Keffende strategen

“Een advocaat die niet van te voren informeert wie de zittingsrechters zijn, doet zijn werk niet goed”, hield een rechter ons cursisten vorige week voor, wat mij op slag onrustig maakte want dat vraag ik maar zelden. Maar inderdaad speelt (juist) in strafrechtland de menselijke factor ongetwijfeld een grote rol. Het maakt heel wat uit of je één van die minzaam knikkende maar hard afrekenende sfinxen treft, of de over-assertieve Amsterdamse voorzitter die onder het uitzenden van borende blikken over zijn bril al na twee zinnen de poten onder je pleidooi wegzaagt, maar wel de discussie opengooit en naar mijn ervaring verdachten vaker niet dan wel onder uit de zak geeft (ik verdenk hem ervan dat hij niet tegen saaie zittingen kan).

Ook kan het nuttig zijn medepleiters bezig te zien, vooral als ze het als over een andere boeg gooien. Ik zie mezelf als het calculerende type: bedenken waar je met de zaak uit wil komen en focussen op de stappen die daar leiden. Dat mag een open deur zijn, maar sommige confrères lijken hun taak heel anders op te vatten. Je hebt ze die zich als het ware naast de voorzitter plaatsen en veel tijd besteden aan het zo uitvoerig en neutraal mogelijk samenvatten van het dossier. Aan het andere uiterste heb ik de werkwijze van de immer op ontploffen staande veteraan uit Wijk bij Duurstede wel met onbegrip bekeken, tot ik eens meemaakte hoe hij door oeverloos sarren aan twee Duitse informantenrunners een leerzame boze uitbarsting wist te ontlokken. Zo kon het dus ook.

Een collega van het genre ‘eerst schieten, dan praten’ mocht ik onlangs wat langer van dichtbij meemaken. Zonder angst voor verveling, want niets wat bewoog was veilig en geen kans op conflict liet ze onbenut passeren. Getuigenverhoren liepen doorlopend uit op (verschillende gradaties van) ruzie met de rechter-commissaris. Het dictaat werd tot aan de alinea-indeling toe betwist. Welk format een deskundige-oordeel kon hebben (brief-, dan wel rapport-vorm): bonje. In de politieverhoren figureerde zij bijna nog meer dan haar cliënt, terwijl ik daar voornamelijk de stille vennoot had gespeeld zolang alles volgens verwachting verliep. De officier van justitie begon de advocatuur te mijden want ook een praatje bij het koffieapparaat eindige regelmatig met stemverheffing.

Lange dagen waren dat. Toch zette haar aanpak me na enige tijd (en ergernis) ook wel aan het denken. Ik realiseerde me dat ik mijn blik wel erg stevig op het einddoel gericht hield volgens het motto: zo lang het de goede kant opgaat, niet teveel roeren. De collega daarentegen vatte haar taak als procesbewaker vooral op als vuurspuwende beroeps-tegenspreker. Waar ook wel wat voor te zeggen is, alleen al omdat je niet precies kunt voorzien welke kant een zaak opgaat en welke details uiteindelijk nog belangrijk gaan worden. En natuurlijk horen veel cliënten het stemgeluid van hun advocaat graag veelvuldig weerklinken.

Eén illustratie nog. Tijdens één van de intensieve verhoren liet de politie een telefoontap horen die niet echt met de zaak te maken had, maar voor mijn cliënt pijnlijke informatie over zijn moeder bevatte. De nauwelijks verhulde bedoeling: hem onderuit krijgen. Zijn reactie was in mijn ogen excellent: authentiek boos en geëmotioneerd, maar ongebroken, waardoor zijn positie aan geloofwaardigheid won. Ik zat erbij en tekende in gedachten een puntje voor de verdediging aan.

Als die collega zijn raadsvrouw was geweest, weet ik zeker dat het dak van het politiebureau was afgevlogen. Daar gaf het schunnige opzetje (in de ogen van de politie ongetwijfeld gerechtvaardigd door de zwaarte van de verdenking) ook alle reden toe. En mijn cliënt zou een boze ingreep mijnerzijds vast als een menselijke steun in de rug hebben ervaren. Maar ik dacht aan de zaak en hield mijn mond.

De ideale advocaat is een waakhond met twee koppen: een keffer en een strateeg. De kunst is natuurlijk te weten wanneer die twee elkaar naar de keel dreigen te vliegen.

Vasco Groeneveld
Strafpleiter bij Plasman cs advocaten