Pleidooi voor ritualisering in de strafrechtsbeoefening

In een schitterende biografie van Thomas More van Peter Ackroyd beschrijft de biograaf in het elfde hoofdstuk hoe de kerkgang rond 1500 plaatsvond. Een drukte van jewelste, volk dat zich verdringt op verschillende plaatsen in de kerk waar de hostie wordt getoond, het moment suprême van de eredienst. Zijn beschrijvingen zijn zo levendig dat het beschrevene zich als het ware aan je oog voltrekt. De kerk, het beleden en gevisualiseerde geloof, worden getoond, meegemaakt, beleefd en geconsumeerd. Er is sprake van rituelen die geworteld zijn in oude tradities en de gelovigen krijgen dat ook mee. Inmiddels bijkans twee millennia in het latijn, met een priester die met de rug naar de gelovigen zijn devotie tot uitdrukking brengt richting het altaar en die ook zelf onderhorig is aan het geheimnisvolle dat zich op dat moment voltrekt. De beschrijvingen raakten en ontroerden mij op een wijze die ik aanvankelijk alleen duidde door de verhalende schrijfstijl. Bij nader inzien denk ik dat ik ook geraakt werd door het conflict in tijdbeeld. Rituelen en tradities worden anno 2016 niet per definitie koesterend beschreven, het is niet voor niets dat geschreven wordt over rituele dansen en ritualisering, wat meestal borg staat voor afkeurenswaardig of onwaarachtig. Ik denk daar anders over en meen dat rituelen een samenbindend vermogen hebben, in brede zin, maar zeker ook in het recht. Ook het strafrecht wordt gekenmerkt door rituelen. Bij de bewijsvoering gaat het niet langer om de kroon van de bekentenis maar om zaken als het verhoren van getuigen en verdachten en sporenonderzoek. Dat verhoor wordt steevast voorafgegaan door de cautie, waarbij de verdachte wordt meegegeven dat hij niet hoeft te verklaren. Voor veel toehoorders of verhoorders mogelijk een rituele dans (geworden), maar een waarachtig ritueel als gedurende het verhoor zoveel mogelijk wordt vermeden een onaanvaardbare druk uit te oefenen. Het ritueel van de cautie leert daarmee ook iets over de intentionele gerichtheid van de toepasser, alsof het geven van de cautie ook een eigen voornemen is.

Bij krachtige rituelen, uitgedragen door de vertolker en gedragen door de omstanders, is er bijkans blind vertrouwen dat het ritueel groter en betekenisvoller is dan de per definitie gebrekkige aardling die als priester, koning of rechter tijdelijk als intermediair tussen hogere orde en individuele god- of rechtszoeker opereert. Dat vertrouwen is veranderd. Er wordt meer aan gezag getwijfeld, de persoon van de bedienaar van het geloof of van het recht wordt betwijfeld, de gehele eredienst wordt sinds vele decennia meer onder de loep van het publieke oordeel gelegd. Komt de bedienaar van het recht zuiver over, manifesteert hij zich overtuigend, motiveert hij afdoende de gekozen geloofs- of juridische oplossing? Niet omdat het geloof of het recht niet meer nodig is of er geen behoefte meer aan is. Integendeel. Inmiddels lijkt (de behoefte aan) geloof weer vaste voet aan wal te hebben verworven. Dat is goed en moeilijk nieuws tegelijk. Goed omdat het leert dat geloof en recht onlosmakelijke onderdelen van onze cultuur zijn en veel burgers behoefte voelen om gericht te worden. Moeilijk, omdat dat richten niet meer plaatsvindt via tradities en vertrouwde rituelen die de boodschap rechtstreeks laten landen. Het heeft niet zoveel zin om daarover te treuren. Wat voorbij is, komt niet weerom. Wel is het een prangende vraag hoe we aan de behoefte aan tradities en rituelen tegemoetkomen. Niet om de gelovigen en de justitiabelen beter te kunnen entertainen maar om de verbinding met het hogere goed van de religieuze of juridische rechtsbedeling tot stand te brengen.
Daarin doet zich een probleem voor waarop we nog geen antwoord hebben gevonden. De strafrechtspraak lijkt zich in de afgelopen decennia te marginaliseren, althans er worden steeds minder zaken afgedaan, waarbij de vonnissen en de arresten vaak niet het predicaat tijdigheid verdienen. Dat niet alleen, de berechting vindt meestal plaats in vrijwel lege zittingzalen en op kousenvoeten, uit bezorgdheid voor wraking. Ook de uitspraak van vonnissen en arresten vindt zonder veel verdachten plaats. Waar de rechtspraak kampt met een publiekloze voorstelling is het bij het openbaar ministerie en bij de bestuursorganen, die samen het leeuwendeel van de conflictbeslechtingen voor hun rekening nemen, niet veel anders. Dat is echter niet zo gek, want de afdoening van zaken door het Openbaar Ministerie vindt niet in het openbaar plaats.
De conflictbeslechting is verzakelijkt. Evenmin gek, want de moderne behoefte is een tijdig antwoord op de vraag naar het daderschap: heeft de verdachte het gedaan en waar kunnen het slachtoffer en de rechtsorde op rekenen? Bij een verzakelijkte berechting en beslechting van het rechtsgeding heeft het geen zin om terug te keren naar een openbare berechting door de rechter die de tijdigheid niet (meer) kan garanderen en bij wie de rituelen van weleer minder in de rechtszaal zijn gaan thuishoren. Ik vraag me af of een keerzijde van een verzakelijkte conflictbeslechting niet impliciet meebrengt dat nuttige rituelen achterwaarts wijken.

Laatst las ik Katoen van Beckert die op een pijnlijke wijze inzichtelijk maakt hoe de verschuiving van de katoenindustrie naar Azië is verlopen. Schoksgewijs, maar desalniettemin in slechts enkele decennia, was Engeland van wereldnatie een gewoon land geworden. Hetzelfde lijkt plaats te vinden in de rechtspraak. Met behulp van het Europese Hof voor de Rechten voor de Mens en de wetgever wordt niet meer gekeken naar de berechting in mooi aangeklede rechtszalen, maar wordt zakelijk geoordeeld of een conflictbeslechting met voldoende minimumwaarborgen een fair proces oplevert, ongeacht de vraag of dat proces nu door de rechter of door de officier van justitie wordt geleid. Jaarlijks wordt er in niet meer dan 3000 strafzaken nog een vrijheidsbenemende straf gevorderd en opgelegd van langer dan een jaar. De vergelijking met de verplaatsing van de katoenindustrie drong zich bij me op omdat hoe meer de westerse arbeiders zich beklaagden over de arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden, hoe sneller het marktaandeel afkalfde. Hoe meer rechters zich manifesteren over op het eerste gezicht secundaire en ondergeschikte facetten van hun werk, hoe sneller zaken worden overgeheveld, dat zou de stelling kunnen zijn.
Ik heb nooit zo’n moeite gehad met verzakelijking en schaalvergroting. Het zijn slechts vormen, waarbinnen zich een uitstekende rechtsbedeling kan voltrekken. Ik huldig al lange tijd de stelling dat elke vrijheid zich optimaal voltrekt binnen de beperking. De rechtsbedeling moet echter wel plaatsvinden vanuit de klassieke traditie dat de burger, de gelovige of de rechtzoekende behoefte heeft aan rituelen waarmee zowel bedienaar als justitiabele zicht behouden op de grotere en duizenden jaren oude rechtsbedeling die als groter bindmiddel een samenleving bij elkaar houdt. En dat niet alleen, rituelen staan voor een inhoudelijk dogma of leerstuk, voor een wezenlijk aspect, die van betekenis zijn voor willekeurig modernisering van de rechtsbedeling, wat meebrengt dat rituelen behouden moeten blijven, Dat – ritualiserende – bindmiddel bestaat in beginsel niet uit priesters, officieren van justitie, advocaten en rechters die tijdens hun ‘dienst’ maar wat doen, dat levert potjeslatijn op
Het latijn genereerde vroeger een kloof of afstand jegens de kerkganger. Sterker nog, die afstand was lange tijd het benodigde bindmiddel tussen ‘gastheer’ en ‘bezoeker’ en bestond juist uit het respecteren van de kloof en de afstand met een vaste taal en onveranderlijke wezensvragen. In het recht draait dit fenomeen immer om de vraag naar de schuld en de straf. Anno 2016 maakt het in het recht, zeker waar het gaat om de eenvoudiger zaken, steeds minder uit wie die rechtsbedeling vertolkt, een rechter, een officier of wie weet welke functionaris er later nog ontstaat, maar mij lijkt aannemelijk dat de vertolker en de justitiabele het niet zullen kunnen stellen zonder rituelen of tradities. Hoe scheppen we nieuwe – zinvolle – tradities die op de schouders van de vorige staan en die herkend en erkend worden door de verdachten? De officier van justitie moet bij het opleggen van strafbeschikking niet optreden als een rechter, hij is dat immers niet, hij moet niet elke verdachte horen, dat is verdragsrechtelijk of wetgevingstechnisch niet verplicht, maar mogelijk ligt er een nieuwe traditie verscholen in vaste motiveringsteksten die duidelijk maken waarom er wel of niet schuld wordt vastgesteld (sepot) of straf wordt opgelegd. Omdat er rond schuldvaststelling of strafoplegging indringender behoefte aan transparantie ontstaat dan in vroeger tijden, zijn er nieuwe rituelen nodig die zowel vorm als inhoud samenbrengen, in het bijzonder waar het gaat om het motiveren van de beslissing. Daarover het volgende.

Willen publieke organen in de eenentwintigste eeuw een nieuwe traditie- en betekenisvolle plaats in het domein van conflictbeslechting verwerven en duidelijk maken dat men een waardig opvolger is van de rechtspraak, dan komt het aan op standaarden en uniformering, waarmee wereldkerken groot zijn geworden, en komt het minder aan op individualisering. Met uitzondering natuurlijk van de inhoudelijke kant van het werk zelf. Dat is vaak maatwerk en is gebonden aan de vakinhoudelijke verantwoordelijkheid van de priester, de magistraat of de arts. Mijn betoog richt dus minder op de inhoud van de beslissing, maar op de vormgeving, omgeving en zingeving van de wijze waarop de boodschap van de beslissing wordt meegeven aan de verdachte en de omgeving.
Hoogopgeleide professionals in het publieke domein stellen nogal eens dat ze eigenheid in het werk zoeken, een stempel willen zetten op hun werk, eigen inschattingen en eigen best practices scharen onder de autonomie waarmee ze hun verantwoordelijke werk willen verrichten. Daarbij lijkt veronachtzaamd te worden dat de ritueel aandoende normaliteitssyllogismen die de magistratuur benut bij het vormgeven van het (voorwaardelijk) opzet, de causaliteit, de culpavaststellingen, de Garantenstellung en zo verder, vaste bouwstenen vormen in het materiële strafrecht. Ook in het formele strafrecht zijn er wettelijke en jurisprudentiële rituelen die niet veronachtzaamd mogen worden wil er sprake zijn van een fair proces. Ik laat de interessante vraag buiten beschouwing of rites, rituelen en tradities alleen op taal of vorm zien, maar ook op inhoud, want vorm en inhoud zijn anders dan het soms mag lijken met elkaar verklonken.

Kunnen deze terechte standaardisering en uniformering niet eveneens worden toegepast op de wijze waarop magistraten in hun strafkerk justitiabelen bejegenen, slachtoffers spreken, een rol op de zitting vervullen, tot een strafbeschikking komen enz. Ik schat in dat er de afgelopen halve eeuw al zeer veel oneffenheden en deviaties in de strafrechtspraktijk zijn verdwenen.
Waarom zou dat dan niet mogelijk zijn in de organisatie van de strafrechtspraktijk en waarom tobben over de huidige manifesten en rimpelingen binnen de rechterlijke organisatie? De bouwstenen van vonnissen en arresten bijvoorbeeld zijn al zodanig geharmoniseerd dat er vrijwel geen rechter meer te vinden is die nog eigenstandige kwalificaties van strafbare feiten verzint en opschrijft in een vonnis. Net als in de mondiale productie van goederen moeten we daarom in onze strafrechtspraktijk leren dat het nabootsen van andermans werkwijzen en het afstand doen van onze eigen vermeend betere scheppingen geen verlies maar juist een bijdrage levert aan professionele standaarden. Dat niet alleen, het overnemen van andermans frame heeft niet alleen vaklieden maar ook werelddelen zoals Azië groot gemaakt. Een standaard is niet persoonsgebonden, een standaard is een ritueel dat we van anderen afkijken en doorgeven. De juridische kerk herbergt juridische rituelen die de juridische bezoekers van de strafkerk vertrouwde, voorspelbare en berekenbare bouwstenen leveren, die in zekere zin lijken op de rituelen van vroeger tijden in kerk, recht en de rest van het publieke domein.

De spannende vraag is of we in de wijze waarop we juridisch en organisatorisch het magistratendom vormgeven niet nieuwe rituelen moeten ontwikkelen. Nieuwe en vaste vormen genereren bij voldoende consistentie en bestendiging nieuwe tradities en rituelen die het bestaansrecht van nieuwe conflictbeslechters op het publieke speelveld verstevigen. Ik stel de vraag, het antwoord weet ik niet. Dat past ook wel een beetje bij de terugblik en zoektocht van de decembermaand.

Rinus Otte
Hoogleraar Organisatie rechtspleging RUG en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie