De straftoemetingsmal in de gereedschapskist

Door Henk Elffers

1. Allereerst een woord van dank aan Albert Klijn, die zich niet neerlegde bij de teleurstellende stilte jegens mijn oproep op Ivoren Toga om over een “straftoemetingsmal” na te denken en ermee te experimenteren. Hij besprak mijn voorstellen met enkele deskundige betrokkenen, en daardoor ben ik in de gelegenheid te reflecteren op de zeer gewaardeerde reacties op mijn voorstel van Van Atteveld, Janssen, Mulder en Tak. (Klijn, A. (2017), Het grote zwijgen van de ZM, in antwoord op: Elffers, H. (2016), De straftoemetingsmal: een middel om straftoemeting begrijpelijker te maken)

2. Het komt mij voor dat de niet-bindende status van de LOVS-oriëntatiepunten, die ik voorstelde te gebruiken als uitgangspunt van de mal, niet als punt van kritiek op de mal kan dienen. De straftoemetingsmal is een stramien waarin de rechter kan uitleggen hoe zij of hij tot een straf is gekomen, door van een startpunt uit te gaan, en vervolgens overwegingen te benoemen die tot afwijkingen van dat uitgangspunt hebben geleid. In zekere zin is het irrelevant welk startpunt wordt gekozen, omdat het de rechter immers vrijstaat om onmiddellijk van dat uitgangspunt af te wijken: “de oriëntatiepunten gaan uit van 5 weken, maar deze rechtbank vindt dit delict niet zo ernstig als de opstellers van de richtlijnen, daarom hanteren wij als uitgangspunt 2 weken”, is een alleszins valide redenering. Zo’n uitleg geeft ons inzicht in waarom deze rechters afwijken vanuit de straf zoals voorgesteld in die oriëntatiepunten, in dit geval vanwege de ernst van het delict, dat in casu door deze rechters niet zo hoog wordt opgenomen. Andere uitgangspunten dan de LOVS-oriëntatiepunten zijn óók denkbaar, zoals het wettelijk strafmaximum (of -minimum, zo dat ooit zou worden ingevoerd). Dat zou leiden tot de interessante exercitie dat de rechter moet gaan uitleggen dat weliswaar SR vier jaar mogelijk maakt, maar dat hij in dit geval bij 6 maanden begint. Het publiek wilde dat immers altijd al weten? Zoals Janssen stelt, de mal zou ook kunnen uitgaan van de strafeis van het OM, in welk geval we dan natuurlijk wel van de officier het gebruik van een “strafeis-mal” zouden kunnen vragen

3. Is een wettelijk voorgeschreven straftoemetingskader, zoals in Duitsland of Finland, niet een veel beter idee? Misschien wel, maar is dat niet gewoon ook een straftoemetingsmal, zij het explicieter en bindender? Zo’n wettelijk kader lijkt mij overigens, als ik Taks eigen woorden mag overnemen, in de Nederlandse context een voorstel “dat er nooit doorkomt”.

4. Wie de straftoemetingsmal gebruikt, maakt zich kwetsbaar voor cassatie. Ja, en? Dat is toch de bedoeling van cassatie, dat de hoogste rechter richtlijnen kan geven ten aanzien van wat wel en niet acceptabele overwegingen bij de straftoemeting zijn? Het leidt op den duur tot een HR-gecertificeerde-straftoemetingsmal. Ik zou dat toejuichen. Janssen stelt dat de HR reeds op het vinkentouw zit.

5. Mulder meent dat gebruik van de mal tot inperking van de rechterlijke vrijheid tot straftoemeting leidt. Dat onderschrijf ik niet. De mal is een communicatiemiddel, om aan de veroordeelde, aan het slachtoffer als dat er is, aan het publiek, aan de officier en de raadsman duidelijk te maken waarom de rechter komt tot de straf die hij, in alle vrijheid, oplegt. Elke straf die hij wil opleggen, binnen het wettelijk kader, kan hij opleggen, en ik hoop dat hij de mal gaat gebruiken om ons zijn keuze uit te leggen, zeker als die nogal fors van het gebruikelijke afwijkt. Merk op dat ik niet voorstel de mal te verplichten, ik hoop dat hij spoedig wordt omarmd omdat hij een nuttige functie zal blijken te vervullen.

6. Is er eigenlijk wel een probleem? Mulder denkt dat het wel meevalt, dat het hoogstens speelt bij gewelds- en verkeersdelicten. Misschien heeft hij gelijk, ik hoop het, laten we dat eens uitzoeken. Het lijkt me een goede reden om dan te beginnen met experimenteren met een mal bij gewelds- en verkeersdelicten.

7. Van Atteveld is pessimistisch: je kan wel zeggen, er komt wat straf bij vanwege maatschappelijke onrust, maar leg maar eens uit waarom dat dan precies één of twee maanden méér is. Dat lijkt me een correcte waarschuwing, de mal lost niet alle onduidelijkheid op, maar, zo hoop ik, toch wel een deel van de onduidelijkheid. Is het niet beter te weten dat er strenger (of lichter) wordt gestraft wegens onrust dan helemaal niks te weten, ook als we ons dan blijven afvragen hoe de kwantiteit van die straf tot stand is gekomen?

8. Ik ben me terdege bewust dat de mal een voorstel van een buitenstaander is. Het lijkt me duidelijk dat een reële mal door ervaren strafrechters moet worden opgesteld. Ik ben uiteraard blij met Janssens mening dat in mijn mal toch al wel de voornaamste vragen staan die bij het bepalen van een strafmaat spelen. Inderdaad zullen nog heel wat beren op de weg opdoemen, zoals wanneer meerdere feiten aan de orde zijn, ook Janssen voert dat aan.

9. Gelukkig wordt er door velen in de rechterlijke macht hard gewerkt aan verbetering van de motiveringen van vonnissen, inclusief een heldere motivering van de opgelegde straf. Ook de door Janssen genoemde aanpak in de gestolen eindexamens-zaak en die in de zaak Van Rey past in deze toe te juichen ontwikkeling. Toch zijn er ook nog heel wat vonnissen waarin nagenoeg elke poging tot het geven van inzicht achterwege blijft. Dat geldt zeker als we het over huis-, tuin- en keuken-vonnissen hebben. Op menig politierechterzitting zal de publieke tribune het met mij eens zijn, vrees ik. Ik hoop van harte dat juist zij die in het kader van Promis aan verbeterde motivering werken en hebben gewerkt, hun licht willen laten schijnen op een voor rechters hanteerbare mal.

10. Janssen voert terecht aan dat voor veel misdrijven er helemaal geen (LOVS-)oriëntatiepunten bestaan. Hoe moet je dan met een mal omgaan, als je geen startpunt hebt? Daargelaten dat er in de reactie van mijn critici al meerdere suggesties zijn gedaan hoe aan standaarden te komen, ik ben geneigd te zeggen, ja, dat is jammer. Laten we daarom beginnen waar het al wèl kan, in zaken waarvoor wel oriëntatiepunten bestaan, en al doende nadenken hoe het mogelijk gemaakt kan worden om de mal zodanig uit te breiden dat óók delicten die thans nog zonder straforiëntatie-punten zijn, kunnen worden behandeld.

11. Ik ben natuurlijk razend benieuwd hoe de voorstellen zullen luiden van de Commissie Rechtseenheid, die een gereedschapskist wil fabriceren om strafrechters beter te equiperen voor hun taak om strafmotivering op zitting en in de uitspraak te verhelderen. Janssen geeft mij hoop dat ook mijn mal, na passende uitwerking, in die kist een bescheiden plaatsje kan krijgen.

Henk Elffers
Emeritus hoogleraar afdeling Strafrecht en Criminologie Vrije Universiteit Amsterdam