De brief amicus curiae: niet ook maar een mening

“Wat zou jij doen, als je als rechter in een lopende procedure een schriftelijk stuk van een derde zou ontvangen met het verzoek zijn standpunt in het geding mee te wegen?” vroeg een van mijn Amerikaanse vrienden mij een tijdje geleden. Ik moest daarover even nadenken en zei toen dat ik het, afhankelijk van de inhoud, misschien naar partijen zou sturen met het verzoek hun visie daarop te geven. Maar ik voegde daaraan onmiddellijk toe dat wij hiervoor in Nederland geen regels in ons procesrecht hebben. Recent werd ik weer aan dit gesprekje herinnerd in het kader van de publiciteit over een strafzaak die nu in Den Haag speelt.
Zouden wij behoefte hebben aan de mogelijkheid tot indiening van een brief amicus curiae, zoals het zonder al te veel gevoel voor grammatica in de Angelsaksische rechtspraktijk wordt genoemd? Een amicus curiae is een figuur die men in het Romeinse recht reeds kende. Iemand die als zodanig optreedt, wil de rechter, letterlijk, als vriend van het gerecht bij het vormen van zijn oordeel helpen. In Engeland zou dit verschijnsel al in de negende eeuw zijn opgekomen en zowel in de Engelse als Amerikaanse rechtspraktijk wordt daarvan veelvuldig gebruik gemaakt. Ook op het Europese vasteland kennen wij de brief amicus curiae, in het bijzonder bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en – in een bepaalde vorm – bij het Hof voor Justitie van de Europese Unie (HJEU).

Een amicus curiae is uitdrukkelijk niet iemand die zich met een eigen belang bij de uitkomst in het proces wil voegen (een figuur die wij in ons burgerlijk procesrecht wel kennen). “I always understood that the role of an amicus curiae was to help the court by expounding the law impartially, or if one of the parties were unrepresented, by advancing the legal arguments on his behalf,” zo wordt op Wikipedia een Engelse rechter in een uitspraak uit 1968 geciteerd. Er kan dus nog een element zijn: iemand die geen rechtsbijstand heeft, met juridische input ondersteunen.
Gaat het niet om het nastreven van een eigen belang, organisaties die in de USA briefs amicus curiae inbrengen, dienen wel een bepaald doel. Bekend is de American Civil Liberties Union (ACLU), die de handhaving van de mensenrechten hoog in haar vaandel heeft staan en daarbij geregeld zeer principieel voor bijvoorbeeld de rechtsgelijkheid opkomt, soms zelfs van organisaties die niet altijd de sympathie van het grote publiek verdienen. En als men kijkt naar de manier waarop EU-lidstaten zich in een lopend geding tot het hof in Luxemburg kunnen wenden, dan is duidelijk dat degene die dat doen, het belang van hun land in het achterhoofd hebben. In procedures voor het EHRM is dat veel minder prominent. Daar zijn het dan ook vooral instellingen vergelijkbaar met de ACLU die het Straatsburgse hof proberen te helpen.
Nu speelt bij dit alles in het Angelsaksische common law systeem (en, in het verlengde daarvan, bij het EHRM) ook een rol dat rechterlijke uitspraken precedentwerking hebben. Als een beslissing als gevolg van onvoldoende of onjuiste juridische input een verkeerde kant opgaat, zijn de gevolgen daarvan sterker dan in ons civil law stelsel. Bij ons is een vonnis “ook maar een vonnis” en zijn derden niet aan het daarin gecreëerde recht gebonden. Kortom, dat hoeft dus niet een reden te zijn de brief amicus curiae in ons recht te introduceren.

Toch zou er iets voor te zeggen zijn deze faciliteit ook in ons procesrecht op te nemen. Op die wijze zou een instantie die zich voor de mensenrechten beijvert, zich tot het gerecht kunnen wenden. En een hoogleraar kan zijn wetenschappelijke inbreng in het proces leveren zonder dat – al was het maar de schijn van – de verdenking hoeft te worden gewekt dat hij daarmee een van partijen wil helpen. Hij zou zelfs op eerder door hem gepubliceerde artikelen kunnen wijzen. Een rechter zonder wetenschappelijke achtergrond die zo iemand ter zitting nader bevraagt, zal dan wellicht minder gauw zijn geneigd op te merken dat het standpunt van de hooggeleerde “ook maar een mening” is. Wel mag van degene die de brief amicus curiae inzendt (en, desgewenst, mondeling toelicht), worden verlangd dat hij open is over de aanleiding tot zijn inbreng en, niet onbelangrijk, antwoordt op de vraag of – en, zo ja, door wie – hij daarvoor is betaald.

De invoering van een brief amicus curiae zou het probleem van het partijdige – want door een van partijen ingebrachte – deskundigenrapport kunnen ondervangen. Maar de toepassing daarvan is in de landen waar dit instituut voorkomt, tot relevante juridische elementen beperkt. Dat ligt gezien de aard daarvan ook voor de hand. Er is geen reden technische, psychologische of andere soorten deskundigheid langs de weg van de brief amicus curiae aan het geding toe te voegen.

Kortom, ik zou het weleens willen meemaken.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam