Anders maar wel rechtmatig en rechtvaardig

In de drie vorige columns heb ik de gevolgen besproken van de nieuwe benadering voor drie van de vier kwaliteitsaspecten die bij iedere strafrechtelijke interventie een rol moeten spelen: de zekerheid, de strengheid en de snelheid. Het wordt nu hoog tijd om na te gaan wat de gevolgen zijn voor het vierde en belangrijke criterium, de rechtmatigheid en de rechtvaardigheid. Wat betekent de accentverschuiving van de verdachte naar slachtoffer en samenleving voor het streven naar kwaliteit volgens dit criterium?

Op het eerste gezicht zou men kunnen menen dat met rechtmatigheid als kwaliteitsaspect niet valt te “sjoemelen” en dat er dus ook niets kan/mag veranderen. Bij nader inzien blijkt dat uitgangspunt, naar mijn mening, onjuist. Immers niet vergeten mag worden dat de rechtmatigheid tot nu toe vrijwel volledig is ingevuld vanuit het perspectief van de verdachte en nu de scope is verschoven, moet ook de rechtmatigheid worden geherdefinieerd. De rechtmatigheid moet als het ware worden herverdeeld over alle belanghebbenden bij de strafrechtelijke interventie. Niet alleen de verdachte, maar ook het slachtoffer en zijn omgeving moeten aan hun trekken komen. Dat betekent eerst en vooral dat de vraag moet worden beantwoord, wat rechtmatigheid voor het slachtoffer en de zijnen zou kunnen/moeten betekenen. Die vraag is veel fundamenteler dan de benadering die tot nu toe bij de verbetering van de positie van het slachtoffer is gevolgd. Het gaat er niet alleen om het slachtoffer op de zitting een stem te geven. Juist in de eerdere fasen van de keten moet worden bezien hoe op rechtmatige en rechtvaardige wijze rekening moet worden gehouden met de belangen van het slachtoffer. Dat begint al met het proces van aangifte.

Op twee manieren is de huidige gang van zaken een beklagenswaardige farce van wat een aangever zou moeten overkomen als hij de politie benadert om aangifte te doen. Nog even de situatie. Er is iemand die door een ander onrecht is aangedaan en die dat onrecht wil rapporteren aan de instantie, de maatschappelijke organisatie die ambieert de veiligheid in de samenleving in stand te houden. Om te beginnen kan hij dan zelden direct terecht om die aangifte te doen: het bureau is gesloten of er is geen deskundige medewerker aanwezig. In de meeste gevallen wordt hij verzocht een afspraak te maken en de volgende dag, of later, terug te komen. Ook loopt hij de kans te worden gewezen op de mogelijkheid om via internet aangifte te doen. In beide gevallen wordt naar mijn mening onrecht gedaan aan de behoefte van een slachtoffer om onmiddellijk in contact te komen met de gepretendeerde handhavers van de veiligheid. Die houding wekt bepaald niet de indruk dat de politie blij is dat er weer een aangifte binnenkomt. Integendeel, de indruk wordt gewekt dat de ervaring van het slachtoffer geen hoge prioriteit heeft en dat is, meen ik, zonder meer dom en slecht.

Natuurlijk zijn er aangevers die proberen een ander erbij te lappen. Bij huiselijk geweld is er het verhaal dat wie het eerst bij de politie is, als slachtoffer wordt aangemerkt en wie later komt (dus) de dader is. Maar juist om dit soort verhalen te voorkomen moet er altijd voldoende gekwalificeerde politiecapaciteit aanwezig zijn, om, heet van de naald, maar met kritische zin, een aangifte op te nemen. Een aangifte moet worden behandeld zoals (idealiter) een klacht wordt behandeld, namelijk als een gratis advies over de toestand van de (on)veiligheid ter plaatse.

Van een dergelijke attitude is geen begin van uitvoering te zien. Niet alleen is de onmiddellijkheid ver te zoeken, als de betrokkene dan eenmaal aan het woord kan komen, wordt hij veelal geconfronteerd met de beruchte agent die met één vinger typend het verhaal opneemt en allerlei voor het slachtoffer irrelevante vragen stelt. Van een klantgerichte benadering valt, behalve bij zeer ernstige feiten, doorgaans weinig te bespeuren. Ik heb daar al eerder over geschreven.

Minstens even merkwaardig is het dat de politie de aangiftebereidheid van het slachtoffer stelselmatig negeert als criterium voor goed presteren. Die bereidheid neemt al jaren af, niet alleen vanwege de confrontatie met de bovengenoemde “processen”, maar ook omdat veel slachtoffers weinig hoop hebben dat hun aangifte tot iets zal leiden. Daar moet, vanuit de optiek van rechtvaardigheid, de juiste en rechtmatige behandeling van het slachtoffer dus dringend het nodige veranderen. Dat sommige politiechefs, tegen deze achtergrond een daling van het aantal aangiftes durven te beschouwen als een index voor goed presteren van hun korps, is helemaal een gotspe.

Ik hoor de reacties al weer komen. We zijn druk bezig het aangifteproces te verbeteren, we zien heus wel oog voor de belangen van het slachtoffer etc. Maar dat is niet genoeg. De relatie met het slachtoffer moet niet worden verbeterd, maar opnieuw worden uitgevonden, opnieuw worden gedefinieerd. Er moet, deftig gezegd, een nieuw paradigma worden ontwikkeld. Dat zou er toe moeten leiden dat de politie veel actiever wordt bij het informeren van het slachtoffer over de stand van zaken van het onderzoek. Niet vanuit een zure, van boven opgelegde plicht, maar vanuit een geïnternaliseerd gevoel dat het slachtoffer een belangrijke partner is bij het streven naar meer veiligheid.

Een slachtoffer, ook van een veelvoorkomend of relatief gering misdrijf, heeft er recht op geïnformeerd te worden en te blijven over het vervolg van de zaak. Zodra de politie op goede gronden tot de conclusie komt dat (verder) onderzoek niet zinvol of mogelijk is dient de aangever hiervan op de hoogte te worden gesteld. Als dat direct bij het doen van de aangifte al duidelijk is, verdient het aanbeveling daar ook de nodige relevante achtergrond informatie te leveren en het niet te laten bij de mededeling: nee, meneer, mevrouw, aan dit soort zaken doen wij niets. Waarom niet?

Omdat het, neem bijvoorbeeld zakkenrollerij, bijna niet mogelijk is de dader te vinden; omdat de kosten van het onderzoek niet opwegen tegen de verwachte baten; of omdat een onderzoek, om wat voor reden dan ook, onmogelijk en dus zinloos is, bijvoorbeeld bij een zogenaamde één op één verklaring. Leg dat allemaal zo vroeg en zo goed mogelijk aan het slachtoffer uit. Daar heeft hij/zij recht op.

Als er wel een onderzoek is gestart heeft betrokkene recht om op het verloop daarvan op de hoogte te worden gehouden. Uiteraard is daarbij het belangrijkste dat hij zo snel mogelijk verneemt of er al dan niet een dader is gevonden. Als dat niet zo is verdient het aanbeveling om uit te leggen wat de politie allemaal heeft gedaan en waarom dat geen resultaat heeft opgeleverd. Als het wel zo is moet het slachtoffer weten wanneer de zaak wordt doorgezonden naar het OM en gaat de informatieplicht over op dat onderdeel van de keten. Het klinkt allemaal vreselijk logisch en redelijk maar het is niettemin een utopisch verhaal omdat de aandacht voor de verdachte prevaleert en deze gang van zaken niet past in het bestaande format, om het eens in mediatermen te zeggen. En overigens: waarom zou, ook binnen dat format, de verdachte beter geïnformeerd moeten zijn, dan het slachtoffer. Nogmaals het gewicht van de rechtmatigheid moet worden herverdeeld.

Gaat dat helemaal niet ten koste van de formele rechtvaardigheid die in het Wetboek van Strafvordering is vastgelegd? In principe niet en indien toch dan op andere gronden dan de positie van het slachtoffer. Als er voor de dader weinig op het spel staat bijvoorbeeld als er geen vrijheidsstraf aan de orde is, waarom dan al die bescherming?

Uiteraard kan er geen sprake van zijn dat fundamentele rechten ter discussie worden gesteld. Het recht om niet te hoeven meewerken aan de eigen veroordeling blijft natuurlijk intact, evenals het daarmee verbonden zwijgrecht. Etc. etc.

Andere rechten van die verdachte echter, kunnen door de verschuiving van het perspectief wel ter discussie komen. We hebben bijvoorbeeld gezien dat de snelheid van afhandeling, in de nieuwe context veel belangrijker wordt dan vroeger. Er moet dus kritisch worden bezien of er geen rechten zijn die door de verdachte (kunnen) worden misbruikt, om de afdoening van de zaak nodeloos te rekken. Bij die rechten geldt nu veelal het principe “in dubio pro reo” maar met het slachtoffer in een veel meer centrale rol is het de vraag of dat zo moet blijven. Als bijvoorbeeld de verdachte zelf of zijn raadsman zegt verhinderd te zijn, wordt daar thans veelal, zonder het belang van het slachtoffer in de afweging te betrekken, aangehouden. Dat zal moeten veranderen. In de nieuwe optiek hebben het slachtoffer (en de samenleving) “recht” op een zo spoedig mogelijke afdoening en dat recht moet worden afgewogen tegen het belang van de verdachte. Dat geldt ook voor andere beslissingen, zoals het verzoek om rapportage. Eerder zei ik al dat het aantal rapporten in de nieuwe situatie danig zal afnemen omdat de vraag hoe de verdachte tot zijn daad is gekomen, veel minder relevant wordt. Als rapportage desondanks aan de orde is, zal ook hier het belang van het slachtoffer bij een snelle afdoening moeten worden meegenomen.

Overigens is het de vraag of hiervoor daadwerkelijk nieuwe afwegingskaders dienen te worden gecreëerd. Ik wijs op de rechtspraak van de Hoge Raad die ten aanzien van bijvoorbeeld aanhoudingsverzoeken en reacties op vormverzuimen nadrukkelijk de strafrechter opdraagt ook het belang van het slachtoffer en in breder opzicht de samenleving te betrekken. Als rechters ook meer conform die rechtspraak gaan handelen, ontstaat een veel evenwichtiger strafproces waarbij de “belangen” van alle betrokkenen expliciet onder ogen worden gezien. En laten we wel wezen: wat is het nut, de rechtvaardiging van al die strafprocessuele complicaties, tegen de achtergrond van het huidige strafniveau, waarbij de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf slechts bij uitzondering wordt opgelegd en de langere variant van deze sanctie een zeldzaamheid dreigt te worden.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie