Recht schokkende bevindingen

We vreesden en wisten het natuurlijk eigenlijk allang, maar nu is het ook “officieel”: beslissingen tot het opleggen van voorlopige hechtenis worden onvoldoende gemotiveerd. Op basis van een studie van 300 dossiers (50 bij ieder van vier rechtbanken en 50 bij ieder van twee gerechtshoven, verspreid over het land) concludeert het College voor de rechten van de mens in een rapport van maart 2017 (Tekst en uitleg) dat het in onze rechtspraak schort aan de wijze waarop de motivering van de voorlopige hechtenis er in de praktijk uitziet, en aan de verhouding tussen die praktijk en de relevante mensenrechten. Het College doet in zijn rapport een aantal aanbevelingen waarmee hierin verbetering kan worden gebracht.

Voor beslissingen over voorlopige hechtenis hebben rechters maar weinig tijd. Het beeld is bekend. Rechters-commissaris moeten na een diagonale bestudering van een kakelvers dossier in korte tijd bepalen of een verdachte nog tien dagen moet zitten. Raadkamers gevangenhouding worden, na al in hoog tempo een zittingsuittreksel uit het dossier te hebben gemaakt, kort voor hun zitting door dikke aanvullende ordners overrompeld, waarmee officieren van justitie proberen elke mogelijk gerezen twijfel weg te nemen. In een hectische middagzitting moet dan in soms wel twintig lang niet altijd even simpele zaken over nog eens 90 dagen voorarrest worden beslist. Veel ruimte is daarvoor niet, want verdachten dreigen makkelijk uit hun termijn te lopen, zoals het altijd zo beeldend wordt uitgedrukt.
Het is dan ook niet onlogisch dat voor het maken van beslissingen over voorlopige hechtenis voorgedrukte formulieren met aankruishokjes worden gebruikt. Waar het verder, gezien de lay-out en de technische voorzieningen, lastig en tijdrovend is aan de standaardteksten nog specifieke overwegingen toe te voegen, valt te snappen dat dat nogal eens achterwege blijft, ook waar het wel zou moeten. Maar het is natuurlijk niet goed (te praten)! Het College komt ook voor het overige met een paar nogal schokkende constateringen.

Zo lijkt de voorlopige hechtenis geregeld nog steeds een automatisme en vrijlating de uitzondering, in plaats van omgekeerd. Als je je beslissing een verdachte “toch maar” vast te houden wilt motiveren, zoek je makkelijk je toevlucht in standaardformules. Dit geldt helemaal, als die met veel gebruik van “en/of” e.d. alle kanten op kunnen. Maar dat is wel met de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in strijd. Of je leunt in raadkamer op de beslissing van de rechter-commissaris, want die zal de zaak wel goed kennen. Het is eigenlijk nog erger: bij drie van de vier rechtbanken onderbouwt de raadkamer gevangenhouding haar beslissing door naar de motivering van de rechter-commissaris te verwijzen. Waar blijft dan het principe dat voor de (motivering van de) voorlopige hechtenis zwaardere eisen gelden, naarmate het voorarrest langer duurt?
Enigszins sarcastisch constateert het College dat het gebruik van standaardtekstblokken nog altijd beter is dan geen motivering. Maar als het om de ernstige bezwaren gaat, heb je niets aan standaardteksten. Je zult ze van zaak tot zaak moeten opschrijven. Sterker nog, ook hier stelt het EHRM strenge eisen. Een van de redenen waarom rc en raadkamer gevangenhouding daarmee terughoudend zijn, is dat ze de zittingsrechter niet voor de voeten willen lopen. Deze angst zou er niet hoeven te zijn: bezwaren en bewijs zijn niet hetzelfde en met het groeien van het dossier kunnen nieuwe feiten en omstandigheden op de eerdere constateringen een heel ander licht werpen.

Legt het College ten aanzien van alle elementen van de voorlopige hechtenis de vinger op wonde plekken, een van de meer heikele punten is de geschokte rechtsorde. Zoals bekend, is die grond alleen relevant bij de verdenking van delicten waarop 12 jaar gevangenisstraf of meer kan worden opgelegd. Het is echter wel een zelfstandig onderdeel van die gecombineerde grond. Zo is het enkele feit dat het om een twaalfjaarsdelict gaat, niet voldoende voor de vaststelling dat dan ook de rechtsorde is geschokt. Bovendien gaat het niet om de vraag of het delict zoals dat is gepleegd, de rechtsorde ernstig (heeft ge)schokt, maar of de vrijlating of de vrijheid van de verdachte dat effect zou hebben. Ook deze grond ontwikkelt zich dus, naarmate de tijd verloopt. Het College zelf is daarover in zijn rapport niet altijd even helder. Duidelijker is het in zijn constatering dat bij de formulering van de recidivegrond vaak niet wordt gespecificeerd welke eerdere veroordelingen om welke reden voor het voorarrest in het kader van het onderhavige delict relevant zijn.

Zullen de aanbevelingen helpen? Eigenlijk stellen ze vast hoe het so wie so zou moeten zijn: motiveren, motiveren, motiveren, en dat dan op elk niveau opnieuw aan de hand van de dan geldende omstandigheden. Verder moeten rechters zich beter bewust worden van het uitgangspunt dat vrijheid regel en vasthouden uitzondering is. Dat betekent ook dat volgens het College moet worden gekeken naar de vraag of minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn. Kortom, alle reden voor elk gerecht – niet alleen de onderzochte – het rapport goed te bestuderen en er zijn voordeel mee te doen.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam