Artikel 12 Sv

Tot de dagelijkse bezigheden van de strafrechtadvocaat hoort het aan de cliënt vertellen hoe het allemaal werkt. Dat is oppassen geblazen want het uitleggen van wettelijke regelingen en beslissingen van rechters kan snel opgevat worden als het verdedigen van bepaalde zaken terwijl de cliënt daar helemaal niet op zit te wachten. Bovendien kan het ook heel vervelend zijn om voor de zoveelste keer te verduidelijken waarom bij een first offender die nog alleen maar verdachte is toch vrij gemakkelijk het recidivegevaar wordt aangenomen. Vaak weten cliënten een zinnige uitleg ook nog eens te pareren met de avonturen van een medegedetineerde waar toch uit blijkt dat het allemaal niet klopt. Zo gaf ik laatst aan dat een poging tot moord richting de dubbele cijfers zou kunnen gaan en was de reactie dat een medegedetineerde daar toch maar 2 jaar voor had gekregen. Bij toeval deed ik ook de zaak van deze medegedetineerde die inderdaad was veroordeeld tot twee jaar maar van poging tot moord was geen sprake, wel van een zeer ernstige bedreiging middels schieten. Er zitten ook nog al wat eigenwijze snuiters tussen die vooral aan mij vertellen hoe het precies zit. Dat kan overigens best amusant zijn omdat daarbij soms de meest vreemde theorieën op tafel komen. Zoals de theorie dat sommige officieren alleen maar gevangenisstraf eisen omdat zij weten dat je in de bak van alles kunt leren en deze officieren zo hun eigen werkgelegenheid veilig stellen.

Maar cliënten willen ook uitleg over zaken die wat lastiger of zelfs niet uit te leggen zijn, zoals de veronderstelde onbevangenheid van de rechter in de dagelijkse praktijk.

Het mantra dat rechters uit hoofde van hun functie worden geacht onbevooroordeeld over de aan hen voorgelegde zaken te (kunnen) oordelen spreekt in zijn algemeenheid niet zo aan en dit mantra moet het zeker afleggen wanneer er feitelijkheden aan de orde zijn die in een andere richting wijzen. Cliënten komen nogal eens met argumenten om aan te tonen dat de rechter in hun zaak niet onpartijdig is en die argumenten zijn zeer uiteenlopend en met regelmaat gelukkig ook reden voor glimlach. Zo kan een rechter die in een interview vertelt dat hij vindt dat PVV’ers geen rechter kunnen zijn na enig creatief doorvertellen veranderd zijn in een lid (?) van de PVV, reden voor mijn cliënt om aan mij een wraking voor te stellen. Ook uit de manier waarop rechters kijken, vragen stellen of juist geen vragen stellen worden stevige conclusies over de (on)bevangenheid getrokken. De sekse is ook vaak een issue.

Maar niet alles is onzin.
In de jaren negentig kwam de rechtbank Amsterdam rechters te kort en men kwam toen op het onzalige idee om een extra strafkamer in te richten onder voorzitterschap van de voorzitter van de strafsectie van het Amsterdamse gerechtshof. Aan cliënten was niet uit te leggen dat in hoger beroep de raadsheren even goed de beslissing in eerste aanleg, afkomstig van hun “baas”, van tafel zouden kunnen vegen. Daar hielp bovengenoemd mantra ook niet. Gelukkig werd dit experiment snel beëindigd.

Meer recent, in 2009, speelde de artikel 12 Sv beschikking van het gerechtshof Amsterdam in de eerste Wilderszaak. Die beschikking bevatte dermate stevige taal dat ook daar de onbevangenheid van de latere strafrechter ter zitting aan de orde kon komen. Het hof gaf weliswaar aan dat de beschikking een voorlopig oordeel bevatte maar aan een aantal overwegingen zat weinig voorlopigs. Zo begon het hof met de vaststelling dat het eerst de vraag zal beantwoorden of de aan Wilders verweten gedragingen naar Nederlands recht strafrechtelijk verwijtbaar zijn. Het hof zag in de wetsgeschiedenis geen beletsel, integendeel zelfs, om te concluderen dat Wilders zich schuldig had gemaakt aan een vorm van haatzaaien die naar Nederlands recht strafbaar is. En, overwoog het hof, een beschouwing van de uitlatingen in onderling verband kan de strafbaarheid wegnemen maar ook versterken; dat laatste was bij de uitlating van Wilders het geval. Het hof besloot met de vaststelling dat de gewraakte uitlatingen van Wilders in principe konden worden aangemerkt als strafbare vormen van haatzaaien en groepsbelediging. Door sommigen werd de beschikking een concept-vonnis genoemd. Kon de lagere feitenrechter hier nog wel omheen? Ja, dat kon en iedereen kent de afloop, Wilders werd integraal vrijgesproken conform de eis en dus ook geen hoger beroep.

Zeer onlangs, op 23 maart 2017, beval het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden na een artikel 12 Sv klacht de vervolging van de moeder van een 9-jarig meisje dat een val had gemaakt van 9 hoog. De officier van justitie had geseponeerd omdat het wettig en overtuigend bewijs voor strafbare betrokkenheid van de moeder ontbrak, de advocaat-generaal volgde in de beklagzaak dit standpunt.

Klager, de vader van het slachtoffertje, is ervan overtuigd dat de moeder het meisje naar beneden heeft gegooid en had zelfstandig onderzoek laten doen. De onderzoekers lieten kinderen over een legger klimmen en zij deden een valreconstructie met een dummie. Resultaat was dat bij klimmen over de balustrade “een duidelijker dactyloscopisch spoor te verwachten was” en dat de eindpositie van het stoffelijk overschot het meest paste bij het over de reling werpen in horizontale positie.

Het hof merkt op dat het de noodzakelijkerwijs beperkte opzet van het onderzoek onderkent.
Uitgaande van 3 scenario’s,1. zelfmoord, 2. slaapwandelen en 3. levensdelict oordeelde het hof dat uit het dossier naast gooien geen andere redelijke verklaring voor de val naar voren lijkt te komen, zodat een levensdelict als het meest waarschijnlijke scenario wordt beschouwd. Ook stelt het hof en passant feiten vast in het nadeel van de beklaagde, deels zelfs op basis van getuigenverklaringen.

Het meest in het oog springend is het eindoordeel van het hof, inhoudend dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld en dat daarom het openbaar belang vergt dat beklaagde alsnog wordt vervolgd, nu het hier gaat om een ernstig misdrijf dat de rechtsorde heeft geschokt. De lagere feitenrechter, de officier van justitie en de verdediging mogen het met deze feitelijke vaststelling doen. De verdachte staat straks voor de meervoudige kamer met als redengeving dat het hier om een zeer ernstig misdrijf gaat dat de rechtsorde heeft geschokt. De feitenrechter wordt geacht die redengeving te negeren om vervolgens vast te stellen of het hier inderdaad om een zeer ernstig misdrijf gaat. Dat is bizar want dan moet hij ook nog vaststellen dat de rechtsorde niet was geschokt. Zou de overweging dat het hier om een ernstig misdrijf gaat met heel veel welwillendheid nog zo uitgelegd kunnen worden dat hier bedoeld wordt “qua beschuldiging”, de toevoeging van feitelijke aard dat de rechtsorde is geschokt sluit die uitleg uit. Bijzonder is dat wanneer de feitenrechter tot een vrijspraak komt dat ook betekent dat het hof een onjuiste beslissing heeft gegeven. Dat legt ten onrechte en overbodig een hypotheek op de zaak.

Het is invoelbaar wanneer de verdachte meent dat ze nu kansloos is. De advocaat mag nu uitleggen dat de lagere rechter uit hoofde van zijn functie wordt geacht onbevangen te zijn. Kijk maar naar Wilders 1. Maar lastig blijft het en dat zou niet nodig moeten zijn.

Peter Plasman
Strafpleiter