Vooroordelen en straftoemeting

Vele wijsgeren hebben zich het hoofd gebroken over de vraag of de mens beschikt over ‘a priori-kennis’, kennis die los staat van ervaring en bij de geboorte is meegegeven. Dat blijkt nogal tegen te vallen. Eigenlijk blijken mensen bij de geboorte vooral begiftigd te zijn met vaardigheden die kennis mogelijk maken, bijvoorbeeld de vaardigheid tot logisch denken. Ook humor zou je tot dit soort a priori kennis kunnen rekenen. Zuigelingen kunnen bijvoorbeeld al snel de humor inzien van dingen die niet kloppen, zoals het geven van een melkfles aan de knuffel of het op je hoofd staan in plaats op je voeten.

In de dierenwereld is dat anders. Vroeger hielden ze hier op Aruba een tijger in een kooi. Mijn hond, die nog nooit een tijger had gezien (en vermoedelijk vele generaties voor hem ook niet), heeft deze Arubaanse tijger ook nooit gezien. Hij is nooit dichterbij geweest dan op zo’n driehonderd meter. Toen moet hij de geur van dat beest in zijn neus hebben gekregen. Hij trok in paniek zijn kop uit zijn halsband en ging er vandoor. Hij joeg weliswaar graag op onze felis domesticus, maar hij wist kennelijk dat die geur bij een grotere, enge katachtige hoorde en dat hij daar maar beter uit de buurt kon blijven.

Mensen mogen dan wel niet al te veel veel a priori-kennis bezitten, een rijke neiging tot vooroordelen hebben we wel. Het was dan ook met een zekere opluchting dat ik kennis nam van het rapport “Zwaarder gestraft? Verder onderzoek naar etnisch gerelateerde straftoemeting: verschillende soorten en maten van sancties”. Dit betreft een vervolgonderzoek uitgevoerd door het Instituut voor Strafrecht en criminologie van de Universiteit Leiden en uitgebracht als Research Memorandum Nummer 2, 2016, van de Raad voor de Rechtspraak.

Uit het eerste onderzoek rees enige twijfel of etniciteit als zodanig van invloed zou zijn op de straftoemeting. Mocht daar ook maar een kleine kern van waarheid in hebben gezeten, zou dat een lelijke vlek op onze bef zijn geweest.

In het nu verschenen onderzoek is nader op de problematiek ingezoomd. Er is nu niet alleen gekeken naar de onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar ook naar (combinaties van) andere sancties en naar andere straftoemetingsfactoren (delict-, dader- en proceskenmerken). Allochtone groepen hebben weliswaar een grotere kans op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan autochtonen, maar een grotere kans op de ene strafsoort blijkt (niet onlogisch) hand in hand te gaan met een kleinere kans op een andere strafsoort. De onderzoekers zien ook dat etnisch gerelateerde verschillen in de straftoemeting verklaard kunnen worden door delict-, dader- en proceskenmerken. Dat betekent dat sommige herkomstgroepen wel anders gestraft worden dan autochtonen, maar dat de reden daarvan bijvoorbeeld is dat de verdachten in de ene herkomstgroep voor zwaardere delicten terechtstaan dan verdachten in de andere groep, of dat zij vaker problemen hebben op het gebied van werk en opleiding of relaties. Er is bij de door rechters gehanteerde omrekensleutels tussen de verschillende strafmodaliteiten (bijvoorbeeld de sleutel dat 240 uur werkstraf gelijk staat aan 120 dagen zitten, een boete van € 50 is gelijk aan een dag zitten) geen herkomstgroep aan te wijzen die stelselmatig voor alle sanctietypen significant anders wordt gestraft dan autochtonen.

Alleen bij een door de onderzoekers ter vergelijking gehanteerde theoretische alternatieve sleutel zou er wel sprake zijn enig verschil bij Turken van de eerste en Marokkanen van de tweede generatie. Die theoretische sleutel wordt evenwel niet door de strafrechtpraktijk gehanteerd, maar zou meer aansluiten bij de maatschappelijke beleving van de strafzwaarte.

De strafwet laat voor de rechter een zeer ruime marge open tussen een lage algemene minimum-straf en strafmaxima per delict. Voor bijvoorbeeld moord kun je kiezen, ergens tussen een dag gevangenisstraf en levenslang, een boete en/of taakstraf. Door de verschillende strafmaxima heeft de wetgever een rangorde aangegeven tussen de strafwaardigheid van delicten. Zo vindt de wetgever een levensdelict erger dan het opzettelijk niet voldoen aan een vordering van een parlementaire enquêtecommissie om inzage in stukken te geven, waar ten hoogste vier maanden gevangenisstraf op staat. Deze relativiteit vormt ook een vingerwijzing voor de straftoemeting. Nu behoren deze beide delicten in de dagelijkse praktijk niet tot de grote bulk die wordt gevormd door drugsdelicten, inbraak, diefstal, mishandelingen, fraude, beledigingen, en dergelijke.

Maar juist bij die grote stroom zaken, die dagelijks in een hoog tempo moeten worden afgedaan, zouden ook gemakkelijk onberedeneerde verschillen in straftoemeting kunnen sluipen. Wat althans etniciteit betreft, vormt de straftoemeting, anders dan in de publieke arena wel eens wordt gedacht, gelukkig dus geen tombola, als je de details van de strafzaak maar kent.

Daarmee is dit onderzoek ook nog om een andere reden interessant. Ondanks het ontbreken van gedetailleerde aanwijzingen voor de straftoemeting, leidt dit kennelijk niet tot chaos en willekeur. Behalve genoemde vingerwijzingen van de wetgever zijn er nog meer factoren die uiteindelijk de straf bepalen. Straftoemeting is namelijk niet een hobby van de strafrechter alleen, zoals ook wel eens ten onrechte wordt gedacht. Het begint met de tenlastelegging door het openbaar ministerie (en soms al met de verbalisering door een politiefunctionaris en het besluit iemand al of niet op te pakken). Reeds de keuze om een zaak aan de politierechter voor te leggen (in plaats van aan de meervoudige kamer) houdt een impliciete keuze in voor de strafmaat (de politierechter legt maximaal 12 maar in de praktijk hooguit zes maanden gevangenisstraf op, als dat al gebeurt). Kiest de ten laste legger er bijvoorbeeld voor om enkel mishandeling ten laste te leggen en niet bijvoorbeeld de veel voorkomende sequentie ‘poging doodslag, subsidiair poging zware mishandeling meer subsidiair mishandeling’, die eigenlijk niet zo veel zegt over de werkelijke ernst van het delict, dan beperkt hij of zij op voorhand de strafmaat. Het invoeren van minimum-straffen zou daarmee vooral betekenen dat de invloed van het openbaar ministerie op de strafmaat omhoog gaat, niet noodzakelijk de straffen zelf.

De strafeis wordt verder beïnvloed door de strafeisrichtlijnen van het openbaar ministerie. Die worden in de praktijk niet mechanisch toegepast maar gelden voor de officier als vertrekpunt, waarbij de strafeis naar de merites van de zaak (waaronder begrepen de ernst van het feit, kans op recidive, de consequenties voor het slachtoffer), die nog eens ter zitting de revue passeren, hoger of lager kan uitvallen. Dan heb je het debat op zitting, de argumenten van de verdediging, en tenslotte is de strafrechter aan zet. Aan hem of haar om alles op een rijtje te zetten en (eventueel) met behulp van de oriëntatiepunten straftoemeting van het LOVS de straf te bepalen.

Wordt de straftoemeting nader bekeken, dan zie je dus inderdaad geen bingo, maar een structuur die zit ingebakken in het systeem. Met de aanhoudende onvrede over de straftoemeting bestaat het risico dat vroeg of laat die structuur wordt verstoord, zoals met de Wet beperking taakstraffen is gebeurd. Die onvrede is geloof ik een maatschappelijk fenomeen op zichzelf dat zich niet zo maar laat bevredigen met hogere straffen. Hier te Aruba wordt naar mijn indruk wat zwaarder gestraft dan in Nederland (ook al vanwege de beperkte mogelijkheden tot behandeling en het feitelijk ontbreken van jeugd- en volwassenen-TBS), maar de maatschappelijke onvrede over de vermeend lage straffen is er niet minder om. Helemaal bevredigend is de situatie niet, want aangezien de gevangenis hier nogal vol zit, betekent een maand extra cel voor de één, een maand korter voor een andere crimineel.

Tussen haakjes gezegd: ook hier zie je het in Nederland bekende fenomeen dat als burgers meedenken over een passende straf in een concreet geval waarvan de details bekend zijn, ze opvallend genoeg tot min of meer dezelfde straffen komen als beroepsrechters. Tijdens de open dag van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba werd een strafzaak nagespeeld. Er werd een jury uit het publiek gevormd die in raadkamer over de strafmaat besloot. Intussen werd ook in de zaal de discussie daarover gevoerd. De officier van justitie had vooraf voor zichzelf genoteerd welke straf hij zou eisen (om het publiek niet te beïnvloeden had hij bij de behandeling geen strafmaat genoemd). Frappant was dat de drie uitkomsten qua hoogte en modaliteit niet erg uiteen liepen en overeenkwamen met wat in werkelijkheid door een beroepsrechter in zo’n zaak zou zijn opgelegd. Tijdens een studiemiddag aan de universiteit alhier werd het experiment herhaald, met vergelijkbare uitkomsten.

Het Nederlandse openbaar ministerie betrekt bij de formulering van zijn strafeis-richtlijnen als ik het goed heb, ook wel eens het publiek. Dat is een goede zaak, want het ontbreken van begrip onder het publiek voor het strafrecht is niet goed. Maar het komt ook voor dat het openbaar ministerie zijn strafeis-beleid verhoogt met een flink percentage naar aanleiding van commotie, bijvoorbeeld over geweld tegen hulpverleners rond de jaarwisseling. Van dergelijke beleidsmatige verhogingen gaat op dat moment een kalmerend effect uit, want er lijkt iets gedaan te worden. Maar als keer op keer blijkt dat er bij iedere jaarwisseling toch weer lieden zijn die agressie vertonen, ontstaat frustratie. De indruk is namelijk gewekt dat er iets wordt gedaan, maar de boosdoeners hebben zich vermoedelijk op grote schaal volgegoten, -gespoten en/of –geslikt, zijn onder invloed en opgefokt, niet voor rede vatbaar en laten zich op dat moment zelfs aan de sterke arm niks gelegen liggen. Je kunt ook niet eindeloos doorgaan met het verhogen van de strafmaat-richtlijnen omdat ook dat op den duur de geloofwaardigheid van het strafrecht ondergraaft.

Het Leidse onderzoek smaakt naar meer. Er zijn in Nederland door de rechtspraak oriëntatiepunten voor de straftoemeting opgesteld, die niet primair een rechtspolitieke bedoeling hebben, maar zijn gebaseerd op een inschatting door strafrechters van wat de strafrechtpraktijk aan straffen laat zien voor een aantal veel voorkomende delicten. Maar er is meer te doen. De strafrechtpraktijk, en ik neem aan ook journalisten, slachtoffers, belangstellende burgers, het departement en de politiek, zijn geïnteresseerd in straftoemeting en hoe de strafrechters tot hun straffen geraken. Sinds een aantal jaren wordt een grote stroom strafzaken gepubliceerd op rechtspraak.nl . Mijn indruk is dat daarvan nog te weinig gebruik wordt gemaakt voor onderzoek en aanbeveling. Etniciteit en straftoemeting lijken dan wel niet problematisch te zijn, maar een consequente straftoemeting omvat veel meer. Het blootleggen daarvan en van onverhoopte inconsistenties kan alleen maar goed zijn, namelijk om een stevige feitelijke basis te hebben voor toekomstige discussies en wetswijzigingen over de straftoemeting.

Op Aruba hebben we geen oriëntatiepunten, maar zijn we bezig met een eenvoudige database die inzicht moet geven in de straftoemeting in grote lijnen, zonder al te veel detaillering. Deze moet een globale indruk geven van de straftoemeting voor zo veel mogelijk delicten, met een doorklikmogelijkheid naar de desbetreffende uitspraken om de bijzonderheden van de zaak te kunnen bekijken, voor het geval de straf bijvoorbeeld lijkt af te wijken van een grote lijn.

Peter Lemaire
Rechter te Aruba