Johan van Oldenbarneveld en de Raad voor de Rechtspraak

De geschiedenis van Johan van Oldenbarnevelt en Prins Maurits zou geweldig materiaal zijn om een Hollandse versie te maken van House of Cards. Johan als briljant jurist, politicus, financieel expert en bestuurder en de prins als de beste krijgsheer uit zijn tijd hebben in een zowel nationaal als internationaal buitengewoon woelige tijd, het kan zonder te overdrijven worden gezegd, de noordelijke Nederlanden tegen alle redelijke verwachtingen in niet alleen uit de klauwen weten te houden van de Spaansen, maar ook de grondslag gelegd voor ’s lands gouden eeuw.

Dramatiek schuilt in de verwording van hun aanvankelijk uiterst vruchtbare samenwerking tot heil van henzelf en het land, in pure vijandschap. Johan wist door stimulering van de handel de grote sommen vrij te maken die jonge Maurits nodig had om oorlog te voeren. En daar had de handel dan weer baat bij. Maar Maurits groeide en zijn ego ook. Onderlinge spanningen waren niet tegen te houden. Maurits moest tegen zijn zin van Johan omwille van de handelsbelangen slag gaan leveren bij Nieuwpoort, waar de Spaansen hem bijna in de pan hakten, iets wat legeraanvoerders meestal niet waarderen.

Maurits kon er niet alleen niet om lachen, hij bedacht ook dat hij niet meer zomaar moest doen wat Johan zei. Johan was een verstandig man. Hij zag door de oorlog de financiële bronnen uitputten en de handel terug lopen. Hij wist wanneer hij moest stoppen. Maurits wilde verder en wilde het liefst de Spaansen op hun zwakst nog even verder klop geven. Militair had hij misschien wel gelijk, want voor maar iets meer geld had hij de hele Vlaamse “tuin”, zoals ze toen zeiden, er nog even bij genomen (maar dat denken krijgsheren vaker). Eerst lijkt Johan het pleit te winnen met het sluiten van het 12-jarig bestand met het uitgeputte Spanje.

Maar vervolgens wint Maurits. Er gebeurt namelijk iets huiveringwekkends. Een Idee doemt op, waarover het hele land zich ineens kwaad gaat maken. De Idee was dat God van tevoren al had bedacht wie naar de hemel ging en wie naar de hel, de zogeheten predestinatieleer. Johan zag daar – net als de remonstranten – niks in, die was voor pluriformiteit en vond dat er ruimte moest zijn voor meerdere stromingen. Maurits zag – net als de contra-remonstranten – wel wat in de nieuwe leer: één natie, één staatskerk, één geloofsopvatting, één centraal militair gezag. Om politieke redenen wel te verstaan, want over de leer zei hij: ik weet niet of die groen of blauw is.

Johan zag het gevaar van een staatsgreep door Maurits aankomen en hij zorgde ervoor dat de (op hun autonomie gestelde) steden recht kregen eigen militairen, waardegelders, aan te stellen, in feite om de onverdraagzame contra’s aan te pakken. Maar het was al te laat. Maurits had geen zin in deze ondermijning van zijn militaire gezag, beschuldigde Johan van hoogverraad en organiseerde een proces tegen hem. Johan eindigde op het schavot. Niemand hielp hem, ook zijn oude vrienden niet. Maurits had politiek bijgeleerd, voelde de gereformeerde tijdgeest beter aan en de kop van bejaarde Johan rolde.

Zoals dat in goede tragedies betaamt, eindigt het verhaal dan toch nog met twee verliezers. Maurits’ succes gaat tanen. Zijn politiek en financieel briljante vriendje en beschermer is hij immers kwijt. Geen van beiden deed er dus goed aan de zaak te laten escaleren. Johan had moeten zien dat Maurits niet meer de adolescent van weleer was, hem ruimte moeten geven en, nog belangrijker, hij had zich beter, net als de opportunistische Maurits, kunnen aansluiten bij de contra’s, om in hetzelfde kamp te blijven. Hij waande zich sterker dan hij inmiddels was.

Wat is nu helemaal een idee? Dit blog staat er vol mee en toch hakken de lezers elkaar de schedel er niet over in. Je zou het bijna niet geloven, maar het volk van toen was erg gecharmeerd van die toch niet zo heel vrolijke leer der predestinatie, waarmee Nederland nog eeuwen opgescheept zou zitten (de remonstranten zitten dacht ik nog altijd niet in de PKN). Alle energie van politieke doelen en volksemotie bundelde zich ineens en die gingen elkaar op vreselijke wijze versterken.

Ook om nog een andere reden had de zaak beter niet kunnen escaleren. De theologische hardliners hadden nu wel gewonnen, maar een theocratie zag de stevig op handel op de Oost gerichte elite nou toch ook weer niet zitten. En een fikse minderheid bleef toch liever joods, katholiek, luthers of doopsgezind. In de marge ontstond langzaamaan vanzelf weer een zekere tolerantie voor de kennelijk onuitroeibare menselijke diversiteit. En God zag kennelijk dat het zo ook wel goed was, want de Republiek bloeide.

Afgezet tegen de rechtspraak, zie je ook bij ons een krachtmeting tussen de autonome gerechten, kamers en individuele rechters, en een ongeliefd, maar rationeel ingesteld centraal gezag in de vorm van besturen en Raad voor de rechtspraak, hoeveel goeds de Raad ook voor de rechtspraak heeft bereikt en betekend en hoeveel beter de rechtspraak er ook voor staat in vergelijking met vroeger. Ook een leuke parallel is dat de contra’s in vergelijking met Johan weinig op hebben met pluriformiteit. Maar de contra-remonstranten krijgen toch de overhand dankzij de kennelijk zeer samenbindende idee van de predestinatie. Zolang de centrale leiding van de rechterlijke organisatie nog niet zoiets samenbindends vindt, krijgt ze weinig kracht.

Wie denkt dat het begrip ‘kwaliteit’ rechters samenbindt, heeft het mis. Uit alle beschikbare parameters – recent nog de Rule of Law Index 2016 – blijkt dat er niet zo veel mis is met de kwaliteit van de Nederlandse rechtspraak. Rechters weten dat. Rechters die welbewust uitspraken doen die zij kwalitatief beneden de maat vinden, heb ik nog nooit ontmoet en zouden trouwens geen knip voor de neus waard zijn. Besturen en Raad worden naar mijn indruk door rechters niet met ‘kwaliteit’ om de oren geslagen omdat de kwaliteit te wensen over laat, maar omdat dit jargon is dat door het financieringssysteem van de rechtspraak als relevant wordt aangeduid en waarop besturen en Raad zich dús op moeten laten aanspreken. Het begrip ‘kwaliteit’ is met andere woorden een zwaard uit de wapenkast van de tegenpleiter.

Maar die discussie is vruchteloos, juist omdat er met de kwaliteit weinig mis is. Kwaliteit is bovendien een moeilijk te vatten begrip, waarvan je nooit objectief kunt bepalen wat het is en waarover je dus tot het einde der tijden kunt soebatten. De kwaliteitsdiscussie gaat naar mij mening eigenlijk over beknotting van de rechterlijke vrijheid door een centraal opgelegde en te eenvormige (en veelal aan de universitaire en medische werelden ontleende) set aan kwaliteitseisen die aan rechters worden gesteld, waarbij deze omwille van de meetbaarheid, controleerbaarheid en rapporteerbaarheid een bepaalde vorm hebben gekregen waarvan de waarde of het effect voor de kwaliteit van de rechtspraak niet of onvoldoende is bewezen.

Een in mijn ogen wonderlijk voorbeeld daarvan is het systeem voor permanente educatie in de rechtspraak, dat bijvoorbeeld het lezen van een vakboek, vakliteratuur of jurisprudentie – bronnen van rechterlijke wijsheid bij uitstek – niet erkent als permanent educatie. Vermoedelijk omdat het kennis nemen daarvan niet controleerbaar zou zijn, zoals deelname aan een cursus aan de hand van de presentielijst dat op het eerste gezicht wel schijnt te zijn. Een eis van rechtmatigheid bepaalt zo vorm en inhoud. Wat mij betreft de omgekeerde wereld.

Iets soortgelijks geldt voor het streven naar landelijk eenvormige werkprocessen en de op dit punt desondanks al jarenlang bestaande institutionele mismatch tussen de ZM en het OM, die zich niet makkelijk laat oplossen. Ik had deze blog ook kunnen inleiden met de Boerenoorlogen, waar de weinig gedisciplineerde maar zeer gemotiveerde en heilig in predestinatie gelovende Boeren het de numeriek grotere en op zijn imperialistische hoogtepunt opererende Britse krijgsmacht, met zijn veel beter getrainde, bewapende en geordende beroepssoldaten, jarenlang nogal moeilijk hebben gemaakt. Uiteindelijk hapten de Boeren militair in het zand, maar wonnen een tijdje later in de Unie van Zuid-Afrika alsnog politiek het pleit.

De geschiedenis van de contraremonstranten laat trouwens zien dat de effectiviteit van eenvormigheid betrekkelijk is. 350 jaar strenge calvinistische eenheidsleer hebben kerksplitsingen eerder gestimuleerd dan voorkomen. Grote minderheden kozen ondanks tegenwerking liever voor hun eigen denominatie dan voor de dominante staatskerk. Eenvormigheid doodt creativiteit.

Peter Lemaire
Rechter op Aruba