De afhankelijkheid van de rechter

Op 8 december 2016 verdedigde ik aan de Rijksuniversiteit Groningen mijn proefschrift ‘De macht over het strafproces’. Een belangrijke vraag in mijn onderzoek was de vraag waar de strafrechter zich bij zijn werk op moet richten. Is dat een correcte beantwoording van in het bijzonder de materiële vragen van artikel 348 Sv (in gewoon Nederlands: of op rechtmatige wijze bewezen kan worden dat de verdachte schuldig is aan een strafbaar feit en of en hoeveel straf hij voor het plegen van dat feit verdient) of is het meer dan dat: namelijk ook gemotiveerd op een wijze die meer behelst dan de wettelijke verplichtingen en ook nog precies op de wijze waarop een individuele rechter dat in gedachten heeft? Of vanuit een ander perspectief: dient het richtsnoer slechts de individuele zaak te zijn waarin de rechter geroepen is een oordeel te vellen of dient de rechter ook rekenschap te geven van de gevolgen van zijn (proces)beslissingen voor de afdoening van andere zaken? En een derde perspectief: is het wel logisch dat rechters minder moeite lijken te hebben met het volgen van door managers vastgestelde oriëntatiepunten, dan met bestuurlijke bemoeienis rondom de appointering, terwijl de eerste de materiële beslissing betreft en de tweede slechts de procedure op weg naar de materiële beslissing die verder in vrijheid kan worden genomen. In wezen gaan al deze vragen over de rechterlijke taakopvatting.

Een aspect in dit verband welke ik in mijn proefschrift niet behandel en waar ik in dit blog aandacht aan wil besteden, is de mate waarin de rechter bij de vaststelling van de feiten afhankelijk moet (willen) zijn van de politie of van deskundigen. Die kwestie valt goed te illustreren aan de hand van een verkeerszaak.

Verdachte rijdt in een rustig tempo aan op een rotonde. Met een naar eigen zeggen snelheid van rond de 25 kilometer per uur rijdt hij de rotonde halfom en slaat dan rechtsaf. De verdachte gaat ervan uit dat hij daaraan voorafgaand over de rechterschouder heeft gekeken. Toch komt de verdachte bij het rechtsaf slaan in aanrijding met een 80-jarige fietsster die op een gewone fiets ook op de rotonde rijdt en waaraan verdachte voorrang had moeten verlenen. Verdachte heeft die fietsster op dat moment een enkel moment over het hoofd gezien. De fietsster komt door het ongeval te overlijden. Onduidelijk is waar de fietsster de rotonde op is komen fietsen.

De vraag of sprake is van een overtreding van artikel 6 WVW en of sprake is van aanmerkelijke schuld scharniert om de vraag of de voorrangsovertreding, waarvan hier sprake is, is terug te voeren op gedrag dat niet voldoet aan datgene wat gemiddeld genomen van een soortgelijke verkeersdeelnemer verwacht mag worden. Sinds het arrest van 28 april 2008, NJ 2008, 440 staat namelijk vast dat ‘uit de enkele omstandigheid dat de verdachte, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de motorrijdster aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien hoewel deze wel zichtbaar moet zijn geweest,’ niet kan volgen dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Voor de beschreven casus betekent het dat niet tot bewijs van strafrechtelijke schuld gekomen kan worden wanneer slechts kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het naar rechts afslaan de fietsster slechts een enkel moment over het hoofd heeft gezien.

De feiten kunnen echter ook anders worden geduid. Zo kan de rotonde worden aangeduid als een verkeerstechnische maatregel die niet alleen de vlotheid van het verkeer maar ook de veiligheid beoogt te bevorderen. Uit het laatste volgt, toegepast op casus, dat dit de verdachte bij uitstek in de gelegenheid heeft gesteld het conflicterende verkeer voor hemzelf goed in beeld te brengen zodat hij daarop had kunnen anticiperen. Hij weet zelf waar hij af zal slaan en kan aldus inschatten met welk ander verkeer hij op dat punt mogelijk te maken krijgt en voorrang dient te verlenen. Tot dat ander verkeer behoort ook de fietsster die de verdachte voorrang had moeten verlenen. Op basis van de geschetste feiten zou ten aanzien van de fietsster beredeneerd kunnen worden dat die op enig moment door verdachte moet zijn ingehaald. Immers: als verdachte ongeveer 25 km/h reed, valt te verwachten dat de op leeftijd zijnde fietsster (die als gezegd niet op een e-bike fietste) langzamer reed. Wanneer die fietsster verdachte, bij het afslaan van verdachte, kruiste, kan het niet anders zijn dan dat verdachte haar moet zijn gepasseerd. Bij deze lezing van de feiten is geen sprake meer van een momentane onoplettendheid, maar heeft verdachte zich bij het oprijden van de rotonde, bij het halfom rijden van de rotonde en bij het rechtsaf slaan onvoldoende vergewist van ander verkeer ter plaatse en de kruisende fietsster in het bijzonder. Op grond van deze redenering zou de strafrechtelijke schuld wel bewezen kunnen worden.

Het is een redenering die ik praktijkjuristen vaak voorhoud, maar waar advocaten, officieren en ook rechters zich niet altijd prettig bij voelen. ‘Had de politie bij haar verkeersongevallenanalyse niet op basis van de feiten de toedracht kunnen schetsen?’, is een veelgehoorde tegenwerping. Of: ‘Het vaststellen van de snelheid en de onderlinge verhoudingen tussen verdachte en fietsster op de rotonde is iets wat een deskundige van het NFI zou moeten vaststellen, dat kunnen juristen niet’. Toch denk ik dat de weging van de feiten en het beredeneerd komen tot een buiten redelijke twijfel staande toedracht juist de taak is van genoemde praktijkjuristen en de rechter in het bijzonder.

De vraag waar de rechter zich bij zijn werk op moet richten kent kortom vele varianten en is een kwestie die wat mij betreft veel meer aandacht behoeft. Niet alleen om er op uit te komen dat er meer geld naar de rechtspraak moet (het frame waarbinnen deze vraag nu -naar mijn smaak te- vaak wordt gesteld en tamelijk voorspelbaar wordt beantwoord), maar vooral om de taakopdracht vast te stellen die de rechter voor zichzelf weggelegd ziet. Daarbij komt al snel de vraag aan de orde in hoeverre rechters tot hun oordeel kunnen komen zonder andersoortige expertise. In zekere zin kan de rechter niet zonder die expertise en in sommige gevallen is die expertise zelfs verplicht (denk aan de rapportages pro-justitia bij sommige maatregelen). De hiervoor beschreven casus roept de vraag op of de rechter die andere expertise wel altijd nodig heeft om zijn werk te kunnen doen. Komt het inroepen van een deskundige niet ook wel eens neer op het verplaatsen van het probleem en daarmee het uitstellen van een beslissing? De deskundige kan immers ook niet meer doen dan een inschatting geven van de waarschijnlijkheid van een bepaald scenario. En uiteindelijk is het toch aan de rechter om te oordelen of die mate van waarschijnlijkheid het bewijsoordeel kan dragen. Enige reflectie op dit punt zou als voordeel kunnen hebben dat de eigenstandige taak en daarmee de waarde van het rechterlijk oordeel scherper wordt benadrukt. Dat rechterlijk oordeel is er niet om met zekerheid vast te stellen dat iets is gebeurd, maar om vast te stellen of de (al dan niet door deskundige vastgestelde) mate van onzekerheid dat het anders is gebeurd aanvaardbaar is. Die taak zullen deskundigen niet van de rechter over kunnen nemen. Daarbij past geen rechter die van de deskundige afhankelijk is.

Rick Robroek
Universitair docent vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Amsterdam