Samenwerken en onafhankelijkheid

Over de onafhankelijkheid van rechters wordt geregeld gesproken en is veel te zeggen. En wat het inhoudt – daarover is men het lang niet altijd eens. Het argument dat iets in strijd met de rechterlijke onafhankelijkheid zou zijn, wordt er nogal eens met de haren bijgesleept, vooral om te onderbouwen dat en waarom men iets niet wil. Dit speelt bijvoorbeeld als rechters zich verzetten tegen voorstellen of afspraken om samen te werken.

Neem de zitting van de meervoudige strafkamer. Drie rechters en een griffier behandelen een dag lang een aantal zaken. Zij ontvangen enkele weken tevoren (doorgaans nog steeds) een pak papier – een origineel dossier en vier kopieën (schaduwdossiers) – en moeten zich vervolgens gaan voorbereiden. Een niet zelden toegepaste praktijk is dat ieder de dossiers een paar dagen voor de zitting begint te bestuderen en dat de combigenoten elkaar kort voor het uitroepen van de eerste zaak in de rechtszaal treffen. Grote kans dat de griffier dan nog met kopieën van nagekomen of eerder niet meegekopieerde stukken uitdeelt. Even groot is de kans dat niet alle rapporten blijken te zijn aangeleverd en dat nog getuigen moeten worden gehoord.
Mogelijk begint de zitting dan al met een leespauze. Verder kan het nodige gesteggel met officier van justitie en verdediging over de onvolledigheid van het dossier worden verwacht. Aanhoudingen liggen dan ook al gauw in het verschiet. In dit traditionele model zal de voorzitter alle zaken behandelen en zijn zijn collega’s met recht bijzitters. Veel zal die dag niet worden afgehandeld en de kans is aanzienlijk dat de zitting behoorlijk zal uitlopen. Pizza’s zullen dan ook het raadkameren opgeuren.

Het lijkt misschien overdreven en het is ook wel een beetje karikaturaal. Maar in het verleden ging het veelal zo en ook nu nog vast meer dan een enkele keer. Wat in deze schets ontbreekt, is elke vorm van tijdige gezamenlijke voorbereiding en behandeling.

Wat zou beter zijn? Veel!

Allereerst zou in ieder geval de voorzitter, die enige tijd eerder de appointering moet hebben gedaan, eerder met de eigenlijke voorbereiding kunnen beginnen. Zijn alle stukken compleet? Zijn alle noodzakelijke rapporten klaar – of worden ze tijdig verwacht? Is duidelijk of getuigen moeten worden opgeroepen? Is af te spreken dat het voorzitterschap per zaak wisselt, zodat ook de bijzitters tenminste één zaak voor hun rekening nemen? En, last but not least, kan bij de voorbereiding een taakverdeling worden gemaakt? Dat wil zeggen dat niet iedereen alles voor zichzelf leest, maar bijvoorbeeld ieder die een zaak voorzit, deze mede ten behoeve van zijn collega’s in samenvatting op papier zet. De griffier kan daarbij eveneens een duit in het zakje leggen.

Met name deze taakverdeling blijkt op verzet te stuiten. “Ik wil elk dossierstuk zelf proeven” of, hoogdravender, “dat is in strijd met mijn rechterlijke onafhankelijkheid”.

Echt?

Ook als je het dossier in beginsel aan de hand van de samenvatting van een collega bestudeert, heb je nog alle vrijheid bepaalde stukken nader in te kijken. Maar waarom zou het in strijd met je rechterlijke onafhankelijkheid zijn, als je voor het overige op het werk van een – eveneens onafhankelijke – andere rechter afgaat? Natuurlijk, je moet erop kunnen vertrouwen dat je op het voorbereidingsformulier van die collega kunt afgaan. Maar dat is een kwestie van goed en geregeld samenwerken en van de afspraken die daarbij worden gemaakt en nageleefd. Het heeft echter niets met onafhankelijkheid te maken.

Los van de vertrouwensband die zich bij deze werkwijze vormt, levert de coördinatie van de voorbereiding ook een tijdsbesparing op. (Het verbeteren van hun eigen werkwijze, ook in bredere zin, is iets wat ik zelden hoor, als rechters over de werkdruk klagen.) Daarnaast krijgt ieder van de leden van de combi een zekere mate van eigen verantwoordelijkheid voor het door hem bewerkte dossier. Het ligt althans voor de hand dat, als je een werkverdeling voor de voorbereiding overeenkomt, de zorg voor het completeren van het dossier en het onderhouden van de daarvoor noodzakelijke contacten eveneens bij de behandelende rechter wordt gelegd. Dan leert de jongste rechter ook nog iets.

Wat ik hier debiteer, is niets nieuws, ook niet in deze kolommen. Toch verbaast het mij dat het – in weerwil van alle argumenten die ervoor pleiten – zoveel moeite kost deze praktijk gemeengoed te maken. Zijn we zo koppig en hardleers? Of is het een diepgewortelde conservatieve angst voor verandering?

De vraag is natuurlijk wie de eventueel noodzakelijke omwenteling zal moeten entameren en realiseren. Ik denk dat het, naast de professionele standaarden, vooral de rechter zelf zal moeten zijn, en niet iets wat vanuit het management moet worden opgelegd. De insteek moet immers niet de efficiency of de productie, maar de kwaliteit van en – vooral ook – het plezier in het werk zijn. Dat kunnen alleen rechters zelf bewerkstelligen.

Willem F. Korthals Altes
Senior rechter rechtbank Amsterdam