Passie en schuld

Als deze column verschijnt ligt de lijdenstijd met zijn Passies alweer achter ons. Niettemin vormen ze een mooie aanleiding om het eens te hebben over schuld (en boete) over onschuld en over niet schuldig.

Die termen komen, in verschillende context, regelmatig in de evangelieteksten, die aan de passies ten grondslag liggen, voor. Met name in de Mattheüs Passion.

Het begrip onschuld is gekoppeld aan de persoon van Jezus. Al in het openingskoor wordt verwezen naar het Lam Gods dat onze zonden op zich heeft genomen en in het aansluitende koraal heet het: O Lamm Gottes unschuldig am Stamm des Kreuzes geschlachtet. Jezus is niet “niet-schuldig”, hij is onschuldig; hij heeft niets kwaads gedaan. Zijn onschuld is, althans volgens het Mattheüs Evangelie objectief, zoals onschuld dat altijd is. Over schuld valt te twisten over onschuld niet. Onschuld is een eigenschap een persoonskenmerk

In het volgende koraal wordt dat nog eens onderstreept door de vraag:

“Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen.
Dass man ein solch scharf Urteil hat gesprochen
Was ist die Schuld, in was für Missetaten
Bist du geraten?”

Het is eenvoudig onvoorstelbaar voor de tekstdichter dat Jezus überhaupt iets slechts heeft gedaan. En even verderop wordt dat nog eens van de andere kant, de zondige mens belicht: “Ich bin’s, ich sollte büssen” en “Ich, ach Herr Jesu hab die verschuldet, was du erduldet”.

Nog weer veel later, in de tekst van Picander, komt ook Judas, die hem voor 30 zilverlingen heeft verraden, tot de conclusie : ”Ich habe übel getan, dass ich unschuldig Blut verraten habe”.

Onschuld is (dus) een objectieve categorie. Net zo min als een beetje zwanger, kun je een beetje onschuldig zijn. In het huidige recht is dat niet anders. De enige die met droge ogen kan verklaren dat hij onschuldig is, is de verdachte zelf. Alleen hij weet wat er gebeurd is. Dat is zeker bij levensdelicten het geval. Een raadsman kan dus strikt genomen nimmer verklaren dat zijn cliënt onschuldig is. Hij kan geloven dat zulks het geval is en dat geloof proberen over te brengen, maar zeker weten doet hij het niet. Natuurlijk is het geloof in Jezus en zijn onschuld evenzeer een opvatting die, volgens onze huidige normen, door mensen is “bedacht,” en dus voor alle discussie vatbaar, maar voor de evangelieschrijver was het een objectief gegeven.

Met niet schuldig is dat anders: dat is een subjectieve kwalificatie. Er moet eerst onderzoek plaatsvinden naar wat er gebeurd is en wanneer dat niet binnen de grenzen van de tenlastelegging (Anklage) valt en/of er onvoldoende bewijs is, dan kan er geen schuldigverklaring volgen en verklaart de rechter de verdachte niet schuldig en spreekt hem daarvan, van de te laste gelegde feiten, vrij. Dat betekent niet dat hij onschuldig is. Ook de rechter kan zich vergissen. Hij is ook maar een mens. Later kan vast komen te staan dat hij het wel degelijk heeft gedaan. En ook het omgekeerde komt uiteraard voor: iemand die wel schuldig is bevonden blijkt op verkeerde gronden te zijn veroordeeld en moet alsnog, niet schuldig worden verklaard.

Pilatus, die geroepen was om een oordeel te geven over de aanklacht die de hogepriesters tegen Jezus hadden bedacht, had het er ook moeilijk mee. Het proces tegen Jezus krijgt in de Johannes Passie aanzienlijk meer aandacht dan in de Mattheüs en daarom neem ik de tekst daarvan nu als voorbeeld.

In de Johannes Passion zegt Pilatus op een bepaald moment tegen de Joodse leiders, nadat hij aan Jezus een soort verhoor heeft afgenomen: ik vind geen schuld in hem, wilt U dat ik hem vrijlaat? Nee, dat willen ze niet. Sterker nog, het door de priesters opgestookte volk, schreeuwt dat hij “des Todes schuldig ist”, de schuldigverklaring en de straftoemeting in één moeite door. Pilatus komt dus tot het oordeel niet schuldig, de Joden denken er anders over.

Het “verhoor” dat Pilatus van Jezus afneemt is interessant. Als hij uit het gerechtsgebouw naar buiten komt is zijn eerste vraag: “wat is eigenlijk de aanklacht tegen deze mens?” Hoe ziet de tenlastelegging eruit. Daar hebben de hogepriesters niet op gerekend en ze geven een ontwijkend antwoord: “als hij geen kwaad had gedaan (übeltäter), hadden we hem heus niet aan U overgeleverd”. Daarop zegt Pilatus: “neem hem dan maar weer mee en berecht hem volgens jullie eigen wetten”. Dat willen de priesters niet want in die wetten is in de doodstraf niet voorzien.

Dan begint Pilatus maar met het verhoor van Jezus en vraagt hem of hij de koning der Joden is? Jezus vraagt hem of hij die vraag zelf bedacht heeft of dat ze hem die hebben ingefluisterd. Pilatus zegt: “ben ik soms een Jood? Je volk en de hogepriesters hebben je overgeleverd, wat heb je gedaan? Ben je werkelijk de koning der Joden?” Jezus antwoord dan, kort gezegd, dat zijn rijk niet van deze aarde is.

Pilatus: “en toch ben je een koning”. “Ja”, zegt Jezus, “wat je zegt, ik ben een koning. Ik ben geboren en in de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen. Iedereen die de waarheid liefheeft zou moeten luisteren naar wat ik te zeggen heb”. Pilatus daarop: “wat is waarheid?”

Toen hij dat gezegd had ging hij naar buiten naar de Joden en zei tegen hen: “ik vind geen schuld in hem”.

Pilatus probeert vervolgens Jezus te “redden” door de Joden te herinneren aan het feit dat er een soort gewoonte bestaat om in deze tijd van het jaar een gevangene los te laten en stelt voor dat dit deze keer Jezus zal zijn. Dat valt helemaal niet in goede aarde en massaal wordt geroepen dat Barabbas, een moordenaar, moet worden losgelaten. Daarna nam Pilatus Jezus tot zich en liet hem geselen. Zijn soldaten vlochten een kroon van doornen, trokken hem een purperen mantel aan en zeiden: “Wees gegroet, koning der Joden”.

Pilatus ging daarop weer naar buiten en sprak: “Ik leid hem voor jullie naar buiten opdat jullie weten dat ik geen schuld in hem vind; zie de mens”. Maar de hogepriester en zijn dienaren riepen: “Kruisig hem, kruisig hem”.

Pilatus stelt daarna opnieuw vast dat hij geen schuld bij Jezus kan ontdekken, maar de Joden roepen dat hij moet sterven omdat hij zich Gods’ zoon heeft genoemd. Pilatus schrikt daarvan en probeert weer met Jezus in gesprek te komen over de aard van zijn koninkrijk. Maar Jezus weigert te antwoorden. Daarop houdt Pilatus hem voor dat hij de macht heeft om hem te laten kruisigen en om hem los te laten. Maar Jezus antwoordt dat hij die macht van boven heeft ontvangen en dat degene die hem aan Pilatus heeft overgeleverd de grootste zonde begaat. Vanaf dat moment zocht Pilatus naar mogelijkheden om hem los te laten. Tevergeefs, want de Joden blijven roepen dat hij gekruisigd moet worden. Ten einde raad vraagt Pilatus of hij dan hun koning moet kruisigen, maar de hogepriesters roepen dat ze geen koning hebben behalve de keizer. Pilatus geeft dan op en levert hem aan hen over om gekruisigd te worden. Geen veroordelend vonnis dus, maar wel straf.

In de tekst van Mattheüs staat er iets anders. Daar wordt een enigszins angstige Pilatus ten tonele gevoerd die ziet dat hier niets te bereiken valt en de kans op rellen groter wordt, water neemt en zijn handen wast. Tegen het volk zegt hij dan: “ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige, kijk zelf maar”. Opnieuw onschuld als een soort karaktereigenschap.

Gelukkig heeft in onze samenleving de macht van de kerkelijke autoriteiten en de volkswoede aanzienlijk aan macht ingeboet en is het strafproces met alle mogelijke waarborgen omgeven. Wat echter is gebleven, is het verschil tussen onschuldig en niet schuldig. Een verdachte heeft het feit gepleegd of niet. Bij de meeste delicten is hij de enige die dat zeker weet. Er zijn uitzonderingen zoals delicten waarbij langs technische weg de waarheid kan worden vastgesteld, zoals bij dronken rijden waar de bloedproef de objectieve waarheid weergeeft.

Ook de rechter kent de waarheid niet, maar heeft tot taak er zo dicht mogelijk bij te komen met behulp van de middelen die in het strafprocesrecht zijn toegestaan. Dat de waarheid niet altijd is te vinden blijkt onder andere bij de zogenaamde rechterlijke dwalingen, waarbij achteraf, soms na jaren, een andere “waarheid” aan het licht komt. De rechter is dus geen waarheidsvinder maar een waarheidszoeker, ervan uitgaande dat er zoiets als de objectieve waarheid bestaat, hetgeen niet alleen door Jezus, maar ook in de filosofie wordt betwijfeld.

De rechter verklaart een verdachte ook nooit onschuldig maar moet altijd kiezen tussen schuldig of niet schuldig. In beide gevallen is er sprake van een afwegingsproces volgen de beste beginselen van het strafprocesrecht, dat de ene keer tot een schuldigverklaring, de andere keer tot een niet schuldig en daarmee tot een vrijspraak leidt

In de passies gaat het over onschuld en schuld. Die twee zijn echter niet elkaars tegenpolen. Onschuld is een gegeven; het is objectief; het kan niet aan iemand worden toegekend. Het is geen juridische, maar een ethische categorie.

Schuld is wel een juridische categorie. Iemand wordt, door een ander, als schuldig gekwalificeerd. Dat is en blijft een subjectieve aangelegenheid, hoezeer ook geprobeerd is en wordt, om dat proces met behulp van regels te objectiveren. Als die schuld, binnen de grenzen van dat proces niet kan wordt vastgesteld, volgt het oordeel: niet schuldig.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie