Reactie op Prinsen en Bakkum

Door Wim Canton

Allereerst mijn dank voor het genuanceerde commentaar vanuit het NIFP op het door mij geschreven blog over de gevolgen van doorgeschoten kwaliteitscontrole voor de rechtsgang rond pro justitia rapportages.

Zoals ook al in het blog door mij betoogd heeft het NIFP in het verleden een grote rol gespeeld in het verbeteren van de kwaliteit van pro justitia rapportages. Het komen tot een standaard vraagstelling, betere indicatiestelling, het ontwikkelen van formats, het bijdragen aan richtlijnen en opleidingen en het beschikbaar zijn voor vragen en overleg zijn grote verdiensten, waar nog dagelijks de vruchten van worden geplukt.

Kern van mijn betoog is de constatering, dat de huidige werkwijze van het NIFP binnen het rapportageproces te zien is als een typisch in de huidige tijdsgeest passend proces, waarbij er sprake is van een toegenomen kwaliteitscontrole op het werk van goed opgeleide professionals, zonder dat daarbij wetenschappelijke onderbouwing bestaat van het nut ervan en er ook onvoldoende notie is van de mogelijke bijwerkingen van deze controlemechanismen. Afgelopen decennia hebben deze ontwikkelingen zich onder andere ook in de zorg voorgedaan en inmiddels hebben in dat werkveld steeds meer mensen in de gaten gekregen dat de daar ontstane “afvinkcultuur” ook grote nadelen heeft en in een aantal gevallen eerder een belemmering is voor kwaliteit dan dat het de kwaliteit nog bevordert. Er ontstaan controlerende “tussenlagen” die zichzelf binnen de kortste tijd onmisbaar achten en een zelfstandig bestaan gaan leiden, waarbij het primaire proces uit oog dreigt te raken. Vertrouwen in de deskundigheid van de professional wordt vervangen door uitdijende controlemechanismen.

Ik ben een groot voorstander van het streven naar verbetering en verdere professionalisering van het rapportageproces. Ik heb in mijn blog goed onderbouwd beschreven welke feitelijke stappen er in de afgelopen 25 jaar zijn gezet om het rapporteren pro justitia te ontwikkelen van een “bijbaantje” waar de rapporteur geen enkele extra opleiding voor nodig had en waarvoor geen heldere richtlijnen bestonden naar zeer specialistisch werk. De eisen om te mogen rapporteren zijn steeds hoger opgeschroefd en op basis van deze eisen mag van goed opgeleide professionals verwacht worden dat ze zelfstandig een goed rapport kunnen schrijven. Toch is het NIFP van mening dat matching en toetsing door psychologen, psychiaters en juristen noodzakelijk is om de kwaliteit van de rapporten te garanderen. Ik citeer: “Het NIFP ziet dat de bemiddeling (matching en feedback) van grote meerwaarde is voor de kwaliteit van de Pro Justitia rapportage”. Ik lees geen enkele wetenschappelijk onderbouwing voor deze mening. Als argumenten worden genoemd dat de meeste rapporteurs blij zijn met de feedback en dat het NRGD het ook een goed idee vindt dat de feedback plaatsvindt. Op beide argumenten wil ik kort in gaan.

Het is binnen het rapportageproces zeer prettig en zinvol om in voorkomende gevallen te kunnen overleggen met een collega en/of een jurist, met name als een zaak erg ingewikkeld is en leidt tot onzekerheid bij de rapporteur. Een goed opgeleid professional weet wat hij wel en niet kan en moet in staat worden geacht aan te bel te trekken bij twijfels en problemen. De beschikbaarheid van collega’s bij het NIFP is een groot goed, dat door alle rapporteurs wordt gewaardeerd en waar ook ikzelf graag gebruik van maak. De waardering blijkt ook uit een onlangs door de Vereniging voor Rapporteurs gehouden enquête onder rapporteurs. Over het nut van de verplichte standaardfeedback bestaat onder de rapporteurs veel minder consensus.

Het argument dat ook het NRGD positief staat tegenover het geven van feedback op individuele rapporten door het NIFP kan ik niet goed plaatsen. Het NRGD heeft in de afgelopen jaren ruim 10% van de rapporteurs niet als voldoende deskundig beoordeeld om voor een registratie in aanmerking te komen. Daarnaast werd de kwaliteit bij nog eens 14% als twijfelachtig beoordeeld. De rapporten op basis waarvan deze beoordelingen tot stand kwam waren tevoren door het NIFP van feedback voorzien. Bij deze cijfers kunnen allerlei vragen gesteld worden, maar ze kunnen in ieder geval niet tot de conclusie leiden dat volgens de NRGD de feedback van het NIFP leidt tot goede rapporten.

Ten slotte de aanleiding van de hele discussie: het probleem met de doorlooptijden. Ik ben me er zeer van bewust dat dit probleem echt niet alleen te maken heeft met de bureaucratische processen binnen het NIFP. Ook binnen het OM en de rechtbanken zijn hier oorzaken voor te vinden. Een van de belangrijkste is in mijn ogen nog steeds het gemak waarmee om pro justitia rapportages wordt gevraagd, zonder dat een dergelijke rapportage veel toe te voegen heeft aan het strafproces. Het is met name aan strafrechters en officieren van justitie om zich meer bewust te zijn van de schaarste aan (met name psychiatrische) rapporteurs en alleen een rapport aan te vragen als daar ook een zekere meerwaarde van te verwachten valt. In het kader van de geconstateerde schaarste zou ook gekozen kunnen worden voor minder uitgebreide rapporten in gevallen waarin dit mogelijk is. Als alle mensen die zich nu met het geven van feedback bezighouden ingezet zouden worden voor het schrijven van rapporten, zou dit ook de beschikbaarheid van goede rapporteurs vergroten.

Conclusie
Ik heb in de reactie van het NIFP geen overtuigende argumenten, laat staan wetenschappelijke onderbouwingen, kunnen vinden die het steeds maar verder uitdijende controlesysteem rond de pro justitia rapportages rechtvaardigen. De gang van zaken rond het rapportageproces past mijns inziens in een maatschappelijke trend van toenemende controle op het werk van goed opgeleide professionals, aan wie enerzijds steeds hogere eisen worden gesteld wat betreft opleidingsniveau en het bijhouden van hun vak, maar die anderzijds in toenemende mate gecontroleerd worden in de uitoefening van hun werkzaamheden.

De bedoeling is dat er aan de door het OM overwogen pilot een gedegen wetenschappelijk onderzoek wordt gekoppeld met 2 uitkomstvariabelen: doorlooptijden en kwaliteit. Pas als zou blijken dat de kwaliteit van de rapporten in de pilot, waarbij dus geen matching en standaardfeedback heeft plaatsgevonden, minder is dan de kwaliteit van de rapporten die op de op dit moment gebruikelijke wijze tot stand komen, bestaat er een goede wetenschappelijke basis voor de huidige gang van zaken. Aan dit onderzoek zou een discussie vooraf moeten gaan over het begrip kwaliteit van de rapportage: Als het NRGD op zijn minst twijfels heeft over de kwaliteit van bijna een kwart van de rapportages en het NIFP in eigen onderzoek tot de conclusie komt dat de kwaliteit in 97% in orde is, roept dat vragen op over de gehanteerde definities en meetmethoden.

Wim Canton is vrijgevestigd psychiater, deskundige bij de Penitentiaire Kamer en Pro Justitia rapporteur