Andere interventies: strenger straffen

De verschuiving van de aandacht van het OM in het strafproces van de dader naar het slachtoffer en diens wijde omgeving, van resocialisatie naar normherstel en normbevestiging, heeft grote gevolgen. Niet alleen, zoals ik in mijn vorige bijdrage heb betoogd, voor het aantal interventies dat tot stand moet komen om deze doelen van de interventie te realiseren, maar ook voor het type sancties dat het OM moet/zal vorderen en dat de rechter zou moeten opleggen.

Thans wordt die keuze vrijwel geheel bepaald door het veronderstelde effect van de sanctie op de resocialisatie van de verdachte en de inschatting van de kans dat hij zal afzien van verder crimineel gedrag. Kosten nog moeite worden gespaard om zoveel mogelijk maatwerk te leveren. Soms wordt er in brede kring overlegd welk traject daarbij de meeste kans op succes biedt en als dat niet het strafrechtelijke spoor is, kan de officier van justitie onder omstandigheden zelfs (voorwaardelijk) afzien van strafvervolging. De verdachte komt dan terecht in een pedagogisch, een psychologisch of een andersoortig traject en valt dan veelal in de handen van hulpverleners die hij in een andere, eerdere context al heeft leren kennen. Dat contact heeft toen kennelijk niet geleid tot voorkoming van het huidige misdrijf; maar impliciet gaat de nieuwe keuze ervan uit dat het nieuwe traject, onder de dreiging van een strafvervolging, wel het gewenste resultaat zal hebben.

Ook op de zitting staat bij de strafoplegging de vraag naar de voorkoming van recidive en resocialisatie centraal. Tegen die achtergrond is er altijd veel aandacht voor de vraag hoe de verdachte tot zijn daad is gekomen. De antwoorden op die vraag zijn, na decennia van “onderzoek” naar de zieleroerselen van verdachten wel zo ongeveer bekend. Beklaagden weten inmiddels heel goed welke antwoorden ze moeten geven om een gunstig effect op de strafmaat te bewerkstelligen; en anders weet de reclassering of hun raadsman het wel. Bijgevolg komen er heel wat slechte vrienden, begripsarme leraren, incompetente en drankzuchtige ouders, kortom heel veel slechte jeugd, voorbij.

Duidelijk is ook wel geworden dat de oorzaak van het kwaad zelden bij de betrokkene zelf moet worden gezocht. Het zijn altijd de anderen en de omstandigheden die het hebben gedaan.

Alsof er niet, vroeger maar ook nu nog talloze mensen zijn die in veel beroerdere situaties hebben verkeerd maar nimmer tot het plegen van misdrijven zijn gekomen. Integendeel, juist door de tegenspoed hebben ze geleerd er het beste van te maken.

Als men vrijwel alleen de verdachte voor ogen heeft, letterlijk en figuurlijk, heeft men aandacht voor alles wat die zelf en zijn raadsman opwerpen aan strafverminderende omstandigheden. Ik noemde er al een aantal. In die context is men ook gevoelig voor het argument dat betrokkene niet beter wordt van een gevangenisstraf en dat zijn leven net in rustiger vaarwater is gekomen en dat een forse straf deze gunstige ontwikkeling zal doorbreken en tot staan zal brengen. Hetzelfde geldt voor afkick processen die net zo fijn op gang beginnen te komen. Ook het rijbewijs kan zelden worden gemist. Ook als men geen werk heeft, is er altijd wel iets te bedenken waarom een ontzegging achterwege moet blijven.

Door op al deze argumenten in te gaan, hangen openbaar ministerie en rechter de psycholoog uit die ze niet zijn, net zo min als trouwens de medewerkers van de reclassering en de verslaafdenzorg en niet te vergeten de raadsman. Goede bedoelingen kunnen hun (meestal) niet worden ontzegd, maar dat is wat anders dan een deskundig oordeel. Er wordt, kortom, heel wat onzin verkondigd – en geloofd – bij de dader gerichte straftoemeting.

Al doende is er zo een heel cluster van overwegingen ontstaan dat de essentie van de straf, boete doen, vrijwel geheel heeft verdrongen en al dat gepsychologiseer heeft er bovendien toe geleid dat ons land momenteel het op na mildste strafklimaat heeft in heel Europa en dat de rechter gemiddeld nog geen 10% van de strafrechtelijke bandbreedte benut, die hem door de wetgever is toegekend.

Ter illustratie nog een paar cijfers. In 2015 legde de rechter in totaal 93.000 hoofdstraffen op: 30% daarvan was een geldboete, 32% een taakstraf en 36% een gevangenisstraf. 38% van al die straffen werd deels voorwaardelijk opgelegd. Bij de gevangenisstraf was dat zelfs 55%. Meer dan een derde van die gevangenisstraffen was zelfs geheel voorwaardelijk. Het lijkt erop dat de Nederlandse (politie)rechter een waarschuwer is geworden in plaats van een straffer. En als er dan (echt) gestraft wordt, onvoorwaardelijk dus, dan blijkt dat van de geldboetes 58% lager is dan 450 euro en maar 8% hoger dan 1000; dat de taakstraf in 72% van de gevallen korter is dan 60 uur en in 7% langer dan 120 uur en dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf in 54% van de gevallen korter is dan 3 maanden, in bijna 8% gelijk of langer dan een jaar is en in 2.7% van alle zaken, 591 gevallen, 3 jaar of meer bedraagt.

Mooi, zou men kunnen zeggen, een teken van beschaving. Maar dat is nog maar de vraag, want onwillekeurig worden er in deze benadering heel wat belangen van anderen over het hoofd gezien en heel wat mogelijke andere effecten van de strafoplegging genegeerd. Natuurlijk, de positie van het slachtoffer is verbeterd. In grote strafzaken wordt daar tegenwoordig veel aandacht aan besteed, maar bij de politierechter wordt een interventie van het slachtoffer toch nog te veel als een hinderlijke onderbreking gezien van de relatief korte tijd die voor de zaak is uitgetrokken.

De andere doelgroepen van het strafrechtelijk optreden komen echter tijdens de politierechter zitting nauwelijks aan bod. De generale preventie, vroeger een belangrijk aandachtspunt bij de straftoemeting lijkt wel helemaal verdwenen en dat is niet gebeurd op grond van kennis over het gebrek aan effectiviteit ervan, maar uitsluitend op basis van een doorgeschoten dadercentrisme.

Potentiële daders vormen aldus een verwaarloosde groep. En ook de nette burger is uit beeld verdwenen. Weinig rechters en officieren vragen zich af welke indruk de sanctie die ze, na de dader uitvoerig te hebben beschouwd, op die andere doelgroepen maken.

Als de focus verandert en niet langer de dader, maar het slachtoffer en de samenleving centraal komen te staan bij de vraag welke straf passend is, komen heel andere vragen aan de orde.

Hoe de beklaagde tot zijn daad is gekomen wordt opeens veel minder relevant.
“Tou moar, t’is beurd” zoals ik een Gronings sprekende verdachte eens hoorde zeggen in antwoord op de vraag van de strafkamer voorzitter, waarom hij het had gedaan, is een antwoord dat in het nieuwe perspectief volstaat. Er is een misdrijf gepleegd en daarop moet een passende reactie volgen. Een sanctie die recht doet aan de schade die het slachtoffer is berokkend en aan de onrust die in de samenleving is ontstaan, maar ook aan mogelijke normvervaging die het gevolg is van het misdrijf. Het wrekende karakter van het strafrecht komt weer centraal te staan.

Dat betekent uiteraard niet dat het slachtoffer zich persoonlijk mag wreken op de dader. Daarvoor is nu juist het strafrecht uitgevonden. Maar dan moet het ook als zodanig worden gebruikt. Geïnstitutionaliseerde vergelding en gekanaliseerde “wraak” dat is de essentie van het strafrecht.

Zo’n strafrecht zorgt ervoor dat de dader van het misdrijf, die zich immers door zijn gedrag buiten de wet heeft geplaatst, weer op zijn plaats wordt gezet, terecht wordt gezet. Dat moet in het openbaar gebeuren zodat het slachtoffer, de omstanders en de samenleving als geheel, daarvan ook kennis kunnen nemen. De rechter vraagt zich in de eerste plaats af hoe hij de normbevestigende en/of normherstellende werking van de straf kan maximaliseren, uiteraard binnen de grenzen van de schuld van de dader; dan komt uitvoerig de vraag aan de orde wat er moet gebeuren om het slachtoffer te apaiseren en ervoor te zorgen dat die niet zelf de geschonden norm overboord zet; ook de vraag welke indruk de op te leggen sanctie zal maken op diegenen, de potentiële daders, die deze norm al hebben losgelaten en alleen nog door een kosten/baten afweging, van het plegen van misdrijven afzien, moet worden beantwoord.

Pas dan, als de ernst van het feit terdege is geïnventariseerd en besproken en alle omstandigheden de revue zijn gepasseerd, komt de persoon van de dader aan de orde. Dan pas kan de vraag op komen of deze dader niet meer dan gemiddeld wordt getroffen door de sanctie, die doorgaans bij een misdrijf als het onderhavige wordt opgelegd. Maar dat is het dan ook wat de aandacht voor de persoon van de dader betreft.

Naar mijn stellige overtuiging zal een overgang naar de hierboven bepleite werkwijze een aanzienlijke opwaartse druk betekenen voor de op te leggen sancties. Daar is niets op tegen. Die zijn ook veel te laag ondanks alles wat de rechters hebben betoogd in het toenmalige debat over de minimumsancties. Als men de invoering van die sancties wil vermijden, zou men er goed aan doen de koers bij de strafoplegging te wijzigen en de slappe koek van de taakstraffen te vervangen door degelijke vrijheidsstraffen, niet voorwaardelijk, dat spreekt. De gevangeniscapaciteit kan het probleem niet zijn. Er zijn meer dan voldoende lege cellen.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie