Vergelden is zo gek nog niet

Vanaf de Verlichting tot op heden wordt voluit beleden dat de mens verbeterbaar is en dat we zijn misdragingen niet moeten vergelden omdat vergelding uit de tijd is. Wij zouden moreel hoogstaande wezens zijn die de misdrager beter kunnen verheffen door hem te helpen zodat hij zich niet opnieuw misdraagt. De werkelijkheid wijst anders uit. We vergelden kwaad met kwaad, maar zo verkeerd is dat niet als we de straf en de strafdoelen anders definiëren. We vergelden naar de mate van schuld en de vrijheidsstraf is een goede straf waarbij de veroordeelde zichzelf moet herpakken in een gestructureerd leef- en werkverband.

De nare smaak die vergelden bij velen oproept, ontspruit aan het gevoel dat we met vergeldend straffen barbaars bezig zijn. De keuze voor de misdaad hangt vaak samen met een beroerde jeugd, met verkeerde vrienden en zo verder. Als die criminogene omgeving maar veranderd wordt en de misdoeners gedragsalternatieven worden aangereikt, dan zal de terugval in nieuwe misdaden verminderen. Vele verlaters van de gevangenis vallen terug in strafbaar gedrag, ziedaar het bewijs dat vergelden en gevangenis verkeerde partners zijn. Voort maar weer op zoek naar een alternatief voor de gevangenisstraf.

Over de vergelding wordt veel onzin geschreven. Bij het afscheid van Knigge als hoogleraar strafrecht in Groningen schreef ik in een feestbundel voor hem (zie “De vergelding van Knigge”, in het bijzonder Beelden ten geleide) dat Knigge het met zijn oratie over de positieve betekenis van de vergelding goed zag. Vergelden is ingebakken in het menselijk gedrag. In het oud-testamentische recht vormde de uitdrukking “Oog om oog en tand om tand” geen archaïsche wraakneming maar een matigingsvoorschrift. Wie een tand was uitgeslagen mocht de dader niet meer dan een tand ontnemen. Dit voorschrift leeft nog steeds voort in ons strafrechtelijke uitgangspunt dat gestraft wordt naar de mate van schuld. De boete voor de schuld moet recht doen aan de ernst van het misdrijf en aan de persoon van de verdachte.

Luiden de hoge recidivecijfers het failliet in van de gevangenis en van het geldende vergeldingsbegrip? Dat vond ik in 2002 niet (zie “Schuld, boete en een ruim vergeldingsbegrip. Over reële kansen en kansloze verwachtingen van de straf”) en dat vind ik nu nog niet. Een van de teleurstellingen in het strafrecht van de laatste eeuw komt voort uit de niet ingeloste euforie over de werking van de vele verbeterprogramma’s die met name de reclassering het licht heeft doen zien. Deze hoop is voor een belangrijk deel te verklaren uit de vermeende zegeningen van de gedragswetenschappen. Een ruim vergeldingsbegrip lost deze teleurstellingen op. Indien strafrecht geassocieerd wordt met moraal, dan levert een misdrijf en de bijbehorende veroordeling een morele schuld van de misdadiger jegens de samenleving op die de veroordeelde echter zelf moet inlossen.

Als de vergelding het wezen van de straf is, komt het er op aan of het effect van de gevangenisstraf de veroordeelde bevrijdt van zijn morele schuld. Een zinvol ingevulde vrijheidsbenemende straf bewerkstelligt een zogeheten lijdensdruk waardoor het moreel appèl aan en het innerlijk appèl van de gestrafte burger bijdraagt aan die inlossing van de schuld. Maar als de praktijk anders is en de veroordeelde zich binnen en later weer buiten de gevangenismuren misdraagt?
Mijn stelling is dat ook als het strafdoel van de vergelding niet leidt tot minder misdrijven, het strafrecht en het vergeldingsbegrip daarom nog niet failliet zijn.
In de eerste plaats is de mensheid voortdurend onderweg naar uiteenlopende doelen. Spitser gezegd, dat onderweg zijn bij veel activiteiten als liefhebben, geloven en dus ook bij het straffen, is het intrinsieke doel en niet de mate waarin dat doel in finale zin bereikt wordt. Ook als we ons (straf)doel niet bereiken is het doel nog niet onzinnig geworden en onze inspanningen zonder waarde. De straf is het doel en niet telt of de straf een apart doel bereikt.
De norm voor effectiviteit van vergelding hangt daarmee in de tweede plaats in sterke mate af van het gekozen perspectief. Het straffen als zodanig is reeds effectief vanwege de intrinsieke vergelding die aan straffen kleeft en die eigen is aan elk menselijk samenleven en overtreding van de gestelde normen.
Het intrinsieke doel als onvervuld verlangen naar een veiliger samenleving maakt tenslotte dat de vergelding op rationele wijze in verband kan worden gebracht met allerhande wenselijke en nastrevenswaardige zaken als verzoening en een menselijke bejegening van gedetineerden, genoegdoening van het slachtoffer. Dit ruime vergeldingsbegrip omvat al deze doelen en staat er niet tegenover, zoals soms te oppervlakkig wordt beweerd. Maar in de herhaling: als bijvoorbeeld de beoogde verzoening niet wordt bereikt is de straf toch geslaagd vanwege de vergelding die reeds bij de oplegging en de executie van de straf is gegeven en vervuld.

Waarheen leiden deze bespiegelingen? Naar een positief vergeldingsbegrip en naar een pleidooi voor de vrijheidsstraf, waarbij de veroordeelde in de gevangenis zal moeten waarmaken of hij zijn schuld uitboet door zijn gedrag te veranderen. Daarbij is minder van belang of er een kaal regiem van de vrijheidsstraf is of niet en of de inrichting in particulier beheer is of niet. We zouden die tijdrovende discussies van de laatste decennia moeten inwisselen voor een debat over de positieve kanten van de vrijheidsstraf en focussen op de structuur die gevangenen wordt geboden met een leef- en werkritme die ze in het vrije bestaan vaak zo node moeten missen. We zijn toe aan een verdergaande hervorming van ons strafstelsel en aan een pleidooi voor een strikt en rechtvaardig gevangenisleven!

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en vice-president Gerechtshof Arnhem

Een gedachte over “Vergelden is zo gek nog niet

  1. Alexander F. de Savornin Lohman

    Vanuit de visie van ‘duurzame rechtspleging’ (= rechtspleging die een duurzame bijdrage levert aan de kwaliteit van de samenleving), zijn vraagtekens te plaatsen bij vergelding: In hoeverre en wanneer kan het toevoegen van leed aan de samenleving (in de persoon van de dader), de kwaliteit van leven binnen die samenleving duurzaam verbeteren? Strafrechters leggen straffen op, maar nemen niet de verantwoordelijkheid voor de (duurzame) heilzaamheid van hun beslissingen voor de dader, voor het slachtoffer, en voor de samenleving als geheel.
    Rechtsmacht is een kracht, die per definitie verhoudingen in de samenleving verandert. Uitoefening van macht werkt bijna altijd ten detrimente. Alleen als de manier waarop macht wordt uitgeoefend heel zorgvuldig overdacht is en deze zorgvuldig wordt gedoseerd en gekanaliseerd (zoals in Nederland waterbouwkundig ingenieurs, de kracht van het water via dijken, stuwen, sluizen, gemalen, e.d. zorgvuldig managen), kan uitoefening van macht duurzaam gunstig uitwerken (op daders, slachtoffers en op de samenleving als geheel). Nederland dankt zijn grote welvaart op bijna alle gebieden aan dit zorgvuldige management van de waterkracht. Had dit zorgvuldig management ontbroken, dan zou Nederland een gevaarlijk en onherbergzaam gebied zijn geweest. Op vergelijkbare manier kan door zorgvuldige en inventieve inzet van rechtsmacht de kwaliteit van de samenleving sterk verbeteren. De succesvolle Amerikaanse Problem Solving Courts hebben deze potentie van rechtsmacht ontdekt. Zij zegden het retributiebeginsel vaarwel. In Australië zijn indigenous sentencing courts tot ontwikkeling gekomen, die een brug slaan over de diepe cultuurkloof tussen de blanke bevolking en de oorspronkelijke Aboriginal bevolking. Daarmee werkt rechtspraak structureel aan een betere samenleving.
    Rechters zijn de distributeurs van rechtsmacht, de ingenieurs, die kunnen bepalen of en in hoeverre met behulp van rechtsmacht de kwaliteit van de samenleving duurzaam zal verbeteren. Rechters en rechtbanken hebben belangrijke sleutels in handen die een duurzame samenleving dichterbij kunnen brengen.
    Vanuit het perspectief van duurzaamheid lijkt de strafrechtspraak een massaproduktiebedrijf van leed, een vervuilende industrie dus, die daartegenover geen duidelijk product levert dat duurzaam profijt voor de (kwaliteit van de) samenleving oplevert. Vanuit de optiek van duurzame rechtspleging is vergelding alleen toelaatbaar voorzover dit een bewijsbaar duurzaam constructieve bijdrage aan de samenleving biedt. Iedere rechterlijke beslissing tot vergelding zou de duurzaamheidstoets moeten kunnen doorstaan. Zijn er mogelijkheden om rechtsmacht op manieren in te zetten die per saldo een betere bijdrage aan de samenleving leveren, dan zou voor die duurzamer vorm van inzet van rechtsmacht gekozen moeten worden (voorzover de wet dat toelaat).
    Een kenner van de Shariarechtspraak vertelde mij eens dat de Sharia rechters verplicht om in al zijn uitspraken een overweging op te nemen waarom zijn uitspraak het algemeen belang dient.

Reacties zijn gesloten.