De gevolgen van doorgeschoten kwaliteitscontrole voor de rechtsgang rond pro justitia rapportages in het strafrecht

Door Wim Canton

Inleiding
Er bestaan toenemende problemen met de doorlooptijden in strafzaken. In een aantal arrondissementen loopt een groot deel van de zittingen waarbij een rapportage Pro Justitia wordt geschreven door een gedragskundige vertraging op. Deze vertraging hangt onder andere samen met de wijze waarop het rapportageproces op dit moment door het NIFP geregeld is. Een aantal kwaliteitsprocedures rond matching van en feedback op de rapportages kost veel tijd en draagt bij aan de problemen met de doorlooptijden. De vraag is of de mogelijke kwaliteitswinst ten gevolge van deze procedures opweegt tegen de grote financiële en maatschappelijke gevolgen van het verlengen van de doorlooptijden.

De historie van de pro justitia rapportage

In ongeveer 25% van alle zaken die voor de meervoudige strafkamer komen wordt de rechtbank voorgelicht door een gedragskundige. Deze moet antwoord geven op de vraag of er sprake was van een stoornis ten tijde van het tenlastegelegde, of deze stoornis invloed had op het al dan niet (of in verminderde mate) toerekenen van het tenlastegelegde, hoe het risico op herhaling van strafbare feiten in te schatten is en wat er gedaan zou kunnen worden om dit risico te verminderen.

Het schrijven van rapportages was tot het midden van de jaren negentig van de vorige eeuw een weinig ontgonnen en slechts in beperkte mate wetenschappelijk onderbouwd gebeuren. Sinds die tijd is er veel gebeurd om de kwaliteit van de rapportages te verbeteren.

– Een eerste belangrijke stap in het verbeteren van het rapportageproces was de ontwikkeling van een gestandaardiseerde vraagstelling. Deze vraagstelling had een logische opbouw (diagnostiek-toerekenen-risicoanalyse-risicomanagement) en dwong de rapporteur op een aantal vragen een goed onderbouwd antwoord te geven.

– Een volgende stap was het ontwikkelen van rapportageformats. Deze hebben geleid tot meer volledigheid en eenvormigheid van de rapporten.

– Uit (promotie)onderzoek van W. van Kordelaar kwam naar voren dat de indicatiestelling voor pro justitia rapportages onduidelijk en niet eenvormig was in de verschillende arrondissementen. Hij ontwikkelde een indicatiestellingsinstrument (BOOG), waarmee de opdrachtgever op een gesystematiseerde wijze kan beslissen of een rapportage geïndiceerd is en zo ja in welke vorm (enkelvoudig, dubbel, tripel, klinisch).

– Belangrijk was ook het bieden van een gerichte opleiding aan rapporteurs. In deze opleiding komen specifiek forensische onderwerpen aan de orde. Duidelijk is dat het niet voldoende is om alleen psychiater of psycholoog te zijn en dat specifieke forensische kennis onontbeerlijk is om een goed rapport te kunnen schrijven. De opleiding is in de loop van de jaren aanzienlijk uitgebreid en verder geprofessionaliseerd. Alleen gedragsdeskundigen die de opleiding hebben doorlopen kunnen in het NRGD geregistreerd worden.

– De kwaliteit van de rapporten nam verder toe door de ontwikkeling van risicotaxatie instrumenten. Deze hebben er toe geleid dat de risico’s op nieuwe delicten beter in te schatten zijn en dat met name de factoren die bijdragen aan dit risico goed in kaart te brengen zijn. Hierdoor kan ook gerichter geadviseerd worden wat er aan behandeling nodig is, teneinde het recidiverisico te verkleinen.

– Enkele jaren geleden is een Richtlijn Pro Justitia Rapportage geschreven onder auspiciën van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie. De richtlijn is op een multidisciplinaire wijze tot stand gekomen en heeft de status van een officiële richtlijn van een beroepsvereniging. Er bestaat ook een soortgelijk document voor psychologen, dat echter niet de status heeft van een door de beroepsvereniging erkende richtlijn (wel een “best practice”).

– Een laatste stap in de verbetering van de kwaliteit van de rapportages is het tot stand komen van het Nederlands Register voor Gerechtelijk Deskundigen (NRGD). Dit register stelt hoge eisen aan de kwaliteit van de rapporteurs. Ongeveer 10% van de bestaande rapporteurs heeft niet aan de eisen van het NRGD kunnen voldoen. De registratie geldt inmiddels voor 5 jaar en om voor herregistratie in aanmerking te komen moet de rapporteur aan een aantal eisen voldoen (nascholing, intervisie, minimaal aantal rapporten per jaar, beoordeling van een aantal rapporten door beoordelingscommissie van NRGD), bovenop de verplichtingen die hij/zij heeft voor de herregistratie binnen de eigen beroepsgroep.

Op basis van het bovenstaande ontwikkeling is het niet vreemd om te veronderstellen dat een rapporteur in staat zou moeten zijn om zelfstandig een goed onderbouwd en voor de rechtbank relevant rapport te schrijven. Ter vergelijking: Een psychiater of een GZ-psycholoog kan in de behandelsetting ook zelfstandig indicaties stellen en mensen behandelen, zonder bij ieder individueel geval door collega’s getoetst te worden.

De rol van het NIFP in het rapportageproces
Wettelijk gezien geeft het Openbaar Ministerie de opdracht aan een gedragskundige om een rapport te schrijven en is deze gedragsdeskundige professioneel verantwoordelijk voor de inhoud van zijn rapport. Het finale oordeel over de kwaliteit van het geleverde werk is uiteindelijk aan de gebruiker van het rapport, dus de rechter.

Het NIFP heeft in de afgelopen decennia een belangrijke rol gespeeld in het rapportageproces. In eerste instantie de psychiaters en later ook de psychologen en juristen van het NIFP hebben in grote mate bijgedragen aan de eerste vier punten die in de vorige paragraaf beschreven zijn. Ook kreeg het NIFP een steeds meer prominente plaats in het tot stand komen van de rapportages. De verschillende locaties van het NIFP beheren een “pool” van rapporteurs. In de loop van de jaren is het beleid ontstaan, waarbij de Officier van Justitie bij het NIFP aangeeft dat er een rapportage gevraagd wordt, waarna het NIFP op basis van de stukken een geschikte rapporteur bij deze zaak zoekt. Dit proces wordt “matching” genoemd. Als de rapporteur zijn rapport geschreven heeft, dan levert hij/zij dit niet rechtstreeks in bij de opdrachtgever, maar stuurt dit eerst naar het NIFP. Daar wordt het rapport gelezen door een vakgenoot en door een jurist, die beiden feedback geven. Pas nadat de rapporteur de feedback heeft ontvangen (en eventueel in het rapport heeft verwerkt) stuurt deze het definitieve rapport in naar het NIFP, die voor de verzending naar de opdrachtgever zorgt.

Uit recent onderzoek van het NIFP blijkt dat de kwaliteit van rapportages in meer dan 97% als voldoende wordt beoordeeld. Het proces van matching en feedback neemt de nodige tijd (enkele weken) in beslag. De vraag is of de vermeende kwaliteitsverbetering door matching en feedback opweegt tegen de negatieve gevolgen van de doorlooptijden. Als een geplande zitting niet door kan gaan, omdat een rapport nog niet beschikbaar is, dan heeft dat de nodige negatieve consequenties. Verdachten zitten langer in voorarrest, slachtoffers zitten langer in spanning en mensen moeten worden doorbetaald terwijl ze niet productief zijn. Het is ergerlijk en inefficiënt.

Beschouwing
Van gedragsdeskundigen die geregistreerd staan in het NRGD mag verwacht worden dat ze zelfstandig een adequaat rapport over een verdachte in een strafzaak kunnen schrijven. De indicatie voor een rapportage kan met behulp van BOOG door het OM plaatsvinden. De rapporteur is goed opgeleid, er is een duidelijke vraagstelling, er bestaan goede formats en richtlijnen en er zijn voldoende waarborgen dat de deskundigheid van de rapporteur up to date gehouden wordt door de eisen van de (her)registratie bij het NRGD. Uit recent onderzoek van het NIFP komt ook naar voren dat de kwaliteit van de rapporten in het overgrote deel van de gevallen voldoende is. Voor de nabije toekomst is een (te onderzoeken) vraag of de begeleiding van het rapportageproces, zoals dit nu door het NIFP vormgegeven wordt, niet een sta in de weg is geworden voor een kwalitatief verantwoorde voortvarende strafrechtspleging. In het publieke domein in het algemeen wordt steeds meer een connotatie van controlebehoefte en bureaucratisering opgeworpen. Daarmee is niet gezegd dat er door betrokken instanties zoals het NIFP niet met de beste bedoelingen wordt gewerkt, maar de voorliggende en in evaluaties onderbelichte vraag is of een valide, verantwoorde en voortvarende strafrechtspleging is gebaat bij extra remmende lagen, waarvan te weinig meer wordt geproblematiseerd of deze extra laag betekenis heeft ten opzichte van de zware eisen en toetsmomenten die ik hierboven heb geschetst.

Een mogelijkheid om de bovenstaande vragen op een valide wijze te beantwoorden is het onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie ontwikkelen van een pilotstudie, waarin een kleine groep rapporteurs rechtstreeks (zonder bemiddeling door het NIFP) door de officier van justitie kan worden benaderd met een rapportageopdracht en waarbij het rapport ook rechtstreeks aan de opdrachtgever wordt geleverd. Het is interessant om te onderzoeken of de problemen met de doorlooptijden op deze wijze kunnen worden verminderd en of de kwaliteit van de rapporten door de gebruikers hiervan anders wordt beoordeeld dan de rapporten die via het NIFP worden geleverd.

Wim Canton
Vrijgevestigd psychiater, deskundige bij de Penitentiaire Kamer en Pro Justitia rapporteur