Meer structuur in straftoemeting nodig

Bert Berghuis

[1] In 1992 publiceerde Trema een themanummer over rechtsgelijkheid, waarbij ik was gevraagd om een empirische bijdrage te leveren over het strafrecht. Die bijdrage “De harde en de zachte hand” toonde een forse ongelijkheid in straftoemeting aan en maakte veel los. De media doken erop, ontkenning van rechtbankpresidenten in de NRC, natuurlijk ook enige agressie naar degene die de boodschap verkondigde. Toch bleek het ook een stimulans voor wat later de oriëntatiepunten van de strafrechtspraak zouden worden. We zijn nu 25 jaar verder – wat is er terecht gekomen van de inspanningen om tot een grotere rechtsgelijkheid te komen? Het meest tastbare resultaat zijn de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting bij een dertigtal delicten.

[2] Peter Lemaire meent in zijn blog dat deze oriëntatiepunten “relatief succesvol” zijn en bovendien een aanvaardbaar “pragmatisch midden [houden] tussen voorspelbaarheid en noodzakelijke flexibiliteit”. Rick Robroek ziet dit niet zo, omdat sprake zou zijn van een normatief instrument dat te zeer een bestuurlijke en niet-rechterlijke basis heeft. Hij pleit voor een beweging van onderop waarbij per gerecht rechters zelf kijken of ze elkaar kunnen vinden in hun oordelen over de straftoemeting. En “[w]anneer ze tot overeenstemming komen, kunnen de rechters zelf iemand uit hun midden aanwijzen om vervolgens tot landelijke afstemming te komen”. Hij onderkent het nadeel dat harmonisering lastiger zal worden bereikt, maar kiest daar toch voor om de rechterlijke autonomie hoog te houden. Hiermee zouden we weer terug bij af zijn en aanvaarden dat het de individuele vrijheid van de rechter om naar eigen bevind van zaken te handelen gaat boven het verkrijgen van meer gelijkheid bij het opleggen van straffen. Waarmee overigens nog niet gezegd is dat Robroek tegen harmonisering van de straftoemeting is. Hij wijst bestuurlijke invloed af, gelooft er niet in dat rechters zelf tot wezenlijke harmonisering kunnen komen, maar dat laat natuurlijk de mogelijkheid open om via het rekwireerbeleid van het openbaar ministerie of via wetgeving tot harmonisering van de straftoemeting te komen. Voordat ik daar een mening overgeef, zal ik mijn oordeel geven over de LOVS-oriëntatiepunten (rapport december 2016).

[3] Mijn analyse van de oriëntatiepunten leidt tot de conclusie dat ze een lappendeken vormen. Het ziet ernaar uit dat verschillende groepen rechters zich op uiteenlopende wijze bezighielden met het verzinnen van een relevante systematiek. Er is niet herkenbaar gebruik gemaakt van ontwerpbeginselen. Zo vraag ik me af waarom deze en niet ook andere delicten meegenomen worden – waarom wel verkrachting maar niet aanranding en ontucht, bijvoorbeeld? En waarom zijn bepaalde criteria (zoals recidive) soms wel en soms weer niet bepalend geacht, en waarom is een criterium soms kwantitatief vertaald en elders alleen kwalitatief aangeduid? Is er bewust voor gekozen om een bepaald criterium steeds een ander gewicht te geven (bijv. de gesuggereerde straf voor ernstige schuld bij vormen van het veroorzaken van een verkeersongeval ligt soms 2 en soms 4 keer hoger dan bij ‘aanmerkelijke schuld’)? Ligt er een goede gedachte ten grondslag aan de uiteenlopende weging van de omvang of ernst van het delict: soms is die rechtlijnig (10% hoger bloedalcoholgehalte bij vormen van rijden onder invloed leidt tot 10% meer straf), soms kromlijnig neerwaarts (lage volumes harddrugs en korter dealen tellen relatief zwaar mee, zelfde geldt ook voor fraudeomvang) of opwaarts (lage volumes vuurwapenpatronen tellen relatief licht mee).

[4] De ontstaansgeschiedenis van de oriëntatiepunten leidt tot een wat toevallig aandoende systematiek, met vanuit de totale straftoemeting beoordeeld vele lacunes en ongerijmdheden. Het lijkt beter te zien of met enkele ontwerpprincipes meer en een meeromvattende systematiek te bedenken valt, mede op basis van wat in LOVS-verband als is bedacht. Ik zou daar enkele suggesties voor kunnen doen, daarin gesterkt door Lemaire die stelt dat de oriëntatiepunten geen monopolie is van de LOVS noch van de rechters.

[5] Een eerste ontwerpprincipe zou kunnen zijn dat per ‘kaal delict’ (zoals diefstal, veroorzaken verkeersongeval) via een vaste formule een uitgangspunt wordt geformuleerd dat uitdrukking geeft aan de basale normatieve ernst van het delict. Hierbij kan mijn bevinding behulpzaam zijn dat de verhouding tussen de opgelegde sanctie (omgezet in ‘celdagequivalenten’) en het strafmaximum rond een-tiende ligt. Dat dit zo laag ligt komt omdat de zaken meestal licht van aard zijn, soms zwaarder en alleen bij uitzondering extreem zwaar Uit het geheel aan straf beïnvloedende factoren zoals die in de LOVS-oriëntatiepunten en in sommige wettelijke bepalingen te vinden zijn, kunnen drie basisfactoren worden gedestilleerd. De eerste betreft de feitelijke ernst van het delict in termen van de mate waarin inbreuk wordt gemaakt op collectieve belangen (van de staat, de democratische rechtsorde en de algemene veiligheid) en op individuele belangen (de persoonlijke vrijheid, integriteit en eigendom). Dit valt te operationaliseren in termen van o.a. het verhinderen van het functioneren van (sectoren binnen) de samenleving, het in gevaar brengen van de veiligheid, toegebrachte schade aan persoon en eigendom. De tweede basisfactor categorie gaat over de methode van plegen en de context van dat plegen, zoals de professionaliteit, geraffineerdheid, brutaliteit van het plegen, de afhankelijke positie van het slachtoffer (jong, oud, …), plegen tegen werknemers met publieke-dienstverlener, het gebruik van of dreigen met wapens of geweld. De derde basisfactor betreft het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt en het gevaar van herhaling, gegeven zijn of haar feitelijke rol bij het begaan van het delict en dat van het eventuele slachtoffer, of het delict opzettelijk of culpoos is gepleegd, of sprake is van middelengebruik, of sprake is van beroepsmatig of georganiseerd plegen en recidive, of het is gepleegd samen met andere dader(s). Van deze groepen criteria zijn diverse operationaliseringen al te vinden (hoe ze meewegen in de straftoemeting).

[6] Het is mogelijk langs deze lijnen een meeromvattend maar tegelijk vereenvoudigd stelsel van oriëntatiepunten te realiseren, uiteraard met de mogelijkheid of zelfs de verplichting om daarvan af te wijken onder bijzondere omstandigheden. Vanzelfsprekend is zo’n stelsel dan geen resultaat van een initiatief van onderop, zoals Robroek wil, maar een resultaat van bovenaf. Het is dan niet vanzelfsprekend dat de rechters hierin mee zullen willen gaan, ook niet als in de nadere vormgeving alle ruimte voor rechterlijke betrokkenheid en invloed wordt geboden. Voor zover er dan nog weerstand zou zijn tegen binding aan zulk een rechtspolitiek straftoemetingshulpmiddel, valt dat niet goed te begrijpen. Wil men dan ook afwijzen dat er rechterlijke richtlijnen zijn voor het eenduidig bepalen van ontslagvergoedingen en alimentatieverplichtingen? Ook daarbij kan worden gesteld dat het maatschappelijk belang van rechtsgelijkheid uitgaat boven dat van individuele rechterlijke autonomie.

[7] Net als auteurs als Henk Elffers en Albert Klijn meen ik dat het na 25 jaar nog niet echt goed is gesteld met de bevordering van helderheid en gelijkheid in straftoemeting. De beweging dat rechters (al dan niet bestuurlijk aangestuurd) zelf laten regelen heeft nog niet voldoende gebracht, en lijkt te lijden onder een grote terughoudendheid, versnippering en vrijblijvendheid. Dat valt te betreuren want het heeft wat mij betreft de voorkeur dat rechters en hun bestuurders zelf een stap zetten, ook als dat haaks staat op de rechterlijke autonomie. Met Robroek zie ik echter ook dat het verleden niet een snelle positieve ontwikkeling voorspelt. En mogelijkerwijs zitten er ook juridisch haken en ogen aan het van bovenaf initiëren van rechtseenheid. Toch denk ik dat het belang van een meer rationele en dus minder op persoonlijke motieven en emoties geschoeide straftoemeting zwaarder moet wegen. Indien rechters met hun bestuurders als voormannen of facilitators die verbeteringsstap niet zelf kunnen zetten, dan zijn er twee alternatieven. Het ene alternatief volgt de suggestie van de toenmalig AG bij de Hoge Raad Jan Leijten, die destijds op een symposium naar aanleiding van de genoemde Trema-publicatie meenden dat de rechtsgelijkheid primair zou moeten worden gevonden in de advisering van de OvJ aan de rechter. Dan zou een systematiek van straftoemeting bij het OM moeten worden gemaakt, hetgeen niet onlogisch is nu het OM in veel gevallen ook zelf straft middels de strafbeschikking. Daarover beschikte het OM ook eerder in de vorm van het Bos/Polaris-systeem, dat sinds enkele jaren vervangen is door richtlijnen die in opzet meer lijken op de LOVS-oriëntatiepunten. De OM-richtlijnen vormen echter ook een lappendeken en lijken ook niet uit te gaan van ontwerpbeginselen, en ze verschillen ook bij dezelfde delicten zowel in strafuitgangspunten als in hantering van relevante criteria van de rechterlijke oriëntatiepunten. Het lijkt erop dat ook van het OM een initiatief kan worden verwacht om te komen tot een helder vormgegeven systeem ter bevordering van de rechtsgelijkheid in straftoemeting.

[8] Conclusie: de rechter en het OM zijn ieder een eigen weg gaan bewandelen in het bereiken van meer rechtsgelijkheid. Dat lijkt niet wenselijk. Evenmin is het wenselijk dat bij beide een gebrek is aan helderheid en eenduidigheid in de strafbepaling. Ik zie niet hoe dit uit eigen initiatief binnen de rechterlijke macht zal verbeteren, zodat wellicht gekozen moet worden voor wetgeving. De gedachte van invoering van minimumstraffen lijkt me echter volstrekt verkeerd. Het volume van zaken met lichte ernst en geringe strafwaardigheid is zeer groot waardoor er juist veel ruimte moet zijn om licht te bestraffen. Wellicht is het beter mogelijk de genoemde ontwerpbeginselen van een eenduidig uitgangspunt en een beperkt aantal basale strafverlichtende en -verhogende factoren in wettelijke bepalingen te gieten.

Bert Berghuis
Voormalig raadadviseur bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.