Moet groepsbelediging echt strafbaar blijven?

Het is jammer dat het onlangs in de Tweede Kamer besproken initiatiefvoorstel tot het schrappen van artikel 137c Wetboek van Strafrecht (Sr) door allerlei politieke en maatschappelijke verwikkelingen in een verkeerd daglicht was komen te staan en mede als gevolg daarvan werd afgeschoten. Voor de afschaffing van die bepaling, die belediging van een aantal groepen mensen strafbaar stelt, was en is namelijk best iets te zeggen. Aan het begin van deze eeuw heb ik er al een keer voor gepleit (in: Opgehaalde schouders en lange tenen: Moet belediging van groepen strafbaar blijven? In: A.W. Hins en A.J. Nieuwenhuis (red.), Van ontvanger naar zender, Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.M. de Meij – Otto Cramwinckel Uitgever 2003). Veel van de argumenten die toen opgingen, gelden vandaag de dag nog steeds.

Voorop staat dat wij groepsbelediging niet strafbaar hoeven stellen. Het Internationale Verdrag tot Uitbanning van Racisme (IVUR 1966) legt ons alleen de verplichting op het aanzetten haat en discriminatie tegen bepaalde categorieën mensen aan te pakken. Daaraan voldoen wij met artikel 137d Sr en het grootste deel van artikel 137e Sr en ik zie geen reden niet daaraan vast te houden. De bepaling over groepsbelediging leidt echter tot een ongewenste ongelijkheid en een verstikking van sommige soorten maatschappelijke discussie. De toon speelt daarbij soms een grotere rol dan de inhoud, maar de muziek is in Nederland nu eenmaal niet altijd even tonaal en harmonisch. We moeten ook niet vergeten dat uitlatingen die “offend, shock or disturb”, volgens standaardrechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) onder artikel 10 van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) bescherming ondervinden.

Waarom bestond in 2003 aanleiding de afschaffing van de strafbaarstelling van groepsbelediging te bepleiten? De rechtspraak uit die periode leerde dat bij de toepassing van art. 137c bepaalde groepen mensen dubbele bescherming genoten, voor een deel zelfs ten koste van een andere onder die bepaling vallende categorie. Zo kon je met een – soms flinterdun – beroep op je religieuze overtuiging homo’s beledigen, terwijl iets dergelijks in omgekeerde richting niet goed denkbaar was.
Voorbeelden zijn het ontslag van rechtsvervolging in 2001 van een RPF-politicus (“Ja, waarom zou een praktiserend homoseksueel beter zijn dan een dief?”), de vrijspraak in 2001 van een politie-inspecteur (“Homoseksualiteit wordt gelijk gesteld aan heteroseksualiteit. Dat is zo ongeveer diefstal gelijk stellen met het schenkingsrecht of mishandeling met verpleging.”) en de vrijspraak in 2002 van een imam (“Homoseksualiteit is een besmettelijke ziekte en schadelijk voor de Nederlandse samenleving.”). Zij werden beschuldigd van het beledigen van groepen homo’s wegens hun seksuele gerichtheid.
Alle drie kwamen met hun uitlatingen weg, omdat ze zich op hun religieuze overtuiging beriepen. Het is dan ook wat wonderlijk dat de fractieleider van het CDA bij de recente behandeling van het hierboven genoemde wetsvoorstel betoogde dat de afschaffing van art. 137c homo’s aan belediging zou blootstellen.

In die jaren kregen rechters ook zaken te behandelen waarbij holocaustontkenners – vanwege belediging van joden – werden veroordeeld. Bekend was een echtpaar op de Veluwe, dat zich ter rechtvaardiging van dat soort uitlatingen op de theologie beriep. Terecht merkte de advocaat-generaal in zijn advies aan de Hoge Raad op dat de uitingen van het echtpaar zo bizar waren dat daarvoor “geen enkele Schriftgeleerde rechtvaardiging denkbaar is”. Niettemin is het wonderlijk dat de Hoge Raad dat beroep in dit geval niet honoreerde, terwijl de hiervoor geciteerde uitingen over homo’s nauwelijks minder bizar zijn. In 2013 maakte ik deel uit van een MK-combi die overwoog dat de verdachte holocaustontkenner beter kon worden genegeerd, omdat iedereen wist dat wat hij beweerde, onzin was. Door zo iemand in het verdachtenbankje te plaatsen geef je hem ook nog een extra podium (ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ8977). De wens dit soort vervolgingen mogelijk te blijven maken, was in de Tweede Kamer een van de argumenten voor het behoud van art. 137c Sr.

Het is ook de vraag of groepen die de bescherming van art. 137c ondervinden, deze wel nodig hebben. Zo vroeg een annotator zich in 1998 in de zaak van de RPF-politicus af: “De positie van homo’s in de Nederlandse samenleving is toch niet zo zwak dat zij nog door het strafrecht beschermd moeten worden tegen uitlatingen als [deze], die slechts door een minderheid gedeeld worden?” Datzelfde kan men van andere groepen zeggen, en gezien de beschikbaarheid van sociale media misschien nog wel in sterkere mate dan in 1998.

Je bent zo beledigd als je wilt. Je kunt ook je schouders ophalen en erop vertrouwen dat de maatschappij op een andere manier tegenwicht biedt. Aangifte doen is niet de enige remedie. De Hoge Raad heeft de toepassing van art. 137c Sr in 2009 al begrensd door te bepalen dat instituten niet als groepen mensen kunnen worden beschouwd. Uiteindelijk hebben we met een beperking van de uitingsvrijheid te maken. Het zal dan ook interessant zijn af te wachten of de uitbreiding van het begrip ras tot nationaliteit of nationale afkomst, zoals de rechtbank Den Haag deze onlangs heeft toegepast, in dat licht bezien zal standhouden.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter Rechtbank Amsterdam