Voltooid leven

Door rabbijn Lody B. van de Kamp (BEd.)

In een Nederlandse samenleving, een parlementaire democratie met als basis de rechtsstaat gefundeerd op een grondwet, beschikken wij over het recht van interventie in het leven van de medeburgers.

Dit komt op ‘milde’ wijze tot uiting in het begrip van rechtshandhaving door de overheid over het leven van de burger.

Een ‘zwaardere’ manier van interventie is het geweldsmonopolie waar de overheid over beschikt en dat gemandateerd is aan de politie en aan de krijgsmacht.

Elementair in onze rechtsstaat is dat, ook met een bestaand recht om ten behoeve van handhaving ‘geweld’ te laten gebruiken door de monopoliepartners, het leven en de kwaliteit van het leven onaantastbaar is.

In politiek Den Haag staat al een aantal jaren de discussie rond ‘Voltooid leven’ op de agenda. Voltooid leven werd 2010 geïntroduceerd als burgerinitiatief door een groep vanuit de samenleving onder de naam ‘Uit vrije wil’. Deze groepering vraagt om het legaliseren van stervenshulp aan diegenen die hun leven voltooid achten.

De discussie is inmiddels zowel politiek als juridisch in volle gang. Als rabbijn, aangeleerd om te denken en te handelen binnen de rabbijnse traditie die gebaseerd is op het Oudtestamentisch en Talmoedisch recht, lijkt het mij essentieel dat enerzijds zowel de politieke als de juridische partners in de maatschappelijke beschouwing over dit onderwerp ook oude religieus-ethische elementen niet overslaan. Anderzijds is het noodzakelijk dat het religieuze volksdeel in de maatschappij deze discussie niet alleen overlaat aan de politieke, juridische en maatschappelijke partners maar zichzelf hier ook mee bemoeit.

Deze religieus ethische invalshoek ervaar ik van groot belang om uiteindelijk tot een voltooide maatschappelijke discussie en een voldragen besluitvorming te komen.

En dit geldt ook binnen een stelsel waar scheiding van Kerk en Staat heerst.
Van belang is immers een brede kennis over alle elementen die binnen de discussie de revue passeren. Dat behelst een kennis die breder is dan alleen maar vanuit het eigen referentiekader.
De waarde hiervan geldt zeker bij die onderwerpen die over levensvraagstukken gaan.

Ik zal hier geen volledig juridisch betoog houden dat gebaseerd is op bovenstaande levensbeschouwelijke rechtsstelsels. Nederlands recht heeft weliswaar raakpunten met Oudtestamentisch en Talmoedisch recht maar heeft toch ook wel heel andere uitgangspunten.
Wel lijkt het mij zinnig een aantal punten naar voren te brengen die gebaseerd zijn op principes die gelden in dit soort recht. Wel vraag ik begrip van de lezer dat binnen de context van dit artikel niet al deze onderwerpen volledig kunnen worden uitgediept. Daarvoor is de materie te uitgebreid en zou een en ander te gedetailleerd worden voor een artikel als dit. De onderwerpen worden hier, ter vermeerdering van kennis en inzicht, slechts aangestipt.

Beschikkingsrecht
Een besluit over het beëindigen van een voltooid leven raakt ontegenzeggelijk het recht van beschikking over het leven. Wie gaat daar over? Is dat recht voorbehouden aan de persoon wiens leven voltooid wordt geacht? Is het gemandateerd aan de next of kin? Aan een overheid?

In de rabbijnse traditie wordt ‘leven’ gedefinieerd als een fenomeen dat ontstaat zonder interventie van ander leven. Althans het geestelijk functioneren van dat leven. Met de fysieke geboorte ontstaat leven. Met het fysiek overlijden komt er een einde aan ook het geestelijk leven (althans in deze materiele wereld). Het ontbreken van interventie bij het ontstaan van het leven wordt gezien als een aanwijzing dat ook interventie bij het tot einde komen van het leven moet ontbreken. Daarbij is het voor de buitenstaander niet relevant of er sprake is van interventie door een Hogere Macht of door wat dan ook. Het gaat er om dat een bemoeienis door ons mensenkinderen in ieder geval niet mag plaats vinden. Niet door de persoon in kwestie, niet door de next of kin. En ook niet door een overheid of door andere gezagdragers.
Voor de volledigheid moet hierbij nog aan worden toegevoegd dat medische zorg en medische kwaliteitsverbetering van het leven als zodanig niet als levensinterventie wordt beschouwd.

Anders dan in sommige christelijke levensbeschouwingen zijn medische zorg en medische kwaliteitsverbetering binnen de Joodse traditie een grondrecht dat staat naast het eerdergenoemde verbod van non-interventie met betrekking tot levensbeëindiging. Zorg die leidt tot in het stand houden van het leven, zonder dit levens overigens kunstmatig te verlengen, valt niet onder het hierboven gehanteerde begrip van interventie. Integendeel, medische zorg is een plicht.
Een wettelijke voorziening om leven te beëindigen bestaat dus niet in het rabbijnse recht. In dit opzicht loopt dat recht voor of achter, zo u wilt, op het Nederlands recht dat in ieder geval wel een voorziening van interventie kent met betrekking tot Euthanasie.

Levensdefinitie
Om te weten vanaf wanneer tijdens de levensfase het interventieverbod geldt is het belangrijk te weten wat de definitie van het begrip leven is, vanaf het prille begin tot en met het einde.
Voor de Rabbijnse wetgeving begint het leven bij de geboorte. En met de geboorte wordt als criterium aangegeven het zichtbaar worden van het grootste deel van het voorhoofdje van de boreling tijdens de bevalling. Voor het einde van het leven worden door de Schriftgeleerden drie elementaire lichaamsfuncties aangegeven die ‘leven’ bepalen. Dat zijn een functionerende hartslag, de ademhaling en het door het lichaam reageren op externe prikkels. Ontbreken deze drie functies, dan is er geen sprake meer van leven en is het moment van het interventieverbod gepasseerd.

Met betrekking tot het levensbegin is het wel van belang te weten dat er voor de geboorte, vanaf conceptie sprake is van leven. Ook daar geldt een interventieverbod. Maar dat leven is niet ‘absoluut’. In een situatie waarbij een lopende zwangerschap een levensbedreiging zou kunnen vormen voor de moeder geldt de weging dat het leven van de moeder geldt als absoluut ten opzichte van het ‘potentiele’ prenatale leven van het kind. Om het leven van de moeder in stand te houden geldt dan geen interventieverbod en moet indien noodzakelijk een abortus plaats vinden.
Het absolute leven treedt bij het kind pas in werking vanaf de hierboven beschreven zichtbaarheid van het voorhoofd van het kind. Contemporaine Schriftgeleerden en wetskenners geven aan dat die levensbedreiging die een zwangerschapsinterventie, dus abortus provocatus, mogelijk of noodzakelijk maakt niet alleen geldt bij een fysieke dreiging voor het leven van de moeder maar ook, tot op zekere hoogte, bij psychische dreiging zoals bij suïcidale risico’s.

Voltooid leven
De conclusie dat een leven voltooid is kan te maken hebben met een aantal criteria. Eén criterium is dat er in dit leven geen nieuwe scheppende potentie aanwezig is. Het leven is klaar. Een ander criterium is dat er of fysiek of geestelijk, of zo mogelijk van beiden, geen kracht of zingeving meer aanwezig is om nog door te gaan. Weer een ander criterium zou kunnen zijn dat al datgene dat men tijdens het leven wilde bereiken, inmiddels werd volbracht. Voor andere, nieuwe levensbezigheden bestaat verder geen belangstelling.

Aan de hand van deze bevindingen zou dan kunnen worden gevraagd om een interventie.
Hiertegen maakt de Rabbijnse wetgeving bezwaar. Het voltooid zijn van het leven is een waardeoordeel over het leven. En dat erkent deze wetgeving niet. Sterker nog. Het leven is een ondeelbaar en een niet beoordeelbaar element in het universum waar wij deel van uitmaken. De Engelse opperrabbijn en ethicus Lord Immanuel Jacobowits beschrijft het begrip ‘leven’ als onderdeel van de wereld waarvan wij deel uit maken als een begrip dat ‘geen bezittelijke of bijvoeglijke naamwoorden tolereert’. Er bestaat niet zoiets als ‘mijn’ of als ‘jouw’ leven. Er is geen goed of geen slecht leven, geen lang of kort leven. Er is geen sprake van een waardig of onwaardig leven. Er is alleen maar ‘leven’. Leven is ondeelbaar, onaantastbaar en niet te kwantificeren of te kwalificeren. Vandaar ook de stringente opvattingen over interventie met betrekking tot levensbeëindiging. Vanaf de geboorte tot aan het ultieme einde bestaat er een absoute zorgplicht. De ondeelbare en ondefinieerbare status van het leven eist wat dat betreft de hoogste kwaliteit van zorg. En dit tot het einde toe. Iets anders is er niet.

De ondeelbaarheid en ook de onmogelijkheid om een waardeoordeel te hebben over kwaliteit van leven geldt vanuit deze wetgeving ook voor de discussie over voltooid leven. Het al dan niet voltooid zijn van het leven is een waardeoordeel over een moment tussen het begin van het leven en het einde. En zo een waardeoordeel kennen wij dus niet. En zo wordt iedere interventie dus uitgesloten.

Dit moge in de ogen van de voorstanders van het ingrijpen bij het ‘voltooid’ leven een harde realiteit lijken. Echter, in plaats van de grenzen van het leven op te zoeken, rust de nobele taak op onze schouders om door veel grotere krachtinspanning de grenzen van de zorgmogelijkheden op te zoeken. Deze grenzen blijken op lange na nog niet te zijn bereikt. Tot aan het vinden van die grenzen kan veel voltooid leven vooralsnog worden gekwalificeerd als nog steeds niet voltooid.

Nauw hiermee verbonden is het beantwoorden van de vraag in hoeverre de conclusie dat leven ‘voltooid’ is mede wordt beïnvloed door factoren anders dan alleen maar voltooid te zijn.

In hoeverre is de onmacht om met het lijden om te gaan, zowel door de persoon in kwestie als door de naaste omgeving, van invloed van het besluit om dit leven als voltooid te kwalificeren? In hoeverre is het constatering dat er geen verdere zorg meer voorhanden is vanwege de huidige behandelprotocollen in de zorg van invloed op het tot voltooid verklaren van dit leven.

En dan is er nog iets.
Wij leven met een gezondheidszorg waar patiënten cliënten zijn geworden.
De zorgaanbieders, de verzekeraars en de hulpverlening werken bij de gratie van marktwerking en concurrentie.
Bij het in deze discussie noodzakelijk definiëren van begrippen als voltooid en onvoltooid leven bestaat er voor een aantal van de partners in deze zorgketen dan ook niet langer de mogelijkheid om zich volkomen onafhankelijk op te stellen. Medische ethiek is één sturende factor in dit definiëren. Maar het economisch karakter van de hedendaagse zorg kan de discussie bij het omschrijven van voltooid leven een geheel andere kant op sturen.
Ook dit moeten de deelnemers aan het debat over dit onderwerp terdege beseffen.

Met het bovenstaande is zeker nog lang niet alles gezegd. De punten die ik heb aangehaald geven slechts weer dat er nog heel wat deskundigheden en criteria zijn af te tasten voordat de wetgever tot regelgeving kan komen waar het over interventie in een voltooid leven betreft.

In onze samenleving is het leven onaantastbaar. Ook het geweldsmonopolie kent daar waar het de kwaliteit van leven en het leven zelf betreft haar beperkingen. Het beëindigen van voltooid leven, wat dat dan ook moge zijn, is die onaantastbaarheid van het leven net weer een stap voorbij.
Dit laatste moeten wij bij de besluitvorming hierover goed blijven beseffen.