Sneller straffen

In een strafrecht dat normbevestiging en normherstel als doel heeft, moet niet alleen het aantal interventies omhoog en moet er anders worden gestraft; er moet ook sneller worden gereageerd op normschendingen. Slachtoffers en samenleving hebben recht op een zo prompt mogelijke reactie en daders moeten voelen dat de strafrechtelijke overheid in staat is om snel te handelen na het plegen van een misdrijf. En: “justice delayed is justice denied”. Vrij vertaald: trage rechtspraak is geen (goede) rechtspraak. Uit onderzoek bij dieren is gebleken dat alleen een onmiddellijke reactie op ongewenst gedrag effect heeft in de richting van gewenst gedrag. De mens beschikt gelukkig over een wat langer geheugen en kan verbaal worden geholpen om zich zijn wandaad te kunnen herinneren maar bij de behandeling in appel komt het toch regelmatig voor dat de verdachte zich het feit niet meer voor de geest kan halen. En ook hier geldt dus: hoe sneller hoe beter.

Bij de huidige afdoening van strafzaken echter wordt snelheid van behandeling niet of nauwelijks gezien als een belangrijk kwaliteitscriterium voor goede rechtspraak. De politie wil nog wel eens haast hebben en het OM heeft altijd de nodige initiatieven ontplooid om zaken sneller af te doen, recentelijk nog met het project ZSM, en zelfs de verdachte heeft haast als hij in voorlopige hechtenis zit, maar bij de rechtspraak zelf leeft het onderwerp niet of nauwelijks. Natuurlijk, er wordt lippendienst bewezen aan het belang van voortvarendheid, zoals het recent door Robroek in zijn Groningse dissertatie “De macht over het strafproces” werd genoemd.

In zijn Jaarplan van 2014 bijvoorbeeld, kondigde de Raad voor de Rechtspraak een ambitieus programma aan, waarin de doorlooptijden van strafzaken vanaf 2018 met 40% zouden moeten zijn gereduceerd. Voor de PR zaken zou dat betekenen dat in dat jaar de gemiddelde doorlooptijd rond de 5 maanden zou moeten zijn. In 2014 was die namelijk zo’n 8 maanden. Sindsdien is die tijd alleen maar toegenomen, tot ruim 9 maanden in 2015.

De vraag die zich krachtig opdringt bij het constateren van de kloof tussen de ongetwijfeld goede bedoelingen en het feitelijke resultaat is natuurlijk hoe de wet van de traagheid binnen de rechtspraak werkt. Ik denk via een drietal mechanismen.

Het eerste wordt beschreven door Robroek in zijn zojuist genoemde proefschrift. Degenen die zich hebben verbonden aan ambities van de Raad voor de Rechtspraak, de bestuurders van de rechtbanken, beschikken over onvoldoende middelen om die ambities ook door te zetten. Besturen en rechtspreken behoren twee gescheiden werelden te zijn zonder wederzijdse beïnvloeding. In het bijzonder het bestuur behoort niet te treden in de werkzaamheden van de strafrechter. Organisatiebelangen (sic!) zoals de snelheid van afdoening behoren wel een rol te spelen in het strafproces, maar slechts voor zover de strafrechter dat wenselijk acht. Wie meer over deze bottleneck wil weten, raadplege deze interessante dissertatie.

Het tweede mechanisme heeft te maken met het gebrek aan kennis van de genoemde bestuurders van de precieze inhoud van de processen die ze moeten besturen. Let wel: de processen, niet de procedures. De traagheid bij de afdoening van zaken wordt namelijk in belangrijke mate veroorzaakt door de manier waarop het werk, de behandeling van een zaak is georganiseerd. Soms noodgedwongen, door wettelijke bepalingen, soms uit overwegingen van prima vista logica, soms om tegemoet te komen aan de wensen van het personeel.

Een belangrijk aspect in dit verband is de strikte volgorde waarmee bepaalde activiteiten door bepaalde functionarissen moeten worden verricht. Omdat geen van de betrokkenen verondersteld wordt te zitten “niksen” ontstaan bij ieder – in managementtermen – werkstation, wachtrijen en bij het principe first in first out, komt een nieuwe zaak dus onder op te stapel. Hoe meer werkstations, hoe meer wachttijd derhalve. Door dit uitgangspunt kan de wachttijd wel oplopen tot 80% van de totale behandeltijd. De overige 20% bestaat uit transporttijd (denk aan het vermaledijde scannen) en behandeltijd.

Het heeft dus niet zoveel zin en zeker geen effect om ambitieuze plannen te maken over de reductie van behandeltermijnen als men deze mechanismen niet (onder)kent en in staat en bereid is om ze te veranderen. Duidelijk wordt tegen deze achtergrond ook dat het weinig zin heeft om (pas) op de zitting haast te maken, want te behandeltijd ter zitting is slechts een fractie van de totale doorlooptijd.

Tegen de geschetste achtergrond spreekt het voor zich, dat iedere geval waarin een zaak naar “buiten” moet, bijvoorbeeld voor een reclasseringsrapport of een ander soort rapportage, in principe de doorlooptijd verlengt. Immers ook in die organisaties speelt het genoemde mechanisme een rol en ontstaan derhalve wachttijden. En als die niet parallel lopen met die in de eigen organisatie, vertragen die het totale proces van afhandeling. Dat gelijk oplopen zal zich nauwelijks voordoen omdat vervolgstappen in het behandelproces, meestal zullen afhangen van de uitkomst van de gevraagde rapportage.

Het derde mechanisme vloeit voort uit de eerder genoemde constatering van Robroek, dat organisatiebelangen weliswaar een rol mogen spelen in het strafproces, maar alleen voor zover de strafrechter dat wenselijk acht. Het voert te ver om in het algemeen te zeggen dat strafrechters die belangen geheel negeren, maar ik durf wel te zeggen dat de meesten er erg weinig oog voor hebben. Die attitude wordt krachtig gestimuleerd door de centrale positie van de verdachte in het huidige strafproces, een positie die ik zoals gezegd beëindigd zou willen zien.

Het streven naar zogenaamd maatwerk voor de verdachte leidt op zich al niet tot grote aandacht voor een spoedige afhandeling (alleen het beste is goed genoeg voor jou). Die aandacht wordt verder verzwakt door de tendens om zoveel mogelijk te weten over verdachte’s motieven en zijn mogelijkheden voor resocialisatie. Dat stimuleert het aantal verzoeken om rapportage aan de reclassering c.s. Als gevolg daarvan neemt de totale doorlooptijd toe. Als het gevraagde rapport niet op tijd beschikbaar komt, is verder uitstel, door aanhouding van de zaak, dikwijls het gevolg.

In mijn opvatting worden veel van die rapporten overbodig. Immers de verdachte is daar niet langer het subject van de strafrechtstoepassing, maar het object ervan. Hij moet boete doen voor zijn daad en de straf die daarbij hoort, wordt niet bepaald door zijn motieven of resocialisatie vooruitzichten, maar door de vraag wat er nodig is om de geschonden norm te herstellen en levend te houden en hoe het slachtoffer kan worden tegemoet gekomen. Waarop, op welk type sanctie, heeft een slachtoffer recht als er bij hem is ingebroken en hoe hoog of lang moet die straf dan zijn? Voor de beantwoording van die vraag, is onderzoek naar de persoon van de verdachte, uitzonderingen daargelaten, niet nodig. En dat zal, naar mijn stellige overtuiging een zeer gunstige uitwerking hebben op de afdoeningstermijnen.

Die kunnen verder worden bekort als OM het eens zou kunnen worden over de standaardstraf die voor de verschillende soorten misdrijven zou moeten worden opgelegd om de zojuist genoemde doelstellingen te realiseren en over de factoren die relevant zijn om, zo nodig, van die standaard af te wijken. Dat betekent in mijn ogen de herinvoering van een soort BOS Polaris Systeem om de ernst van het feit en de straf die daarbij hoort zo objectief mogelijk te kunnen bepalen.

Uitgangspunt moet echter de standaardsanctie zijn die, laten we zeggen op een autodiefstal of een woninginbraak is gesteld met inachtneming van de diverse factoren die de ernst van het concrete feit bepalen. Afwijkingen daarvan moeten uiteraard, ter verklaring aan dader zowel als slachtoffer, degelijk worden gemotiveerd. Wat standaard is valt niet te motiveren.

Rechters zouden uiteraard langs soortgelijke lijnen moeten opereren. Laat niemand mij vertellen dat dit nu ook al gebeurt met de zogenaamde uitgangspunten. Die mogen er zijn, maar worden vervolgens gemodificeerd op grond van allerlei overwegingen de persoon van de dader betreffende en dat is nu net wat naar mijn mening moet ophouden. Het gaat immers niet (primair) meer om de dader.

Ik merk in gesprekken over de nieuwe benadering hoe moeilijk het is om anderen als het ware los te weken van het “oude denken”. Het lijkt wel alsof het in onze genen is verankerd, alsof we ermee doordrenkt zijn. Steeds opnieuw komt de dader als een soort duveltje uit een doosje weer opduiken. Maar aan de neiging om zich met hem in te laten moet, behalve in uitzonderingsgevallen, niettemin weerstand worden geboden.

En voorts….als OM en rechter zich primair op het slachtoffer en de samenleving gaan oriënteren bij de vormgeving van de strafrechtelijke interventie, en dus doende betekenisvolle interventies gaan plegen, neemt de behoefte om snel te reageren vanzelf verder toe.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie