I beg to disagree, Egbert

Een politierechter zou zich te pletter schrikken, als op een gemiddelde middagzitting ineens elke verdachte zou verschijnen. “Ik kan de kinderen niet ophalen”, “ik moet het concert laten schieten” – deze en vergelijkbare gedachten zouden paniekerig door zijn of haar hoofd schieten. Wij zijn gewend dat een fors aantal verdachten niet op de zitting komt. Ons appointeringssysteem is daarop ingericht. We proberen daaraan door de toepassing van de regels voor al of niet uitdrukkelijk gemachtigde advocaten nog een draai te geven. Maar in het algemeen doen wij veel strafzaken zonder de hoofdpersoon af.
Het is in verreweg de meeste gevallen de keuze van de hoofdpersoon, de verdachte, zelf niet naar de rechtbank te gaan. Dat kan heel bewust zijn, doordat hij na ontvangst van de dagvaarding besluit weg te blijven. Veelal heeft hij echter hooguit juridisch-technisch wetenschap van de zitting, doordat de dagvaarding – wettelijk correct – is betekend op een plek waar hij formeel woont, maar feitelijk niet verblijft.

Er zijn echter ook verdachten die er wel bij willen zijn, maar moeten ervaren dat hun zaak niettemin in absentia wordt afgedaan. Dat was aan de orde in een recente uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waarin invaller Egbert Myjer een opvallende dissenting rol vervulde (Hokkeling v Nederland, EHRM 14 feb 2017, App No 30749/12). De rechtbank Alkmaar had verdachte Hokkeling in 2007 voor – een behoorlijk gruwelijke – ontvoering en mishandeling en een aantal drugsdelicten in december 2004 tot 4,5 jaar gevangenisstraf veroordeeld. De rechtbank had de eis van 8 jaar niet gevolgd, omdat zij niet bewezen achtte dat verdachte de schuld voor de dood van het slachtoffer in de schoenen kon worden geschoven.
In hoger beroep (ingesteld door zowel verdachte als OM) bepaalde het hof Amsterdam, op verzoek van de nieuwe raadsman, dat de rechter-commissaris getuigen moest horen. In maart 2009 zat – tweederde van – de straf erop en werd Hokkeling, die steeds bij de (proforma)zittingen aanwezig was, vrijgelaten. In mei 2009 kreeg hij aangezegd dat de inhoudelijke behandeling van zijn zaak en die van zijn medeverdachten op 27, 28 en 29 oktober 2009 zou plaatshebben.

Drie weken daarvoor hield de Noorse politie hem echter wegens drugsinvoer op heterdaad aan en kwam hij in Noorwegen vast te zitten. Pogingen hem op indringend verzoek van zijn raadsman voor de inmiddels tot 1 juni 2010 aangehouden zitting naar Amsterdam te krijgen strandden. Het hof besloot de zaak (onder protest van de wel uitdrukkelijk gemachtigde raadsman) te behandelen en veroordeelde Hokkeling op 18 juni 2010 tot 8 jaar gevangenisstraf. De Hoge Raad wees het cassatieberoep op 13 december 2011 met een enkel woord af en Hokkeling wendde zich tot Straatsburg. (Hij kwam in 2013 in Nederland terug en zat het restant van zijn straf alsnog uit.)

Het EHRM is opvallend bondig in zijn uitspraak. Artikel 6 EVRM geeft een verdachte het recht zich in persoon te verdedigen. Op zichzelf is een berechting zonder verdachte niet in strijd met deze bepaling, maar dan moet hij het recht op aanwezigheid wel zelf hebben verspeeld. Vervolgens moet een afweging plaatshebben tussen zijn belang enerzijds en dat van – de nabestaanden van – het slachtoffer en de maatschappij bij een vlotte berechting anderzijds. In het geval van Hokkeling viel die afweging volgens zes van de zeven rechters in het voordeel van verdachte uit. Hokkeling had het wel aan zichzelf te wijten dat hij drie weken voor de inhoudelijke zitting voor een – nieuw – delict werd aangehouden. Hij was echter steeds bij zittingen verschenen en had continu laten weten dat hij ook de inhoudelijke behandeling wilde bijwonen en zich daar wilde verdedigen. Het hof lijkt ook een behoorlijk gewicht toe te kennen aan het feit dat het hof Amsterdam tot een aanzienlijk hogere straf dan de rechtbank kwam.

It doesn’t feel right, is eigenlijk de kern van de dissenting opinion van Egbert Myjer, die als voormalig lid van het EHRM als rechter van de betrokken lidstaat in het interregnum tussen Jos Silvis en diens opvolgster inviel. Volgens Myjer had de weegschaal, die volgens hem op zichzelf met de juiste gewichten was gevuld, de andere kant moeten zijn uitgeslagen. Hokkeling had het zelf ernaar gemaakt dat hij er niet bij kon zijn. Bovendien schreeuwde het belang van nabestaanden en maatschappij om een vlotte berechting, waarbij ook de medeverdachten waren betrokken. Myjer vindt het moeilijk uit te leggen dat een zo delicaat belang als dat van artikel 6 EVRM is geschonden.

Ik ben het daarmee niet eens. Het gaat om een zaak waarvan de feiten ten tijde van de inhoudelijke behandeling bij het hof Amsterdam al 5,5 jaar achter de rug lagen. Natuurlijk had Hokkeling zich niet opnieuw aan een delict moeten schuldig maken. Natuurlijk zou het inefficiënt zijn geweest de zaken tegen de medeverdachten wel te behandelen, omdat dan een andere combi zich over de zaak tegen Hokkeling had moeten buigen. Maar wat mij betreft kun je in een geval als dit, als het hof besluit een fors hogere sanctie op te leggen, de zaak niet afdoen, als een verdachte, die steeds heeft gezegd aanwezig te willen zijn en dat bij eerdere zittingen ook is geweest, er niet bij is. Dit geldt zeker als hij de in eerste aanleg opgelegde straf al heeft uitgezeten.

Het is moeilijk je aan de indruk te onttrekken dat ons systeem van de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman bij het hof Amsterdam (en mogelijk ook in de gedachten van de voormalige Amsterdamse PG Myjer) een rol heeft gespeeld. Natuurlijk zal een raadsman in zo’n heftige zaak niet het risico nemen zich niet te laten machtigen, maar het moet niet ertoe leiden dat een zo fundamenteel recht als “the right to defend himself in person” wordt uitgehold. Dat deze frase uit artikel 6 lid 3 onder c EVRM door de woorden “or through legal assistance” wordt gevolgd, doet daaraan niet af. Want ook daarbij gaat het om een beslissing van de verdachte zelf.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam