de media kunt vernemen, kun je ook zeer oude kwesties nog vandaag de dag zonder veel moeite nieuw leven inblazen. Als we niet uitkijken sneuvelt de verjaringsregeling straks helemaal en spoelt het kind met het badwater weg.

Nog even terug naar Jeruzalem. In die stad werd ooit het proces gevoerd tegen Adolf Eichmann, een van de hoofdverantwoordelijken voor het uitmoorden van Joden onder het nazibewind. Hij dacht veilig te zijn in Argentinië, maar werd door de Israëlische geheime dienst uit dat land geplukt en naar Israël overgebracht. Uitzonderlijke zaken rechtvaardigen ook strafvorderlijk een uitzonderlijke behandeling. Maar laten we niet vergeten dat strafvorderlijke leerstukken, zoals de verjaring, er niet zijn ‘ter bescherming van de daders’ maar de vertaling zijn van een algemeen maatschappelijk belang dat uiteindelijk ons allemaal beschermt.

En helemaal tot slot nog even terug naar de zaak Demmink. Jarenlang naming en shaming van iemand die zelfs volgens zowel het Openbaar Ministerie en ook gelet op de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geen verdachte had mogen zijn. Zo’n zaak vergt ook uitzonderlijke jarenlange aandacht van justitie om iemands naam te zuiveren van alle onterechte beschuldigingen. Op die tijdrovende en kostbare onderzoeken is nog geen antwoord gevonden. Kortom, hoe houden we verjaring tegen van ernstige misdrijven maar ook hoe kunnen we zo spoedig mogelijk beschuldigingen van slechte snit laten verjaren zonder dat het justitieapparaat op onevenredige kosten wordt gejaagd?

Peter Lemaire
Rechter te Sint Maarten