Meer interventies en aangifte doen bij het OM

Een interventie, waarvan het effect niet langer primair op de resocialisatie van de dader is gericht, maar op normbehoud en normherstel bij de oppassende burgers, inclusief het slachtoffer, heeft natuurlijk grote gevolgen voor het doen en laten van het OM. Ik zal die gevolgen stuk voor stuk in afzonderlijke columns bespreken.

Het eerste betreft de omvang van het aantal interventies. Die is in de afgelopen jaren stevig gedaald, zowel bij het OM als bij de rechter. Die laatste deed in 2014 nog maar krap aan 100.000 misdrijfzaken af tegen 125.000 tien jaar eerder. Bij het OM daalde het aantal ook, ondanks het veel ruimere sanctiearsenaal dat het via de strafbeschikking kreeg aangereikt. Beide dalingen zijn een rechtstreeks gevolg van de teruggang van het aantal door de politie geregistreerde misdrijven in combinatie met een gelijkblijvend, laag ophelderingspercentage.

In een systeem waarin de verdachte een centrale rol speelt is het aantal interventies misschien minder van belang, maar als het wegnemen van de onvrede bij het slachtoffer en zijn omgeving de centrale doelstelling van de strafrechtelijke reactie is, ligt dat anders. Dan is iedere niet tot stand gekomen interventie er één te weinig; dan is er een direct signaal van onvoldoende normbevestiging en een ontbrekend normherstel. Dan is er een overheid die het, hoe dan ook en om wat voor reden dan ook, laat afweten en de betrokkenen laat zitten met gevoelens van ergernis, opwinding en in het ergste geval angst. Daarom zal het OM bij de onvermijdelijke keuze tussen gevallen waarin wel en niet wordt geïntervenieerd, steeds als uitgangspunt moeten nemen dat misdrijven met een slachtoffer in beginsel vóórgaan. Alle potentiële klanten van de interventie worden dan immers bereikt.

Echter, het probleem is dat het OM in de praktijk niet of nauwelijks zelf beslist welke misdrijven wel en welke niet van een reactie worden voorzien. Natuurlijk, er bestaan zg. Aanwijzingen voor de opsporing van het College van Procureurs-Generaal, maar de praktijk is veelal sterker dan de leer en die praktijk leert dat de politie in belangrijke mate doet wat haar hand vindt om te doen. Bovendien krijgt het OM pas achteraf zicht op wat de politie aan misdrijven heeft geregistreerd en ook wat er is opgehelderd. Dat geldt in ieder geval in belangrijke mate voor de “gewone” criminaliteit.

Ik vind dat in hoge mate ongewenst tegen de achtergrond van de hierboven geschetste nieuwe ambitie van het OM. Die kan niet worden waargemaakt wanneer het niet zelf kan beslissen, welke hap uit de geregistreerde criminaliteit wordt genomen en welk deel van de potentiële maaltijd mag blijven staan. Ik ben dan ook van mening dat het OM van meet af aan inzicht moet hebben in de aard en omvang van de criminaliteit waarvan aangifte wordt gedaan. Daartoe is te meer aanleiding omdat er een grote kloof gaapt tussen het aantal mensen dat zegt, blijkens gegevens uit de zogenaamde veiligheidsmonitor, aangifte te hebben gedaan en het aantal zaken dat door de politie wordt geregistreerd. Naar schatting zijn er ongeveer een miljoen zaken zoek. Ik heb bij het WODC geïnformeerd hoe die kloof is ontstaan, maar een overtuigende verklaring heeft men daar ook niet. Dat betekent dat we die moeten zoeken in het verschil tussen een melding en een aangifte. In het feit dat mensen wel hebben geprobeerd aangifte te doen, maar dat, om wat voor reden dan ook niet hebben doorgezet. Het doen van aangifte is namelijk niet altijd eenvoudig, terwijl het dat wel zo zou moeten zijn: er kan veelal niet zo maar aangifte moeten worden gedaan, maar er moet een afspraak worden gemaakt; het doen van elektronische aangifte is lang niet in alle gevallen mogelijk en de met één vinger typende politiemedewerker, die ook nog irrelevante vragen stelt, is helaas nog niet uitgestorven.

Van alle geregistreerde criminaliteit, de misdrijven zonder slachtoffer meegerekend, komt slechts 25% bij het OM terecht en zoals gezegd heeft dat maar weinig invloed op het onderliggende keuzeproces. Ik pleit er daarom voor dat het Openbaar Ministerie het aangifteproces zelf ter hand neemt en in grote lijnen als volgt organiseert.

Uitgangspunt daarbij is dat het doen van aangifte zo eenvoudig mogelijk moet worden gemaakt en zo snel als mogelijk verloopt. De burger in kwestie, die zijn rechten om zelf tegen de dader te ageren aan de staat heeft overgedragen, moet als een goede klant worden behandeld en zo spoedig mogelijk weten wat hij verder te verwachten heeft.

Tegen deze achtergrond wordt er binnen het OM een centrale eenheid gevormd, waarbij zowel per mail, via een website, telefonisch of schriftelijk aangifte kan worden gedaan. Die eenheid is bemand met, ja U hoort het goed, met ervaren officieren van justitie die, op grond van die ervaring, zeer snel in staat zijn te beoordelen of een aangifte zich leent voor verder onderzoek, of daarvoor kansloos is. Die beslissing wordt genomen op grond van criteria die voor de aangever volledig transparant zijn en hem ook worden medegedeeld. Idealiter wordt de beslissing binnen 24 uur genomen. Is dat om wat voor reden dan ook niet mogelijk, dan ontvangt de betrokken aangever daarvan binnen 24 uur bericht. Als hij zelf nog een rol moet spelen bijvoorbeeld door het verschaffen van aanvullende informatie, dan gebeurt dat zoveel mogelijk telefonisch of per mail. Maar als dat niet kan, gaat het OM bij betrokkene op bezoek, in principe binnen een week.

Let wel, de beslissing in kwestie betreft slechts de vraag of er al dan niet een opsporingsonderzoek moet worden ingesteld. Als die beslissing negatief uitvalt, wordt de aangever gewezen op de mogelijkheid van art. 12 Sv en van andere mogelijkheden om zijn probleem te adresseren, b.v. bij slachtofferhulp. Ook wordt hem desgewenst, een afschrift van de aangifte en de beslissing verstrekt ten behoeve van de verzekering. Is de beslissing positief, dan wordt de betrokkene meegedeeld bij welke politie-eenheid het onderzoek gaat plaatsvinden en worden hem de noodzakelijke contactgegevens verstrekt. Het betreffende parket wordt vervolgens van de beslissing in kennis gesteld en controleert de voortgang van het onderzoek. Als dat niets oplevert wordt dat via de centrale eenheid aan de aangever terug gemeld. Wordt er wel een dader gevonden, dan blijft de zaak bij het handelende parket en wordt pas na vonnis, sepot of strafbeschikking, ook weer via de landelijke eenheid, aan betrokkene meegedeeld.

Ik zie de kritiek op dit systeem al komen. Hoe moet het met zaken waar de politie al ter plaatse is gegaan, waar moet dan aangifte worden gedaan? Hoe krijg je ervaren officieren van justitie zover dat ze dit schijnbaar eenvoudige werk, bij nacht en ontij, willen doen; gaat het geen art. 12 Sv klachten regenen en…..is de politie überhaupt bereid aan zo’n ontwikkeling mee te werken etc. etc.

Ik zie die vragen natuurlijk ook wel, maar ben niettemin van mening dat het de moeite waard is om het voorstel nader uit te werken en te doordenken. Het OM zal er in ieder geval een stuk zichtbaarder, veel klantvriendelijker en transparanter van worden. En, niet te vergeten: het is allemaal nodig vanuit de noodzaak om zoveel misdrijven van een zinvolle interventie te voorzien.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie