“Ze”

Advocaten mopperen wel eens over de bijstand tijdens het politieverhoor: mager betaald en er mag niet zoveel. Ik vind het toch wel nuttig, vooral wanneer de tekst van het proces-verbaal wordt vastgesteld. Leerzaam ook om de politie op de vingers te kijken, zoals die keer dat rechercheurs hemel en aarde bewogen om, tegen alle regels in, de ghb van de zwaar verslaafde cliënt aan de vernietiging te ontfutselen zodat hij niet ‘zonder niks’ de straat op hoefde, ‘want daar heeft niemand wat aan’. Mag een officieel beginsel van strafrechtelijk handelen worden: ‘heeft iemand er wat aan?’

Dat piketzaakje van lokaalvredebreuk leek deze toets maar matig te kunnen doorstaan. Cliënt, een Ghanese man, was niet genegen geweest zich door de beveiliging uit het Stadsloket (voorheen: Stadsdeelkantoor) in de Bijlmer te laten wegsturen. Had hij dan geen brief gekregen dat het stadsdeel hem kon helpen bij het vinden van een baan? Die had een kennis op straat voor hem vertaald en daarom had hij daar een nummertje getrokken. Niet voor het eerst blijkbaar, want er was ook een brief verzonden met de mededeling dat hij daar écht niet terecht kon voor werk en of hij voortaan weg wilde blijven. ‘Waarom bent u niet weggegaan toen de beveiligers dat aan u vroegen?’ vroeg de rechercheur, een invoelende, wat breedvoerige Antilliaan van rond de vijftig.
‘Maar ik had toch een nummertje?’
Met zacht pruttelende ergernis las de politieman de brief waarin cliënt in geborduurde ambtelijke volzinnen de wacht was aangezegd: ‘geen wonder dat mensen boos worden, als je ze brieven stuurt die niemand kan begrijpen’.
Hierbij kwam ik overeind, na eerder wat te zijn ingedut toen het verhoor na een zekere aanloop nog pas het punt had bereikt waarop cliënt die ochtend zijn schoenen had aangetrokken.
En als het nou bij lokaalvredebreuk was gebleven. Maar de cliënt had het in zijn hoofd gehaald om met meer dan duizend euro op zak de deur uit te gaan, wat hem een verdenking van witwassen had opgeleverd. Deze gevolgtrekking ontging hem. Zijn wasmachine was stuk en hij had een nieuwe willen kopen, hoe had het anders gemoeten? Miscommunicaties stapelden zich op. Dit alles in moeizaam Engels, via een telefonische tolk.
De ergernis van de rechercheur dook weer op, wat bleek uit schouderophalen en machteloze handgebaren. Alsof hij de zaak eens vanuit een heel ander perspectief wilde bekijken haalde hij een rondje koffie, ging op een andere stoel zitten en richtte zich nu tot mij, op gedempte toon, alsof hij cliënt er niet mee wilde belasten.
‘Het is u misschien al opgevallen dat wij dezelfde achtergrond hebben?’ Er waren drie mensen in de ruimte, maar er bestond geen twijfel dat ik niet tot die “wij” behoorde. En tussen de Antillen en Ghana ligt een halve wereld, dus achtergrond moest wel slaan op huidskleur, een onderwerp waar de meeste mensen in een officiële omgeving met een wijde boog omheen lopen. Waar zou dit heengaan?
‘Nederlanders begrijpen niet dat wij vaker contant geld op zak hebben, dat vinden zij raar’.
“Wij” en “zij”. Ik schoof naar het puntje van mijn stoel.
‘Ik zal u een voorbeeld geven: mijn zoon had laatst een probleem met de belastingdienst en ze hadden zijn auto in beslag genomen. Ik was boos, maar hij heeft me beloofd zich beter te gaan gedragen en diezelfde avond heb ik drieduizend euro gebracht. Als ik daarmee staande was gehouden, en ik had mijn politie ID niet op zak gehad, dan had ik op mijn hoofd kunnen gaan staan maar was ik zo in de cel beland.’ Was het verbeelding, of kreeg “ik” nadruk, alsof hij zeggen wilde: dat zou meneer de advocaat niet snel overkomen?
‘Ik breng ook wel eens contant geld aan mijn moeder. Als ik dat zou overmaken, moet zij eerst weer naar de bank toe. Dat begrijpen ze niet’. Weer “ze”. Ik sta op de barricade voor mijn cliënten, maar op dat moment liep er een heel andere grenslijn in de verhoorkamer en voelde ik me zonder pardon ingedeeld bij “hen” die het niet begrepen en die het nooit zouden begrijpen en die trouwens nooit cash op zak hadden.
‘Ik heb het zo vaak gezegd,’ ging hij verder, ‘ze mogen er wel eens rekening mee houden’. Ik knikken: ja, dat mochten “ze”.
Opnieuw schouderophalen en handgebaren, alsof blank Nederlands onbegrip rondom ons door de lucht zweefde, samen met onleesbare ambtelijke brieven.
Hij moest uiteindelijk nog wel een restant vertrouwen in mij hebben, want hij liet mij achter zijn pc plaatsnemen om het proces-verbaal door te nemen: ‘corrigeert u maar wat er niet klopt’.

Na afloop moest cliënt terug de cel in, maar de rechercheur beloofde met het parket te bellen om nog het nog één keer uit te leggen. Een uur later kreeg ik een teleurgesteld telefoontje: hij was heengezonden maar het geld ging nog niet terug. Het OM gaf twee weken om schriftelijk de herkomst aan te tonen. De rechercheur leek wat gas terug te nemen: ‘hij is eerlijk gezegd ook wel een beetje een rare’. Maar die “wij” en “zij” kreeg hij er niet mee uit mijn hoofd.*

Vasco Groeneveld
Strafpleiter bij Plasman cs advocaten

* Enkele details zijn veranderd, om herkenning te voorkomen en niemand in verlegenheid te brengen.