De pen en de inktpot: het motiveren van de voorlopige hechtenis

“Een goede en op de individuele zaak toegespitste motivering van de beslissing tot voorlopige hechtenis is niet alleen een wettelijk vereiste, maar ook een recht van de verdachte. De verdachte heeft recht op uitleg van de beslissing en als er verweer wordt gevoerd, waarom dat niet slaagt. Het fundamentele karakter van dit recht wordt onder meer onderstreept door de jurisprudentie van het EHRM.”

Deze wijsheid valt te lezen in een recente publicatie getiteld “Tekst en uitleg” van het te Utrecht gevestigde College voor de rechten van de mens. Uit het onderzoek blijkt evenwel dat rechterlijke beslissingen over de voorlopige hechtenis niet altijd zijn gemotiveerd langs deze lat, en dat zou volgens het College wel moeten.

Het rapport werd door de rechtspraak zelf meteen omarmd en zelfs op Ivoren Toga werd “motiveren, motiveren, motiveren” geroepen.

Verwacht u van mij niet dat ik beweer dat uitspraken over de voorlopige hechtenis altijd even goed of uitgebreid zijn gemotiveerd of dat het niet beter kan. Wel beweer ik dat er soms te gemakkelijk dingen worden geroepen of voor waar worden aangenomen.

Allereerst is er de mythe dat het er in Nederland op lijkt dat het uitgangspunt is ‘vasthouden, tenzij’. “Ons land springt er in Europa zeker niet uit met een hoog niveau van insluiting van verdachten.” Dat is de weinig spectaculaire maar statistisch onderbouwde conclusie van Bert Berghuis, Paul Linckens en Anneke Aanstoot in hun artikel van maart 2016 in Trema, waar ik verder naar verwijs.

Ten tweede is er de mythe dat het Nederlandse systeem van voorlopige hechtenis niet zou voldoen aan de maatstaven van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Wie de rechtspraak van dit hof volgt, weet dat het hof uiterst genuanceerd oordeelt en in zijn oordeel alle relevante aspecten van een zaak betrekt. Generaliseren van ’s hofs uitspraken is een hachelijke zaak. Zo kan een standaardmatig gemotiveerde beslissing bij een kortdurende detentie in de ogen van het hof wel acceptabel zijn en dezelfde motivering in een langer lopend geval niet. Ik verwijs verder naar het artikel van Rick Robroek “De motivering van de voorlopige hechtenis in Nederland en het EVRM” in Delikt en Delinkwent van januari 2017.

Ten derde de mythe dat (veel) motiveren altijd moet, goed en zinvol is en dat standaardmatige motiveringen dus suspect zijn. G.J. Wiarda zei in “Drie typen van rechtsvinding” dit: ‘Leiden de gezichtspunten die ten aanzien van de rechtsvraag moeten worden beantwoord, niet tot een dwingende conclusie – en niemand zal ontkennen dat zij dit in veel gevallen niet doen – dan berust de uiteindelijke keuze van het doorslaggevende argument op een gedachtensprong die objectief en rationeel niet verder kan worden verantwoord. Het gaat er om die sprong niet groter te maken dan onontkoombaar is.’ Dat je het met de redenering van de rechter oneens kunt zijn of zelfs op goede gronden een andere uitkomst zou kunnen bepleiten, zoals bij de beslissingen over de voorlopige hechtenis ook kan voorkomen, betekent dus nog niet dat de beslissing van de rechter niet juist is of de motivering te kort door de bocht. De beslissing komt uit des rechters hoofd en niet uit de pen of de inktpot.

Ook de wetgever erkent dat aan motiveren grenzen zitten. Zo is de keuze van bewijsmiddelen in beginsel aan de rechter en ook aan de motivering van de strafmaatbepaling zijn grenzen.

De voorlopige hechtenis is gebaseerd op een voorlopige inschatting van iemands vermoedelijke schuld. Het is van belang om te weten waarvan je wordt verdacht en op welke gronden je wordt vastgehouden. Het gaat technisch gezien om eenvoudige beschikkingen die zich in zijn algemeenheid lenen voor standaardmatige vastlegging. Sterker nog, standaardmatige motivering voorkomt fouten en omissies.

Zoals de Hoge Raad zelfs toestaat bij de berechting van strafzaken ter openbare zitting: op juridisch kansloze of niet naar de juridische maat geformuleerde verweren (iets wat op zitting nog steeds regelmatig gebeurt, zoals het tegen de geldende jurisprudentie in bepleiten van de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie na bepaalde vormfouten of het verzuimen van het formuleren van een belang waarin een verdachte is getroffen of na overschrijding van de redelijke termijn voor vervolging en berechting), hoeft de rechter niet uitgebreid te motiveren.

Dit geldt in versterkte mate voor de voorlopige hechtenis. Veel voorlopig gedetineerden zijn bijvoorbeeld recidivisten en recidive is een krachtige voorspeller van nog meer recidive. De constatering volstaat en uitgebreid motiveren heeft hier meestal geen toegevoegde waarde.

Ook hebben sommige advocaten in de fase van voorlopige hechtenis al de neiging de bewijsmiddelen te fileren alsof het om de inhoudelijke behandeling gaat. Bijvoorbeeld of een getuigenverklaring wel voldoende consistent is of dat één getuige geen getuige is. Dat mogen ze proberen, maar in de fase van de voorlopige hechtenis is van belang of er ernstige bezwaren zijn. Normaliter zijn de feiten die ernstige bezwaren opleveren (er zijn bijvoorbeeld twee getuigen die verdachte hebben herkend of er is een vingerafdruk of dna-spoor gevonden) door het openbaar ministerie bij de (niet openbare) behandeling opgesomd en zijn deze de verdachte dus bekend. Het herhalen daarvan in de rechterlijke beschikking en dan de conclusie trekken dat dit ernstige bezwaren oplevert, is een herhaling van zetten en voegt niet veel toe. De voorlopig bekende feiten spreken voor zich en de rechter mag zich in die fase niet een al te vergaand oordeel aanmeten. Je kunt hoogstens zeggen dat de rechter het openbaar ministerie voorlopig gelijk geeft en dat is voor dat moment meestal ook voldoende, uitzonderingen daargelaten. En als er naarmate de tijd verstrijkt nog steeds maar één getuige is, wordt het natuurlijk een ander verhaal.

Daarnaast is er een niet onbelangrijk economisch aspect. Des rechters tijd is schaars en moet zo goed mogelijk worden ingezet. Ook dat is een breed in het recht erkend beginsel. Zo geeft artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie de Hoge Raad de mogelijkheid om kansloze cassatieberoepen zonder bijzondere motivering af te doen: “Indien de Hoge Raad toepassing geeft aan het eerste lid, kan hij zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel.” Met deze door de strafkamer vaak toegepaste bepaling heeft de Hoge Raad de handen vrij om aandacht te besteden aan zaken die ‘ertoe doen’.

Bij nader inzien blijkt het citaat van het College voor de rechten van de mens waarmee ik deze bijdrage begon anders dan men beweert, niet zonder meer het positieve recht te representeren. En het is ook een beetje wijsheid uit de inktpot.

Peter Lemaire
Rechter op Aruba