Hoe praktijkvriendelijk is de financiering van de Rechtspraak?

Ronny van de Water

Rick Robroek vraagt zich in een kritisch commentaar op het artikel van Sterk en van Dijk in het NJB van 17 juni 2016 af hoe rechtstatelijk de financiering van de Rechtspraak is. Het commentaar van Robroek komt er in de kern op neer dat de Raad voor de rechtspraak er niet in slaagt hard te maken dat het huidige financieringssysteem leidt tot onaanvaardbaar kwaliteitsverlies en dat er daarom ook geen reden is om ten opzichte van andere overheidstaken als onderwijs en gezondheidszorg een uitzonderingspositie te claimen voor de rechtspraak als het gaat om algemene taakstellingen binnen de overheid. Het commentaar van Robroek oogt vooral als een wetenschappelijke benadering van de probleemstelling waarbij de bewijslat voor de rechtspraak hoog wordt gelegd. Een reactie vanuit een meer praktische benadering is op zijn plaats. Ik zal mij daarbij beperken tot mijn ervaringen met het financieringssysteem in de hoedanigheid van kinderrechter en strafrechter.

De financiering p maal q leidt in de praktijk in ieder geval tot weinig rust in de organisatie van de rechtspraak. De korte termijn financiering op basis van het aantal geproduceerde vonnissen/beschikkingen zorgt voor grote schommelingen in de (financiële) behoefte aan rechters. Het ene jaar zijn er teveel rechters binnen een sector of rechtbank en moeten er rechters worden gedetacheerd en het andere jaar worden zelfs rechters ”weggelokt” bij andere rechtbanken. Het voeren van een consistent langere termijn financieel beleid is in ieder geval onmogelijk met deze vorm van output financiering.

Daar komt nog eens bij dat de rechtspraak veelal geen invloed uit kan oefenen op de instroom aan zaken. De prijs per product staat daarbij volledig los van de daadwerkelijke kostprijs en het financieringssysteem gaat ook nog eens gepaard met een aanzienlijke bureaucratische cijferdruk. Kortom: ook los van de rechtstatelijke discussie heeft de praktijk een sterke behoefte aan een ander systeem van financiering.

Naast de behoefte aan een andere vorm van financiering waarbij de rechtspraak beter in staat zal zijn een langer termijn financieel beleid te voeren, is het de vraag of de rechtspraak al dan niet terecht meer geld claimt. Robroek meent dat de Raad deze behoefte niet hard kan maken. Hij verwijst daarbij o.a. naar recent onderzoek waaruit zou blijken dat in het strafrecht de zaken niet zwaarder zijn geworden. Ik ken het onderzoek niet, maar kan mij op basis van de praktijk niet voorstellen dat de uitkomst van dit onderzoek overeenkomstig de werkelijkheid van de dagelijkse praktijk is. Voor de rechtbank Amsterdam geldt in ieder geval dat de strafrechters steeds minder eenvoudige zaken behandelen (o.a. omdat deze door het OM worden afgedaan) waardoor de zaken die overblijven steeds zwaarder worden. Zo is er terecht meer aandacht voor de vervolging van verdachten van mensenhandel en fraude zaken, maar deze zaken zijn een stuk gecompliceerder dan de gemiddelde strafzaken. Er komen meer strafzaken met internationale aspecten en verdachten uit meerdere landen. Cybercrime zaken zijn ook bewerkelijker dan de standaard strafzaken. Ook strafzaken die betrekking hebben op de meer klassieke zware criminaliteit vergen steeds meer voorbereidend onderzoek bij de rechter-commissaris en leggen een steeds groter beslag op de beperkt beschikbare zittingscapaciteit. Het plannen van deze mega zaken is een ingewikkeld logistiek proces geworden. Het lijkt er sterk op dat Robroek dit miskent als hij zich afvraagt of er daadwerkelijk geen mogelijkheden zijn om zaken op zitting en in geschrift sneller te laten verlopen. Het teleurstellende antwoord op deze vraag is dat dit in een toenemend aantal zaken helaas niet mogelijk is zonder uitbrieding van zittingscapaciteit en dat kost nu eenmaal geld. Daar komt ook nog eens de digitalisering van de rechtspraak bij. Deze ontwikkeling is onvermijdelijk, maar gaat met heel veel hobbels gepaard die vooralsnog eerder tot meer dan tot minder werkdruk leiden. Dat de gemiddelde strafzaak anno 2016 bewerkelijker en ingewikkelder is dan toen ik in 2003 begon als strafrechter is voor mij in ieder geval evident. Deze verandering in de aard van de zaken vergt dat rechters meer voorbereidingstijd en meer behandeltijd nodig hebben om te komen tot kwalitatief goede beslissingen. Robroek stelt dat er geen kwaliteitstekort van onaanvaardbare proporties is aangetoond. Toen ik dit las vroeg ik mij af of er dan wel een kwaliteitstekort is van aanvaardbare proporties. Het lijk mij van niet. Een kwaliteitstekort is een kwaliteitstekort en is gezien het belang van de te nemen beslissingen in het strafrecht onaanvaardbaar. Dit geldt niet alleen voor de grote zaken, maar ook in de kleinere zaken. De gevolgen van een onjuist oordeel ten gevolge van een kwaliteitstekort zijn in het strafrecht groot. Rechters zullen niet snel toegeven dat de kwaliteit van hun werk minder wordt. Dit gegeven heeft vermoedelijk invloed op de onderzoeken naar de kwaliteit van de rechtspraak. Voor mij staat echter vast dat het risico op onterechte veroordelingen of vrijspraken steeds groter is geworden doordat de nadruk sinds 2002 steeds meer is komen te liggen op productie omwille van de financiële resultaten. Gelukkig heeft de Raad de signalen uit het veld nu opgepakt en streeft de Raad naar een andere financiering van de rechtspraak. Of dat moet leiden tot meer geld voor de rechtspraak vind ik eerlijk gezegd niet eens zo interessant. De rechtspraak bepaalt als onafhankelijke derde staatsmacht zelf hoe de rechtsprekende taak wordt uitgevoerd. Daar kan en mag de politiek zich niet mee bemoeien. Het is in ons huidige politieke systeem wel weer aan de politiek om te bepalen hoeveel geld er namens de samenleving beschikbaar wordt gesteld voor goede rechtspraak. Als dit niet voldoende is om zaken (op alle rechtsgebieden) tijdig en kwalitatief goed af te handelen, dan zullen procespartijen langer moeten wachten op het oordeel van de rechter. Onvoldoende financiële middelen voor goede rechtspraak mag niet worden afgewenteld op de inhoud van de te nemen beslissingen. Het woord is nu inderdaad aan de politiek. Hoeveel heeft het parlement over voor goede en snelle rechtspraak.

Ronny van de Water
Rechter-commissaris te Amsterdam