Nooit voltooid

Door Peter Lemaire

Nederland is wel een fijn land, zeker in de maand mei. Als ik in Nederland ben, stap ik zoveel mogelijk op de fiets. Zelfs op een doordeweekse dag wordt er stevig gefietst, door allerlei krasse 60 plussers, en met mijn kennelijk wat Arubaanse tempo word ik ook nog eens aan de kant gejoeld door een stel kleurrijk geklede 70 plussers op racefietsen.

Ook ga ik even langs bij mijn hof in Arnhem, waar ik onbetaald verlof geniet. Daar word ik wel eens verrast door collega’s die ineens aankondigen met pensioen te gaan. Het zijn bijna zonder uitzondering vitale mensen, zelfs degenen die met 70 vertrekken, fitter lijkt het wel dan menig dertiger die dagelijks de triatlon moet zwoegen tussen werk, crèche en thuis.

De statistieken tonen het aan. Nederlanders worden steeds ouder en steeds gezonder oud. Een vermoeden dringt zich op: Nederlanders gaan te jong met pensioen.

Actueel in Nederland is de discussie over het fenomeen voltooid leven. Wie inzicht wil krijgen in deze materie leze het onder voorzitterschap van Paul Schnabel tot stand gekomen rapport Voltooid Leven, dat een grondige schets geeft van dit fenomeen in zijn juridische, psychologische en sociologische aspecten.

Voltooid leven is een wat amorf begrip, maar het komt er – in mijn woorden – op neer dat gezonde mensen die vanaf een bepaalde leeftijd geen positief perspectief meer zien, onder zekere voorwaarden om euthanasie of althans hulp bij zelfdoding kunnen vragen. Het rapport komt tot de conclusie dat dit niet zo’n goed idee is. Het zou gaan om een relatief klein probleem omdat de huidige euthanasiewetgeving via het begrip uitzichtloos psychisch lijden de mens al veel schrijnend leed kan besparen. Ook wijst men er op dat de Nederlandse samenleving – weer in mijn woorden – nog niet goed met onze langere levens weet om te gaan.

Het rapport spreekt mij wel aan. Ouderdom, na je pensioen, wordt in ons individuele en collectieve bewustzijn in veel publieke en persoonlijke uitingen gezien als een periode om als het even kan ‘te genieten’. Zodra je 55+ bent, word je bij wijze van spreken bestookt met promoties om ‘toekomstbestendig’ te gaan wonen, luxe appartementen te bezichtigen, van ouderenkorting te genieten, te reizen en wat dies meer zij, tijd aan jezelf, maar ook een beetje in de uitloopfase van leven en werk.

En dus een plek die je als gemarginaliseerd kunt ervaren. Als je als pensionado nog 30 jaar voor de boeg hebt, kan dat een kwellende opgave worden. Een dergelijk blik op de ‘post-actieve’ levensfase koppelt zinvol leven impliciet (en ik denk ook onbedoeld) aan uitzicht op een individueel, positief perspectief, een goed en leuk leven naar westerse maatstaven. Die kijk op het leven is echter geen noodzakelijk en onvermijdelijk feit, maar een perceptie die meekomt met die moderne samenleving waarin mensen steeds gezonder (en in Nederland vaak relatief welvarend) ouder worden en waar de solidariteit tussen generaties is verwaterd. Een andere kijk is denkbaar en wordt door dezen en genen ook wel gepraktiseerd. Ten eerste omdat leeftijd niet aan de weg staat aan zinvolle activiteit (de president van de Verenigde Staten van Amerika is een krasse 70’er). Waarom zou iemand eigenlijk op een gefixeerde leeftijd met pensioen moeten? En ten tweede omdat positief perspectief een kwestie is van waardering. Is ‘just being there’ geen positief perspectief?

Er speelt hier een ander cultureel aspect mee. In de Nederlandse (misschien geldt dit wel voor heel West-Europa) cultuur overheerst een individualistische attitude ten aanzien van het leven. Het is mijn leven en ik beslis wat ik ermee doe, ook als ik ‘eruit wil stappen’. Rabbijn Lody van de Kamp heeft bij dit uitgangspunt in een vorig blog kritische kanttekeningen geplaatst. Hij doet dit vanuit de Joodse traditie, wijst op de minder leuke kanten van het leven die daar wel integraal deel van uitmaken en wijst ook op het Nederlandse medische recht, dat patiënten een rol geeft als cliënt. Dat suggereert – parafraseer ik – dat de klant koning is en bepaalt wat hij wil, maar het maskeert wellicht het bestaan van andere maatschappelijke en ethische belangen, die evenzeer van invloed behoren te zijn in deze discussie.

De bescherming van het menselijk leven is één van de wezenskenmerken van de moderne democratische rechtstaat. Deze is na een eeuwenlange strijd voor mensenrechten vooral vanaf de tijd van de Verlichting begonnen en vanaf de Franse revolutie en Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd in toenemende mate in grondwetten en verdragen verankerd geworden. Daarbij gaat het niet alleen om het respect voor het leven, maar ook om een positieve verplichting van overheden om zo veel mogelijk een ‘goed leven’ voor zijn burgers te bevorderen. De dood van een persoon is niet zomaar een onverschillig lot of een keuze die alleen een individu aangaat, maar raakt ook de gemeenschap, zoals iedereen weet die wel eens een zelfdoding in zijn omgeving heeft meegemaakt. Samenlevingen met een hoog suïcide-getal baren niet voor niets zorgen. En er is geen reden wat dat betreft een principieel onderscheid te maken tussen ouderen en jongeren.

De Nederlandse euthanasiewetgeving is tot op heden gebaseerd op een medisch uitgangspunt, te weten hulp bij ernstig en uitzichtloos lijden. Hoewel de randen van dit beleid subjectief zijn, gaat het nog altijd om ingrijpen in de medische sfeer. Dit ingrijpen wordt daardoor ook gerechtvaardigd, namelijk vanwege rechtens op een bepaald moment strijdende, maar legitieme rechtsbelangen, te weten de bescherming van het leven enerzijds en de bescherming tegen uitzichtloos medisch lijden anderzijds. Juist omdat dit lijden uitzichtloos is, is er sprake van conflicterende rechtsplichten, is een uitzondering op de bescherming van het leven verdedigbaar en gebeurt het ingrijpen via euthanasie dan ook door artsen. Bij euthanasie of hulp bij zelfdoding bij voltooid leven, zou dit uitgangspunt worden losgelaten omdat het mogelijk wordt gezonde mensen te doen overlijden vanwege een door hen persoonlijk ervaren levensgevoel. Dat is dus geen van tweeën medisch van aard en ook juridisch van een geheel andere orde. En omdat artsen dit wegens gebrek aan medische problematiek niet voor hun rekening willen nemen, zou dit bij ‘voltooid leven’ moeten gebeuren door leken, althans niet-artsen.

Dit zou dus een grote en principiële breuk betekenen met de van oudsher in de wet verankerde bescherming van het leven en het welzijn van mensen. De vraag is of deze inbreuk verdedigbaar en verstandig is. De discussie stoelt op twee pijlers, namelijk voltooid leven en vrije wil.

Wat dat eerste betreft: het begrip voltooid leven is een tamelijk nieuw begrip. Het gaat niet om een oud rechtsgoed met een stevige sociologische verankering in onze samenleving. Ik vermoed – in het licht van het voorgaande – dat het ook een sterk cultureel bepaald begrip is. Mijn Colombiaanse en Arubaanse kennissen, bijvoorbeeld, herkennen de problematiek niet en hebben moeite met het idee. Dat komt ongetwijfeld mede doordat familieverbanden bij hen vanzelfsprekender en als van groter waarde worden ervaren dan in Nederland gebruikelijk is. Het ‘being there’ strekt de familie tot vreugde en voordeel, zodat ouderen, vermoed ik, lang ingebed blijven in een omgeving die per definitie als zinvol wordt ervaren. Het leven is dan nooit voltooid. Je kunt dus niet op goede grond zeggen, anders dan bij uitzichtloos lijden het geval is, dat de voltooid leven-problematiek onvermijdbaar is.

Daarmee komt vanzelf ook de betrekkelijkheid van de tweede pijler, die van de vrije wil, naar voren. Want zou iemand tot het voltooid leven-gevoel en de daarbij behorende wilsuiting komen in een andere cultuur, waar ouderdom anders wordt gewaardeerd, zijn of haar aanwezigheid meer wordt gewaardeerd en waar dus voor alle generaties een positief perspectief is te verwachten? Het interpreteren van een wilsuiting en de (vaak onzichtbare) omstandigheden waaronder deze tot stand komen, is bovendien een lastige zaak, weten artsen, rechters, officieren van justitie en advocaten die zich daarmee beroepsmatig bezig houden. Het zou de bedoeling zijn de hulp bij levenseinde te laten plaatsvinden door de directe familie of door daartoe opgeleide personen, niet zijnde artsen. Wat voor mensen zullen op dit werk afkomen, in wier handen eens anders dood wordt gelegd en zullen deze daartegen zijn opgewassen? Kun je mensen verantwoord met dergelijke verantwoordelijkheden belasten en wie toetst dat? Anders dan artsen, die immers door hun opleiding, eed en tuchtrechtelijke toezicht, zijn ingekaderd, bestaat iets dergelijks voor ‘suïdiciens’ niet.

De in mei van dit jaar in werking getreden Aanwijzing vervolgingsbeslissing inzake actieve levensbeëindiging op verzoek (euthanasie en hulp bij zelfdoding) van het openbaar ministerie houdt de deur voor hulp bij zelfdoding stevig dicht. Een gedoogbeleid via het opportuniteitsbeginsel voor de nog altijd strafbaar gestelde hulp bij zelfdoding hoeven we voorlopig dus nog niet te verwachten. Ook de Hoge Raad geeft blijkens zijn recente uitspraken weinig ruimte om hulp bij zelfdoding bij ‘voltooid leven’ als rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond te aanvaarden, en dat is consequent omdat ‘voltooid leven’ geen onderdeel vormt van ons collectieve rechtsgevoel.

Laten we in lijn met de uitbanning van het begrip allochtoon nu maar eens beginnen met een radicale uitbanning uit de samenleving van alles wat ouderen stigmatiseert of wat mensen op het idee brengt dat ze überhaupt oud zijn (en verhoog om te beginnen ook maar meteen al de leeftijdsgrens van rechters naar 75-;).

Peter Lemaire
Rechter op Aruba