Antisemitisme en artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht

Door Lody B. van de Kamp, rabbijn (BEd.)

Op 5 april 2015 schallen spreekkoren door het Utrechtse voetbalstadion De Galgenwaard: ‘Me vader zat bij de commando’s, me moeder zat bij de SS. En samen verbrandden zij Joden, want Joden die branden het best’. De weerzinwekkende tekst van deze spreekkoren door de supporters veroorzaken nogal wat commotie.

De aanklager betaald voetbal van de KNVB doet een vooronderzoek, stelt de club in staat van beschuldiging “voor het herhaaldelijk uiten van antisemitische spreekkoren door de aanhang” en biedt een schikkingsvoorstel aan, waaronder een boete van € 10.000.

Het openbaar ministerie buigt zich onderhand over aangiftes van verschillende joodse organisaties. Daarbij richt het OM zich uitsluitend op de daders en niet op de club. Uiteraard gaat het hierbij over artikel 137 in het Wetboek van Strafrecht.

Of door de teksten van de spreekkoren de openbare orde in het geding is laat ik zelf graag over aan de expertise van het Openbaar Ministerie. Binnen de context van dit artikel buig ik mij in deze casus over de vraag of bij de uitingen met duidelijke antisemitische teksten sprake is van daadwerkelijk handelen door antisemieten. Het is een oud Joodse uitspraak ‘voor antisemitisme heb je én geen Joden én geen antisemieten nodig’.

Bij de casus van de spreekkoren trek ik wat dit betreft een vergelijking met andere casussen in de afgelopen jaren.

In juni 2010 maakt een 17-jarige jongen in Amsterdam West zich schuldig aan het brengen van een ‘Hitlergroet’, het uitstrekken van de rechterarm met de rechterhand, onder het uitroepen van het woord ‘Jood’. Van deze zaak wordt aangifte gedaan. De zaak blijkt vervolgbaar en de jongen zal moeten voorkomen. Wordt deze jongen door het verrichten van deze antisemitische daad ook geclassificeerd als antisemiet?

Gaandeweg het vervolgingstraject heb ik contact met de jongen. Ik ben immers diegene tegenover wie hij de Hitlergroet heeft uitgebracht en ook aangifte heb gedaan.

Zowel aan de manier hoe de jongen door het ouderlijk huis is terechtgewezen na zijn daad, als ook aan zijn eigen opstelling in ons contact kan ik hem zelf niet beschrijven als een antisemiet. Op geen enkel moment probeert hij zich te onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid voor wat er gebeurd is. ‘Als ik zou willen ontkennen dat ik diegene was van de Hitlergroet, dan had ik nu niet tegenover u gezeten. Ik heb iets heel slechts gedaan en ik wil daar van leren’.

Onze gesprekken brengen ons, op zijn verzoek, naar het Anne Frankhuis. Samen kijken we naar het filmpje waar een van de verzorgers van de familie Frank, Miep Gies, haar verhaal doet over het verzorgen van de onderduikers, ondanks het gevaar voor het eigen leven. ‘Weet u, meneer Lody, toen ik daar op straat die Hitler groet bracht toen dacht ik “dit is cool”. Maar wat deze vrouw deed, dat is pas cool’.

Op basis van de opstelling van de jongen tijdens onze gesprekken wordt de zaak geseponeerd. Een antisemitische handeling, de Hitlergroet, kan ook verricht worden door iemand die per definitie zelf geen antisemiet is.

Het is februari 2013. In een televisie-uitzending ‘Onbevoegd Gezag’ maken vier jonge Turks-Nederlandse scholieren, zich schuldig aan ernstig antisemitische uitspraken. ‘Alle Joden moeten dood. Ja, ook vrouwen en baby’s. Het zijn toch maar Joden’. En ‘Hitler had gelijk. Ooit komt er een dag dat we Hitler dankbaar zijn dat alle Joden dood zijn. Die dag komt’.

Ook op deze uitzending volgt maatschappelijke onrust. Turkse belangenverenigingen doen een QuickScan naar de staat van antisemitisme onder de Turkse gemeenschap. Kamerleden stellen vragen. Er wordt aangifte vanuit de Joodse gemeenschap gedaan. Na overleg met het Parket-Generaal en de officier van Justitie die het dossier behandelt reis ik samen met Said Bensellam, mijn Marokkaanse partner van Said & Lody uit Amsterdam West, af naar Arnhem. Said & Lody is een samenwerkingsverband dat ter bestrijding van criminalisering en radicalisering van jongeren door lokale overheden en de rijksoverheid wordt ingezet. Op het parket treffen we 4 knulletjes aan van een jaar of 14, 15. Timide ventjes die ons nauwelijks durven aan te kijken. Wij stellen ons voor, een Marokkaanse meneer en een Joodse meneer die samen vrienden blijken te zijn en al langer met elkaar optrekken. Gaandeweg komt het gesprek met de jongens op gang. Hebben wij hier 4 hardcore antisemieten voor ons? Weten zij wat Joden zijn? Al gauw blijkt dat ik de eerste Jood ben die zij, bij hun weten, in levenden lijve hebben gezien. Wanneer was de Tweede Wereldoorlog en wanneer leefde Hitler? Drie van de vier jongens komen ergens uit op 100 tot 200 jaar geleden. Hoeveel Joden wonen er in Holland? Een miljoen, klinkt het. Het conflict Israel en Palestina? ‘Alle Joden willen alle Moslims vermoorden’. Verder komen ze niet. Er volgen huisgesprekken met de jongens. Een gesprek op de school van de jongens leert ons dat ‘Alle Joden dood!’ weinig met de ‘Turken’ van de school heeft te maken. Stap het schoolplein, met allochtone, autochtone, katholieke, Islamitische, onkerkelijke of wat dan ook voor knullen of meiden op en roep Jood. In koor klinkt het ‘Heil Hitler, Joden dood’ en nog veel meer van dit fraais. Het is de taal van de straat.

Verbijsterd luisteren de jongens naar het feit dat het mijn vader was die in Auschwitz heeft gezeten. Dat mijn eigen grootouders onder die mensen zaten die door de jongens voor de camera de dood zijn toegewenst. Ineens komt voor hen de geschiedenis heel dichtbij.

Staande voor de foto van de deportatietreinen in Westerbork bromt een van knullen ‘als wij toen in Nederland hadden gewoond waren wij ook in die wagons gestopt en hadden ze ons ook de gaskamers ingedreven’. Maanden gaan voorbij. De jongens hebben hun les geleerd. Zij verfoeien de weg die zij toen opgingen. Zij, met hun ouders tonen hun erkentelijkheid voor de wijze lessen die ze hebben mogen leren. ‘Nooit meer een Jood kwetsen. Nooit meer!’ is het devies van de hoofddader nu. ‘Lody, die mensen zijn echt vermoord. En ik heb geroepen dat ze dood moesten! Hoe kom ik hier ooit weer van af?’ Met een laatste geruststellende blik nemen we afscheid.

Het OM besluit om ook deze zaak te seponeren. De ‘hardcore antisemieten’ blijken domme jongen mensen te zijn die met een eenvoudig traject van hun waanideeën kunnen worden afgebracht om daarna ook beter en verstandiger aan hun eigen toekomst te gaan werken. Met het sepot is de zaak nog niet afgedaan. Het Centrum Informatie en Documentatie Israel (CIDI) is het niet eens met het seponeren van de zaak en eist door middel van een artikel 12 Sv-procedure een vervolging. De rechter echter besluit aan de hand van de door Said & Lody ingebrachte rapportages over de ontmoetingen, de gesprekken en de excursies met de vier jongeren naar relevante lokaties en de afronding van het hele project de eis van het CIDI niet te honoreren. Dit soort ‘antisemitisme’ kan in voorkomende gevallen op betere manieren worden aangepakt dan door middel van een strafvordering.

Mocht het inderdaad zo zijn dat, nu terug naar de spreekkoren in het voetbalstadion, de openbare orde in het geding is, dan zal daar tegen moeten worden opgetreden. Of er echt sprake is van ‘de ware antisemieten’ die daarbij de openbare orde aantasten blijft voor mij nog te bezien. Vandaag beschimpen zij de ‘Jood’. Bij een volgende wedstrijd is het de Ghanese speler die het moet ontgelden en weer een week later is het dat Duitse elftal dat de schuld van vijf jaar bezetting over zich krijgt heen gestort. Is er hier sprake van mensen die bezeten zijn van antisemitisme, racisme en vreemdelingenhaat? Gedragen deze mensen zich naast de zondag op de tribune de overige dagen in de week ook op dezelfde ten opzichte van de medemens? Uiten zij hun gevoelens naar de voetbaltegenstander op deze laakbare wijze ook wanneer zij zich niet bevinden als onderdeel van de massa op de tribune maar gewoon, alleen, in hun eentje, aan de zijlijn van het veld of voor de televisie? Zelf heb ik van de onderzoekers naar antisemitisme, xenofobie en racisme nooit een een duidend bevredigend antwoord op deze vraag gekregen (Zie het onderzoek ‘Antisemitisme onder jongeren in Nederland, oorzaken en triggerfactoren’ van de Anne Frankstichting/Verwey-Jonker Instituut, April 2015, hoofdstuk 6 ‘Antisemitisme in de context van voetbal’.)

Het is deze onduidelijkheid die mij noopt om tot nu toe vol te houden dat de beste aanpak van de spreekkoren, maar ook van veel andere incidenten die te maken hebben met uitingen van antisemitisme, er een is van duurzame confrontatie- en educatietrajecten in plaats van ‘slechts’ een strafvordering. Overigens, laat het duidelijk zijn dat de educatieprojecten waar ik zelf bij betrokken ben in overleg of in samenwerking met het OM nooit vrijblijvend zijn. Er is altijd sprake van de stok achter de deur van strafvordering wanneer de verdachte niet meewerkt of voortijdig uit het traject stapt.

Tenslotte. Vanuit de eigen Joodse gemeenschap krijg ik nogal eens voor de voeten geworpen dat de aanpak zoals wij die voorstaan ‘slap gezwets is’, dat ik de ernst van de dreiging van het antisemitisme in de Nederland onderschat, dat ik mij schuldig maak aan struisvogelpolitiek en daardoor medeschuldig wordt bevonden aan het in stand houden, zo niet het stimuleren, van dit antisemitisme.

Ach, met een eigen geschiedenis van antisemitische incidenten in mijn leven durf ik die beschuldigingen wel aan. Ik heb recht van spreken.

Als kind van een jaar of tien speelde ik op een gegeven moment liever niet meer op straat. Om de haverklap kwam Hansje, van om de hoek, ineens naar voren om mij uit te schelden voor ‘rotjood’. Tot dat hij een ongenadig pak rammel kreeg van onze niet-joodse bovenbuurman en moest beloven mij nooit meer uit te schelden. Hansje heeft dat ook nooit meer gedaan. We hebben daarna nog vaak samen buiten gespeeld.

In mijn studietijd, in de Londense Golders Green, werd ik midden op straat op een vroege winteravond omringd door een groepje opgeschoten jongeren. Een blauw oog, een hersenschudding en nog wat kwetsuren waren het gevolg, de ‘dirty Jew’. Tijdens de rechtszaak voor de Londense Old Bailey werd de dader veroordeeld tot een half jaar jeugddetentie.

Tijdens mijn werkzaam leven als rabbijn in Den Haag werd ik op weg naar de synagoge regelmatig uitgescholden door leerlingen van de Haagse Francois Vatelschool voor de Horeca en de Bakkerij voor Jood met allerhande bijvoeglijke naamwoorden. Volgens de directeur van de school was er niets aan de hand. En dus naast andere incidenten en daadwerkelijke bedreigingen in de loop der jaren was er dan de ook nog de hierboven genoemde Hitlergroet.

Ja, antisemitisme als handeling is mij in mijn persoonlijk leven niet bespaard gebleven. En dan heb ik het nog niet over de levenservaringen van de leden van de vorige generatie in mijn familie die de Jodenvervolging tussen 1940 en 1945 overleefd hebben of, ja, de doodservaring van hen in de familie die het niet overleefd hebben. Maar juist door deze gebeurtenissen weet ik mij gesterkt door de aanpak die ik voorsta. Gooi de uitingen van antisemitisme niet allemaal op het conto van vermeende antisemieten. Eerst maar nagaan of iemand daadwerkelijk de antisemiet is die wij aan de hand van de uitingen of de gedragingen voor ogen menen te hebben.

Deze feitelijkheid is van belang voor het handelen van het OM in kwesties zoals het voetbal antisemitisme en vergelijkbare incidenten.