Een lerende rechterlijke organisatie

Inleiding
Nieuwsgierig, leergierig, een lerende organisatie, individuen en organisaties zijn bezig met leren. Van de wieg, leren kruipen, lopen, praten en uiteindelijk (hopelijk leren) sterven. Hoe gaat dat leren in zijn werk en kun je dat leren?

Er wordt veel geschreven over leren, meestal in relatie tot kwaliteit, een serieuze organisatie heeft onderwijskundigen en bedrijfskundigen in dienst die een kennismanagementsysteem in het leven roepen, ontwikkelen en onderhouden. Soms zijn er kwaliteitssystemen, zoals INK en RechtspraaQ (waarde lezer, even googelen), die na enkele jaren een stille dood sterven. Die zachte dood is door de organisatieleiding niet gewenst, maar kon worden voorzien omdat de meeste professionals nauwelijks enige sympathie voelen voor dit soort organisatiemodellen. Toch is een van bovenaf opgelegd leermodel niet weg te denken uit een organisatie als die van de rechterlijke macht. Er is een SSR, er zijn PE-punten en nog veel meer. Of de magistraten echter de wekelijks verschijnende Nederlandse Jurisprudentie bijhouden is de vraag, en nog meer of en hoe ze nieuwe rechtspraak, wet- en regelgeving verwerken in hun dagelijkse werk is nog meer de vraag. Ik bedoel dat niet cynisch, we weten het domweg niet. Het helpt evenmin om te bezien welke rechter of officier van justitie de meeste vrijspraken of aanhoudingen ‘scoort’. Vrijspraken kunnen onterecht zijn, en zelfs als de cassatierechter een vrijspraak intact laat, kan het goed zijn dat de voorliggende casus en de opeenvolgende rechtsoordelen de rechtsontwikkeling hebben bevorderd.
Beelden als dat het huidige kennisniveau slechter is dan vroeger, dat de huidige magistraat zijn of haar vak minder goed verstaat dan de vroegere magistraten, beroeren noch overtuigen mij. We kunnen ternauwernood overzien wanneer zich een breuklijn in een ontwikkeling voordoet, wel dat er veel minder zijn dan we in onze bestaande emoties menen.
Als we loskomen van beelden over kwaliteit, en of deze af- of toeneemt, kan er wel iets preciezer worden geschreven over onze juridische en magistratelijke kennisontwikkeling.

De kern van het individueel en collectief leren: casusstudie
Onze rechterlijke organisatie kent professionals in alle maten en soorten, van ondersteuning tot presidenten. Maar onze rechterlijke organisatie kent pakweg 800 officieren van justitie en 1000 strafrechters. Zij zijn de magistraten die worden geacht de wet en de cassatierechtspraak toe te passen op de voorliggende zaak die in behandeling is. Zij worden geacht nieuwe wet-, regelgeving en cassatierechtspraak te kennen, te doorgronden, daarop te reflecteren en er vervolgens naar te handelen. Daarmee is de kern van het juridische leerproces gegeven. Van de eerste dag van de rechtenopleiding tot de laatste dag als magistraat wordt een casus bestudeerd. Dat studeren verloopt immer langs dezelfde lijnen: 1) ontleden in feiten en het zoeken van de toepasselijke wettelijke bepalingen, 2) het reflecteren op de wettelijke bepalingen (is het niet eerder art. 302 dan art. 287 Sr) en 3) reflecteren op het wettelijk systeem als zodanig (zijn de beschikbare wettelijke voorschriften niet verouderd, en hoe verhoudt de voorgestane wettelijke constructie zich ten opzichte van de noden/belangen van alle betrokkenen en samenleving). Rechtenopleiding, rechtspraktijk en rechtsontwikkeling bestaan derhalve bij de gratie van casuïstiek.
Voor de goede orde wijs ik op het verschil tussen de rechter en de officier van justitie. De officier bestudeert niet alleen de casus, hij vormt hem, samen met de politie, oefent er invloed op uit en doet op die wijze eveneens aan actieve rechtsvorming. Rechtsontwikkeling vindt dan ook een basis in het zelfstandige werk van de officier van justitie.

Bij nieuwe wetgeving en rechtspraak is dan ook de vraag hoe de magistratuur daarvan kennis neemt. Individueel? Dat zou wel kunnen, maar wie spreekt over vakmanschap, en dat woord ligt velen in de mond bestorven, heeft het al snel over collectiviteit. Collectiviteit is nauw verbonden met professionele standaarden, een standaard alleen voor zichzelf ontwikkelen heeft iets ridicuuls. Over professionele standaarden in de rechterlijke organisatie kan het volgende opgemerkt worden. Een standaard is beproefd door andere professionals en binnen het gilde van goudsmeden, chirurgen of atoomfysici algemeen erkend. Een standaard hoort bij een gilde en behelst uniformiteit oftewel collectiviteit. Welnu, daarvan kán in het recht geen sprake zijn. Het recht houdt een normatief juridisch discours in, waarin pleitbaar maar niet altijd overtuigend een gevecht om de uitleg van materiële en formele leerstukken plaatsvindt. Maar er is zeker geen sprake van een standaard, dat zou de juridische dood in de pot zijn. Daarom is het spreken over professionele standaarden door de rechtspraak bepaald onhelder. Het ware beter om in te zetten op minimumregels. Niet meer spreken over excellente taakuitoefening, maar over wat minimaal nodig is om het (bij)scholen, leren, opleiden mogelijk te maken. Zoals dat elke cursist van de SSR zich voorbereidt, het lesmateriaal leest, bij gebrekkige deelname huiswaarts keert, dat de leidinggevende zich op de hoogte stelt bij de SSR over de vereiste minimuminzet van de cursist en achter de SSR gaat staan etc.
Overigens houdt een professionele standaard ook gewenst gedrag in, een professionele voorbereiding van een zitting, een respectvolle bejegening van slachtoffers, etc. Dit type standaard kan niet genoeg benadrukt worden, maar staat in dit betoog ietwat los van de juridische standaard.

Minimumregels voor de inhoudelijke ontwikkeling van de magistratuur
Zoals gezegd, rond de uitleg van een materieel of formeel leerstuk als opzet, schuld, causaliteit of medeplegen is debat nodig. Zonder debat overlijdt het recht. Dat debat slaat in de eerste plaats neer in vonnissen en arresten. Kennisname van de (beoordeling van de) casus in die uitspraken is dan ook onmisbaar, in het bijzonder van de motivering waarmee rechters hun juridische keuzen motiveren. Wil het Openbaar Ministerie bij de eigen conflictbeslechting in sepots of strafbeschikkingen een redelijke juridische status verwerven, zullen de motiveringen (verder) moeten worden ontwikkeld en geregistreerd in de systemen.
Ik schreef dat bij kennisname van de rechtsontwikkeling, neergeslagen in vonnissen, arresten, en op termijn in sepots en strafbeschikkingen, niet kan worden volstaan met individuele lezing van de Nederlandse jurisprudentie etc. Juist omdat het recht een normatief discours is, is meer nodig. Ik noem enkele voorwaarden.

a Om het recht en de rechterlijke organisatie verder te helpen (ontwikkelen) is in de eerste plaats nodig dat rechters en officieren van justitie tijd nemen om hun vak bij te houden en daarover met elkaar te spreken. Die tijd kan klassiek plaatsvinden in klaslokalen van de SSR, met een klassieke docent die de nieuwste stand van het recht uitlegt en daarover discussieert met de rechters en officieren van justitie. Het liefst in aanwezigheid van beide bloedgroepen, rechters en officieren horen bij elkaar, zowel organisatorisch als in kennisontwikkeling. Afmelden voor cursussen omdat het zogeheten primaire werk voorgaat vormt overigens zelden een positieve bijdrage.

b Het zou nog beter zijn als rechters en officieren in hun gerecht en parket onderling het gesprek aangaan aan de hand van de casuïstiek die zich in het eigen team of de afdeling in het laatste tijdvak heeft voorgedaan. Magistraten zijn niet anders dan doorsnee artsen of hoogleraren. Vaak hebben ze een eigen mening, een groot onafhankelijkheidgevoel en niet de primaire neiging zichzelf en de eigen juridische impressies te relativeren. Om te groeien als jurist (maar ook als mens) is het nodig om te (leren) twijfelen op de goede manier, op een wijze die niet neerdrukt of minderwaardig laat voelen, maar een die de pleitbaarheid van de verschillende juridische opvattingen aanjaagt. Dat lukt beter in groepsverband dan in het eigen hoofd.

c Dat dit debat onder rechters en officieren van justitie niet altijd goed plaatsvindt of georganiseerd wordt, heeft niet altijd van doen met tijdgebrek of met de geringe behoefte het debat daadwerkelijk met elkaar aan te gaan, al zijn beide zeker reëel, maar hangt ook samen met het feit dat sinds 20 jaar leidinggevenden in het bijzonder worden geselecteerd op hun potentiële organisatorische vaardigheden. Het is geen publiek geheim dat veel leidinggevende team- en afdelingsvoorzitters niet meer grondig doorkneed zijn in het recht, zelf weinig zittingen of zaken doen, en daarmee niet altijd meer het juridische overwicht op hun directe collega’s bezitten. Functioneringsgesprekformulieren bevatten allerhande in te vullen vaardigheden op juridisch vlak, maar de leidinggevende die zelf niet uitstekend van het recht op de hoogte is, en het evenmin zelf nog toepast in zaken, zal moeilijk het team of de afdeling weten te coachen in het juridische debat dat nodig is om te leren als individuele magistraat of als juridisch collectief. Dit geldt ook onverkort voor rechters of officieren van justitie met een landelijke expertise en die deze niet meer beproeven in de eigen zaken in de zittingzaal.
De relativering is dat de leidinggevende niet per definitie hetzelfde juridische niveau als de rechters en officieren van justitie in het eigen team of de afdeling hoeft te bezitten, mits hij maar de goede vragen stelt, coacht op (juridisch) gedrag, diepgang, kennis, kunde en tegensprekelijkheid. Het werkoverleg moet uiteraard wel gaan over de juridische en organisatorische inhoud van het werk.
We moeten ons realiseren dat het probleem niet alleen samenhangt met mogelijk te weinig leidinggevenden met juridisch gezag. Er zijn eveneens rechters en officieren van justitie die het praten, daadwerkelijk met inhoudelijke ondergrond spreken, over zaken, hun eigen zaken en over de lastige juridische twijfels en afwegingen, niet eenvoudig vinden. Met deze collega’s is niets mis, integendeel. Om op respectvol niveau met elkaar te spreken over elkaars juridische zieleroerselen is ruimte nodig, ruimte die elke deelnemer zichzelf en de ander moet gunnen. Dat vergt een moderator van juridisch gezag en menselijk overwicht die juridische empathie hoog in het vaandel heeft staan. Niet de doorsnee zoetige en wat vrijblijvende empathie waarmee dit woord wel wordt gebezigd, maar de empathie waarmee elkaars juridische vooronderstellingen en belangen worden doorvorst, uit oprechte leergierigheid, de collega in de vakuitoefening te leren kennen, opdat er als vaklieden (nog) beter samengewerkt kan worden.[1] Meningen uitwisselen is de kunde van je mond bewegen en woorden uitbrengen. Een debat voeren op gelijkwaardig niveau, waarin niet veroordelend wordt doorgevraagd, is meer een kunst.
Ik schat in dat deze kunde en hopelijk kunst meer wordt beoefend binnen het OM dan binnen de ZM. Elk parket kent strafmaatoverleggen, reflectiecommissie, gevoelige zakenoverleg, dubbele bezetting op grote strafzaken en zo verder. In ieder geval vindt er tussen OM en ZM vrijwel geen enkele juridische reflectie op (gedane) strafzaken plaats. Ik zie dat als een gemis.

d De Nederlandse rechterlijke organisatie kan zich sinds vele decennia rijk rekenen met de SSR. Ook de SSR zal zich niet altijd kunnen onttrekken aan bureaucratische invloeden, aan organisatorische teksten die weinig met de inhoud van doen hebben, maar wie daar aanstoot neemt moet bedenken dat de SSR het enige samenbindende instituut is dat rechters en officieren van justitie met onderwijskundige technieken bij elkaar kan brengen. Anders gezegd, er is geen alternatief. Omdat ik niet uitsluit dat de organisatie van de gerechts- en parketvloeren moeilijk veranderd kan worden, anders dan langs lijnen van geleidelijkheid, ware het te verkiezen dat de SSR, met hoogwaardige docenten, dat wel, naar de werkvloeren toegaat en als juridische moderator magistraten met elkaar in verbinding brengt en ‘leert’ spreken over het recht, uiteraard vergezeld van een goede inleiding over de nieuwste ontwikkelingen in het positieve recht.
Het moet gaan om leren op een wijze die afleert dat een denkrichting fout of goed is, maar slechts meer of minder pleitbaar. Op een wijze die, als ik onze zuiderburen mag geloven, misschien ietwat minder Nederlands is, leert om eerst wet en rechtspraak en voorliggende casuïstiek te bestuderen voordat er een meningencircus op gang komt. De doorgezette individualisering raakt immers ook de binnenkant van de rechterlijke organisatie en bevordert evenmin de juridische saamhorigheid met en waardering voor andersluidende juridische opvattingen.[2] Het verbeteren van de juridische debatcultuur beoogt daarom niet een collectiveringsproces sec te bevorderen.[3]

e In het recht moeten we individualistische magistraten koesteren; teveel sturen op een wij-gevoel verstikt een (zelf)kritische houding. Een magistraat is geen beambte, hij hoort gedurende zijn magistratenbestaan te streven naar het ervaren van een roeping die hem een andere geest aanreikt dan een ambtenaar die klaagt over werktijden of over leidinggevenden. Ik mik dus op juridisch individualisme dat pas tot de juiste bloei kan komen als de leerling-magistraat kiest voor nabootsing van het goede dat de senior opleider hem in het handwerk voorleeft en illustreert. Met nabootsing bracht vroeger de meester het vakmanschap bij aan de gezel. Hiervoor is wel nodig dat de landelijke en lokale leiding afweegt wie de voorbeeldmagistraten zijn, de helft van alle rechters is senior rechter, niet elke senior rechter is een voorbeeld. Mogelijk wel op een enkel punt, maar niet altijd op het juridische en organisatorische snijvlak dat nodig is om een goed magistraat te worden. Waar de beginnende magistraat moet aanleren en nabootsen, gaat het op dit punt over kennisoverdracht, wat specifieke vaardigheden vraagt.[4]

Nota bene. De individualistische magistraat staat niet gelijk aan zelfverwerkelijking. Het is al langere tijd in de mode om te betogen dat de zelfontplooiing van de individuele mens, werker en dus ook magistraat de leiding ter harte moet gaan. Ik zie niets in deze opvatting. Wetten worden gehandhaafd om de beschaving leefbaar en werkbaar te houden, het samenleven mag in ieder geval niet slechter worden. Nieuwe wetten, regels en rechtspraak moeten onder de aandacht van de magistraat worden gebracht. Als de rechter of officier een welbehagen schept in deze studie stemt mij dat blij, maar als hij het als een last ziet, jammer dan, het is zijn werk. De ontplooiing van de magistraat moet dan ook gericht zijn op de ontplooiing van de rechterlijke organisatie, de rechtspraak en het openbaar ministerie. Die gerichtheid op algemene doelen gaat alles te boven. De rechter en de officier moeten het recht elke keer weer toepassen op de individuele casus en daarbij kan een individuele weging niet worden uitgevlakt, maar dat individualisme is wat anders dan de huidige modieuze ontwikkelingsbehoefte van de moderne mens.

f In het laatste decennium is het aantal cursussen over attitude en andersoortige karakterologisch aandoende thema’s hand over hand toegenomen. Niet verkeerd, maar zolang in het gehele opleidingspakket niet het positieve recht tot uitgangspunt wordt genomen, waarbij bedrijfsvoering, organisatie, rechtstoepassing en karaktereigenschappen integrerend worden besproken, is mijn opleidingshoop miniem. Rechtsinhoud en organisatie zijn rechtstreeks op elkaar betrokken, zo oordelen de wetgever en de Hoge Raad sinds jaar en dag dat beperkte organisatiecapaciteit een rol mag spelen bij het wel of niet moeilijk vindbare getuigen op de zittingsrol laten staan, bij beslagvragen en zo verder. Nu moet de rechter nog leren zien dat de grens tussen recht en organisatie niet te scheiden zijn, beide zijn waardebetrokken oordelen, die op zijn minst besproken moeten worden tussen magistraten onderling, maar ook tussen leidinggevenden en de magistraat. Bedrijfsvoering, bestuur en organisatie zijn ietwat losgezongen (geraakt) van de juridische werkelijkheid en omgekeerd. Het is een lange en moeilijke weg om weer duidelijk te maken dat een en ander bij elkaar hoort, dat kan niet anders dan door te discussiëren over het recht, maar dan wel op basis van kennis van het positieve recht. En opnieuw is het nodig om te herhalen: er is geen juridische standaard, er zijn alleen denkrichtingen die botsend en falsificerend in opeenvolgende casuïstieken het recht verder kunnen brengen.[5]

Afronding
Als we aanvaarden dat in het recht professionele standaarden niet (kunnen) bestaan, dat rechtsgelijkheid een utopie is, dat we niet te makkelijk goedkope woorden hieraan moeten besteden, en we kleinschalig in de teams van magistraten over het eigen recht van de week leren spreken, op een hopelijk speelse wijze, als ware het de Keek op de Week, dan heb ik vertrouwen dat de SSR als instituut kan bloeien ten faveure van de strafrechtspraktijk, mits de bestuurders van de rechterlijke organisatie de SSR daartoe in de gelegenheid stellen.
Wie omziet naar alle stapels papier, beleidsnotities en voornemens over kennismanagement zou in vermoeidheid kunnen neerzitten. Ik voel dat na. Toch is het wenkend perspectief van de verbeelding nooit weg. Wie wil eten van de boom van kennis moet bedacht zijn op de smartelijke weg van kennisvermeerdering. Geen probleem, mits we maar blijven nadenken over methodieken om de weg verder af te leggen. Als ik het goed zag en zie is een belangrijke weg voorwaarts gelegen in de goede interferentie van recht en organisatie, ook in het (bij)scholen van magistraten. Wie dit scholingsaspect baseert op casusbesprekingen zal bij de jurist altijd een willig oor (moeten) vinden. Wie dit beeld, deze verbeelding, toelaat, moet gaan nadenken over strafvorderlijke architectuur, waarbij onderwijskundigen, bedrijfskundigen en andere organisatiekundigen als aannemers hebben te gelden die het juridisch-architectonisch ontwerp van minimumregels rond de rechtsontwikkeling verder helpen ontwikkelen en uitvoeren.

Rinus Otte
Hoogleraar Organisatie rechtspleging RUG en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie

Voetnoten
[1] Het proces, Boom juridisch Den Haag 2015, hoofdstukken 9 en 21.
[2] De volgende uitdrukking wordt aan de filosoof Safranski toegedicht: Wij zijn allemaal veroordeeld tot de borreltafel. Nog beter stelt de socioloog J.A.A. van Doorn in zijn laatste publicatie: “Door de informatieovervloed is de neiging onweerstaanbaar gewordenalle feiten met particuliere, dus subjectieve meningen te beladen, waarom men het eigen oordeelsvermogen grandioos pleegt te overschatten. Men blijft doorgaans hangen in stereotyperingen” (Nederlandse democratie, Amsterdam 2009, blz. 509). In zijn termen: luid beleden opiniërende mondigheid bevordert de rechtsontwikkeling niet.
[3] Abram de Swaan, Rationele keuze als proces, Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 1996, blz. 601.
[4] Zie Johan Goudsblom, Verandering genereert verandering. Van biologische evolutie naar sociaal-culturele ontwikkeling, Amsterdam Sociologisch Tijdschrift 2000, blz. 18.
[5] Karl Popper, The Open Society and Its Enemies, Vol. 2, Londen (1962, 1982), blz 95.