Buikhuisen

De hooggeleerde Buikhuisen heeft een belangrijke rol gespeeld in mijn arbeidzame leven. Hij was niet alleen mijn promotor in academische zin, maar in veel breder opzicht.

Toen hij in 1973 naar Den Haag vertrok om Algemeen Adviseur Wetenschappelijk werk te worden bij het Ministerie van Justitie en het huidige WODC nieuwe impulsen te geven, was dat een grote aderlating voor het Criminologisch Instituut. Niet alleen in wetenschappelijk opzicht, maar vooral in culturele zin. Met zijn vertrek ging er een andere wind waaien op het Instituut. Van een nogal strak geleide organisatie met een duidelijke leider, werd het onder zijn opvolger Jongman veel meer een “free for all” club. Wetenschappelijk gezien stonden de beide hoogleraren aan de ene kant dicht bij elkaar, waar het ging om de methodologie en de operationalisering van onderzoekvragen. Jongman was gepromoveerd bij de Groot op een proefschrift getiteld “Het denken van de schaker” een zeer interessante dissertatie die zich o.a. richtte op het verschil in denken tussen meester schakers en gewone spelers.

Maar in het denken over de oorzaken van criminaliteit vertoonden ze een groot verschil van inzicht. Jongman was een echte vertegenwoordiger van de opvatting dat criminaliteit in belangrijke mate terug te voeren was op sociale ongelijkheid, gebrek aan maatschappelijke kansen e.d. Geheel in lijn met de toenmalige (linkse) opvattingen over de maakbaarheid van mens en samenleving. Buikhuisen ontwikkelde geleidelijk aan een veel bredere scoop met als voorlopig eindpunt het onderzoekprogramma: “Kriminaliteit in biosociaal perspektief” dat hij niet lang na zijn benoeming in Leiden in 1978 publiceerde. Daarover later meer. Eerst terug naar zijn vertrek uit Groningen. Op het Instituut ontstond binnen vrij korte tijd een nogal relaxte sfeer met lange pauzes, waarin werd geklaverjast en getafeltennist. Ik heb er vrolijk aan meegedaan.

Door de benoeming van Jongman tot hoogleraar, kwam het lectoraat dat hij bezette vrij. Het instituut zat inmiddels vol met een flink aantal jonge doctores, die allemaal, als ik me goed herinner wel van mening waren in de betreffende vacature te kunnen voorzien. Ik herinner me nog een vergadering in het café in mijn woonplaats Midlaren, waar de opvolging aan de orde kwam en iedereen zijn eigen kansen verdedigde. Uiteindelijk is geen van ons het geworden en werd iemand van buiten aangetrokken die niet eens gepromoveerd was. Dat is er ook nooit van gekomen en ook overigens is van de betrokken lector weinig meer vernomen.

Het leven op het Instituut ging zo zijn gang. De lectuur van Voskuil over het Meertens Instituut riep veel herinneringen op. Voor mij duurde de periode na het vertrek van Buikhuisen gelukkig maar kort. Na het verschijnen van het al eerder genoemde onderzoek naar de generaal preventieve werking van de straf bij dronken rijden, werd ik door Buikhuisen gevraagd om hoofd van het WODC te worden. Na het nodige overleg met het thuisfront, we hadden net een tweede kind en mijn echtgenote wilde niet naar Den Haag verhuizen en ik evenmin, besloot ik om op dit fantastische aanbod in te gaan. Hoe de entree binnen Justitie verder is verlopen en hoe het daar destijds toeging, komt in een ander blog nog aan de orde. Hier volstaat het vast te stellen dat ik mijn entree in de wereld van Justitie, primair aan hem heb te danken.

Zijn denkkracht is voor mij altijd een voorbeeld geweest en hij was als geen ander in staat een hypothese om te zetten in een concreet onderzoeksvoorstel.
Een echte empiricus bij wie je niet moest aankomen met vage verhalen of “theorieën”, behalve als startpunt voor een onderzoek.

Betrekkelijk kort nadat ik bij Justitie was aangetreden, keerde hij terug naar de Universiteit, dit keer in Leiden, waar hij tot twee maal toe werd gevraagd om Nagel op te volgen. Uiteindelijk besloot hij dit aanbod te accepteren. Er was financieel het nodige geregeld en ook overigens zou hij volop de gelegenheid krijgen om zijn hypotheses over de biosociale achtergronden van criminaliteit in onderzoek om te zetten

Ik ben daarom nog steeds gebiologeerd door de gang van zaken die, ruim elf jaar later, tot zijn uiteindelijke vertrek als hoogleraar in Leiden heeft geleid, zonder dat het onderzoekprogramma dat hij in 1979 publiceerde onder de titel “Kriminologie in biosociaal Perspektief” (ja, de letter k was toen in zwang), van de grond was gekomen.

Over dit droeve hoofdstuk in zijn prachtige carrière èn in de academische vrijheid, is al veel geschreven, laatstelijk, in 2012 onder de titel: Buikhuisen in KRIminologisch perspectief, door Eelco Bos in het tijdschrift IsGeschiedenis. Het heeft geen zin dat in dit verband nog eens dunnetjes over te doen hoewel ik van mening ben dat de hele gang van zaken een dissertatie waard is. Dan kunnen alle fouten die deze geschiedschrijving heeft opgeleverd tenminste eens worden rechtgezet en kan een analyseniveau worden ontwikkeld dat dieper steekt dan het huidige.

Die analyses blijven namelijk tot nu toe steken in de stelling dat wat B. van plan was ten diepste strijdig was met de heersende, linkse, opvattingen in de samenleving, aan de universiteit en ook in de criminologie, dat samenleving en mens maakbaar waren. Een aantasting dus van het heersende wereldbeeld, de dominante ideologie, het ware geloof. Een seculier geloof dat het religieuze goeddeels had verdrongen werd ter discussie gesteld en de uitgangspunten ervan ondergraven; en de geschiedenis heeft geleerd dat “gelovigen” daar slecht mee kunnen omgaan om het maar eens vriendelijk te zeggen.

De reacties op de opvattingen van Buikhuisen, die hij uiteraard wilde onderzoeken, wijken dan ook nauwelijks af van de reactie op andere afwijkingen van een tot dan toe heersende leer. De fysieke brandstapel was gelukkig in onbruik geraakt, maar de virtuele geenszins. En die werd dan ook door het reclasseringsblad KRI, daarin gretig gevolgd door VN columnist Piet Grijs, opgericht met alle bijbehorend jargon van ketterij, Nazi-opvattingen en wat dies meer zij. Het heersende geloof in de vooruitgang door middel van “sociale technologie” moest gezuiverd worden van de dwaalleer dat sommige dingen en ook sommige mensen, minder veranderbaar zijn dan de gelovigen voor waar willen houden. En waar geloofd wordt, daar stopt het denken, daar wordt onderzoek naar de waarheid verboden, want de waarheid is nu juist gelegen in dat geloof.

Er is dikwijls beweerd dat Buikhuisen te vroeg was met zijn opvattingen. Datgene wat Swaab thans beweert over het menselijk brein en de ontkenning van een vrije wil, stuit op veel minder weerstand dan destijds de opvattingen van Buikhuisen Dat moge zo zijn, het vooruitgangsgeloof heeft inmiddels ook een flink aantal deuken opgelopen, maar de beweerde voorbarigheid van zijn opvattingen verklaart nog niet de terughoudende, om niet te zeggen laffe reactie van de academische wereld. Bijna iedereen keek weg toen een goede collega in de media werd neergesabeld.

Toch bevredigen die analyses mij tot nu toe niet en blijft er veel onopgehelderd, vandaar de suggestie voor een dissertatie en/of een biografie over Buikhuisen.Daarbij zal, wat mij betreft in ieder geval aan de orde moeten komen de rabiate woede van Piet Grijs. Natuurlijk, ik zei het al, wanneer mensen in hun diepste overtuiging worden aangetast, kunnen ze buitengewoon heftig reageren. Maar dat verklaart naar mijn mening nog niet de zeer persoonlijk en buiten proportionele woede, die deze columnist 15 weken achtereen in Vrij Nederland mocht etaleren en waarbij de meest gruwelijke scheldwoorden werden gebezigd.

Ik heb geprobeerd in het levensbericht van Hugo Brandt Corstius, die in februari 2014 overleed, aanknopingspunten te vinden voor die woede. In het artikel van Liesbeth Koenen in het Jaarboek van de Maatschappij voor de Nederlandse Letterkunde, dat aan zijn leven is gewijd, heb ik ze niet kunnen vinden. Natuurlijk, velen zijn voorwerp van zijn gepeperde pen geweest, velen ook zijn verrot gescholden, maar zijn behandeling van Buikhuisen is buiten iedere proportie. Nooit tevoren heeft hij 15 columns achter elkaar aan één persoon gewijd en ook het feit dat hij zijn reacties als onderdeel van een oorlog beschouwde is uniek. Maar zoals gezegd, een verklaring daarvoor, heb ik niet kunnen vinden in zijn levensbericht.

Ik heb daarom op een andere manier geprobeerd grip te krijgen op het ontstaan van een dergelijke woede. Ik heb geprobeerd een column te schrijven op basis van mijn woede over het onrecht dat B. is aangedaan, onrecht dat nog steeds gevolgen heeft, door een column te schrijven in de trant van Piet Grijs. Die volgt hieronder.

In de geest van Piet Grijs: DE (ACADEMISCHE) MOORD OP BUIKHUISEN.

Voor dit levensdelict (letterlijk) zijn twee daders aan te wijzen. De ene is het toenmalige blad van de reclassering KRI, de andere de VN columnist Piet Grijs. Beiden hebben inmiddels het tijdige met het eeuwige verwisseld.
KRI was de exponent van de geitenwollen sokkencultuur die in die periode hoogtij vierde aan de sociale academies. Mensen die minder op basis van kennis, maar op basis van gevoel, professioneel meegevoel, met de zwakkeren hun opvattingen vormden en op basis daarvan opereerden. Tot die zwakkeren behoorden onmiskenbaar ook de delinquenten. Die hadden in die tijd helemaal geen raadsman nodig.

Of ze nu een gezin van hun vader hadden beroofd, het leven van een gepensioneerde overhoop hadden gehaald met een inbraak of iemand hadden verkracht, het deed er allemaal niet zoveel toe. Ze hadden recht op mededogen en clementie. Steevast pleitten de beroepsbarmhartigen voor opheffing van de voorlopige hechtenis en steeds had de gevangenis niets goeds te bieden voor diegenen die op een vrijheidsstraf moesten rekenen. En dat allemaal op kosten van Justitie, het departement dat bij het minste of geringste de wind van voren kon krijgen, alles met een beroep op de democratisering van de reclassering, die net als elders, wild om zich heen sloeg. Het WODC werd als meeloper van de minister in de ban gedaan, Buikhuisen was sowieso verdacht want hij was adviseur van de minister geweest en de slachtoffers van criminaliteit konden naar de pomp lopen. Niet zij maar de daders verdienden alle aandacht.

Valse informatie, grove leugens en een gebrek aan kennis waren de ingrediënten waarmee de plannen van Buikhuisen om biosociaal onderzoek aan de criminologie toe te voegen, weggezet: nep nieuws avant la lettre. Ik denk dat niemand van de reclassering het boekje waarin Buikhuisen zijn plannen uiteenzette überhaupt gelezen heeft, laat staan begrepen. In 1978 verscheen het eerste artikel, “Hersenonderzoek bij gedetineerden” in het genoemde blad en dat vormde de aanzet voor de latere moord. Het werd gevolgd door een hele reeks van publicaties waarin de plannen van B. verdacht werden gemaakt

De tweede dader was Hugo Brandt Corstius, alias Piet Grijs, alias Stoker, alias….etc. Opgeleid als wiskundige en zelfs gepromoveerd in dat vakgebied, maar van exactheid was, ook bij hem, geen spoor te bekennen. Het artikel in KRI, was voor hem aanleiding om 15 columns lang in Vrij Nederland, van dik hout planken te zagen en B. onder andere af te schilderen als Nazi-arts.

Onder het vermoedelijke mom van de persvrijheid liet de redactie van VN hem vrolijk begaan. Een blad met zijn wortels in het verzet, in het opkomen voor de vrijheid, liet nu toe dat in ieder geval de academische vrijheid de grond in werd geboord.

Er is al veel geschreven over de motieven van de beide daders; B. zou de uitgangspunten van de neomarxistische sociale academie de Horst in Driebergen in de wortel hebben aangetast. Op basis van de andragogie werd daar krachtig geloofd in de maakbaarheid van de mens en van de samenleving en werd opgeroepen tot structuur bewustwording met sociale technologie als instrument. Hoezo ingrijpen in de mens? Een motief zou kunnen zijn dat het bestaan van de reclassering gevaar zou kunnen gaan lopen als niet de maatschappelijke omstandigheden, maar eigenschappen van de mens zelf, de verklaring voor crimineel gedrag zouden kunnen zijn.

Over de motieven van Piet Grijs (Piet Zwart zou beter bij zijn betoogtrant passen) wordt eveneens gesteld dat de aantasting van het links maakbaarheidsideaal hem tot zijn uitbarstingen heeft gebracht. Ik heb, naar beste gebruik van de reclassering een voorlichtingsrapport over hem proberen op te stellen, om zodoende aanknopingspunten te vinden voor het plegen van het delict, maar ik heb ze niet kunnen vinden. Dat je bij je geboorte al dwars lag en dat verder je hele leven hebt volgehouden is een onvoldoende verklaring voor de vehemente woede die hij, iedere column opnieuw, uitbraakt. Er zijn meer slachtoffers te betreuren in zijn columns, maar geen van hen heeft hij zo schandelijk bejegend, niemand zolang achtervolgd en ook bij niemand heeft zijn vuilschrijverij zulke ernstige gevolgen gehad: de wetenschappelijke dood.

In de academische wereld bleef de genoemde vuilspuiterij namelijk niet onopgemerkt en weinigen waagden het om het voor B. op te nemen. En ook hier waren er de stiekeme wegkijkers die de opkomst van het WODC en de gevolgen die dat opleverde voor de eigen instituten, verafschuwden. B. weg: een concurrent minder zullen ze hebben gedacht.

Al met al is het door B. in 1978 gepubliceerde onderzoeksprogramma, dat er toen en ook nu nog zo veelbelovend uitzag, niet van de grond gekomen. Wie het nog eens goed leest kan zich nauwelijks (meer) voorstellen dat de daarin verwoorde hypothesen en onderzoeksvoorstellen zoveel schandelijk gedrag hebben opgeleverd. In de eerste plaats van de daders, maar ook van de mededaders en de wegkijkers. Al dat gedrag heeft er toe geleid dat een wetenschapper, die verder keek dan de heersende leer en onderzoek wilde doen om de hypotheses die daar bij hoorden, te toetsen, is vermoord. Zoals dikwijls wanneer een heersende leer ter discussie wordt gesteld, staan de brandstapels altijd klaar en is de contrareformatie niet ver weg.

Ik merk, al schrijvend, dat ik er niet bij benadering in slaag om ook maar in de buurt te komen van de woede van KRI en de vuilheid van Grijs en dat terwijl het toch over moord gaat. Lang geleden zult U zeggen, maar wel één die nog steeds doorwerkt: levenslange moord zullen we maar zeggen.

In 1989 nam Buikhuisen afscheid van de universitaire wereld en begon hij een antiekhandel. Zijn belangstelling voor de criminologie en aanverwante wetenschappen, met name de biologie en de geneeskunde, is echter nooit verflauwd. Ondanks de tegenwerking die hij ondervond en het feit dat, soms zelfs onder invloed van bedreigingen, onderzoeken niet van de grond kwamen of werden stopgezet en hij geleidelijk aan steeds meer een persona non grata werd, die het ook nog eens zonder veel steun van zijn medewerkers moest stellen, heeft hij de interesse voor de (biosociale) criminologie, nimmer verloren. Tot op de dag van vandaag houdt hij de literatuur op dit terrein bij.

Toen geleidelijk aan duidelijk werd dat de Leidse Universiteit haar afspraken niet zou nakomen en zijn onderzoekprogramma niet zou worden doorgezet en hij ook overigens door de faculteit steeds meer werd tegengewerkt heeft hij in 1988 het initiatief genomen voor de oprichting van een nieuw interdisciplinair criminologisch instituut, het latere NSCR. Mensen die zich niet zo makkelijk lieten beïnvloeden, zoals Mulder, de vroegere SG van Justitie, Wagenaar, Galjaard en Corstens, allen hoogleraren van naam, bleken bereid dit initiatief te ondersteunen en namen zitting in een voorbereidingscommissie. Hier moest de interactie tussen biosociale en andere verklarende variabelen worden onderzocht in een bestuurlijke setting los van de Universiteit. Uiteindelijk mondde dit initiatief aan het begin van de jaren 90 uit in twee vragen, te weten waar moest structurele subsidiëring worden gevonden en bij welke universiteit kon het instituut het beste worden ondergebracht. Als subsidiegevers kwamen ZWO (De stichting voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek) en Justitie in aanmerking, zo meende men en als universiteit kwam uiteindelijk, na enige strijd met Nijmegen, Leiden uit de bus. Het resultaat tekent naar mijn mening de persoon Buikhuisen. Toen ik hem onlangs sprak en vroeg hoe hij, gelet op zijn eigen ervaringen, over Leiden dacht, zei hij dat hij daar heel goed mee kon leven omdat die universiteit nu eenmaal verreweg het beste aanbod had gedaan en het instituut voor zijn onderzoeksgelden onafhankelijk zou zijn van universitaire inmenging en goedkeuring. Het Instituut is er gekomen, vooral dankzij de man die eerder zo schandelijk was bejegend en ook later nog, bij de opening van het instituut, de nodige Demütigung moest ondergaan.

De vraag over het ontstaan van crimineel gedrag en van menselijk gedrag in het algemeen is nog altijd niet definitief beantwoord en dat is tot op zekere hoogte maar goed ook. Wat echter blijft verwonderen is dat het geloof in de verbeterbaarheid van de mens, de crimineel, maar geen einde neemt. In dat opzicht heeft de zogenaamde Nieuwe Richting in het strafrecht, naar het mij voorkomt, blijvende schade aangericht. Straffen geschiedde niet meer omdat er “gezondigd” was (quia peccatum), maar opdat er niet meer gezondigd zou worden (ut ne peccetur). Daardoor werd niet langer de daad en het slachtoffer daarvan centraal gesteld, maar de dader. Niet langer het verleden, wat er gebeurd is, kwam centraal te staan, maar wat er zou kunnen/moeten gebeuren; met de dader dan wel te verstaan. Het slachtoffer verdween geheel naar de achtergrond en heeft pas vanaf de jaren 80 iets van zijn positie kunnen herwinnen. Maar veel rechters beschouwen het slachtoffer nog steeds als een ongewenste vreemdeling in de rechtszaal Aan de aandacht voor de dader kan het bij lange na (nog) niet tippen. Eén cijfer ter illustratie slechts: het budget van de reclassering bedraagt meer dan het vijfvoudige van dat van slachtofferhulp en dat terwijl er meer slachtoffers dan daders zijn.

Dat gebrek aan belangstelling voor de maatschappelijke gevolgen van de daad en het hoog te paard zetten van de aandacht voor de dader, blijft verbazen en dat los van de vraag hoe die dader tot zijn daad is gekomen. Door het misdrijf is schade aangericht, hebben mensen leed ondervonden en de eerste opgave van het strafrecht is naar mijn mening om dat leed zoveel mogelijk ongedaan te maken en te mitigeren. Of de verdachte van zo’n reactie beter wordt laat me betrekkelijk koud. Van straf, die je hebt verdiend, mag je ook slechter worden wat mij betreft. Laten we ophouden met het gepraat over het optimum remedium – alsof we in staat zouden zijn die te vinden – door alleen het lot van de dader in beschouwing te nemen.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie