Potentaten en rechterlijke onafhankelijkheid

Deze zomer heb ik een al langer voorgenomen bezoekje gebracht aan Neurenberg, de stad van de nazi-partijdagen, de rassenwetten en, niet toevallig, ook die van de na-oorlogse processen tegen nazi-kopstukken, voor zover in de kraag gevat en niet door zelfmoord aan de gerechtigheid ontkomen.

Dat deze processen er zijn gekomen, was niet vanzelfsprekend. Dictator Jozef Stalin stelde voor pakweg 50.000 Duitsers om te brengen en ook Winston Churchill was aanvankelijk sterk tegen een proces. Hij was ervoor de ergste nazi’s, binnen zes uur na formele vaststelling van hun identiteit, ter dood te brengen. Hij vreesde juridisch geneuzel en wilde geen podium creëren. Ook Franklin Roosevelt neigde aanvankelijk naar deze buitengerechtelijke vorm van afdoening.

Maar op een goed moment gingen ze om. Stalin had de showprocessen voor ogen die hij in de dertiger jaren had doen voeren tegen echte, vermeende, potentiële en vooral willekeurig gekozen vijanden van de grote revolutie, waarmee hij bevredigende ervaringen had, en niet zozeer een proces waarin op objectieve gronden wordt geoordeeld over schuld en boete. Roosevelt had enige interne Amerikaanse druk nodig en Churchill realiseerde zich dat zijn thuisfront weinig ingenomen zou zijn met parate executies. Door het grote aantal zelfmoorden onder de leidende nazi’s, waaronder Adolf H. zelf, bleek achteraf het risico op pijnlijke vertoningen wat kleiner dan vooraf gevreesd. En toen de Amerikanen er eenmaal voor gingen, bepaalden zij, op typisch Amerikaanse wijze door de inzet van een overwicht aan mensen en middelen, in grote mate de aard en het verloop van de voorbereidingen tot het proces.

Wie rondkijkt op de expositie in het nog immer ‘eigentijdse’ Neurenbergse Paleis van Justitie kan op foto’s zien dat de sovjet-rechters in militair uniform gekleed aan het proces deelnemen. Stalin schijnt direct eenduidige instructies te hebben gegeven voor het raadkameren, namelijk om consequent de doodstraf op te leggen. De Amerikaanse, Britse en Franse rechters daarentegen waren burgers.

Bij een hedendaagse beoefenaar van het strafrecht zou gemakkelijk de indruk kunnen ontstaan dat het tribunaal niet onafhankelijk en onbevooroordeeld was. En dat niet alleen omdat 25% van de rechters onder directe instructie stonden van een dictator. Ook van de andere rechters – buitenlanders, door de zegenvierende overwinnaars aangesteld en handelend op basis van voor de gelegenheid opgestelde procesregels – had bijna even makkelijk getwijfeld kunnen worden over hun bevoegdheid en bereidheid te komen tot objectieve oordeelsvorming. Menselijkerwijs gesproken, zou je je kunnen voorstellen dat het niet gemakkelijk is je in nuances te verdiepen waar het gaat om personen die vaak concreet, maar in ieder geval ook in brede zin, verantwoordelijkheid droegen voor een uiterst misdadig, intimiderend en moordlustig regime.

De praktijk was anders. Het proces wordt ook nu nog in overwegende mate als eerlijk beoordeeld. Er zijn aantekeningen van de rechters in raadkamer beschikbaar. Daaruit blijkt dat over een aantal zaken gemakkelijk unanimiteit werd bereikt. Over een aantal andere zaken bestond veel en blijkbaar ook heftige discussie. Een Franse rechter komt als de meest milde naar voren, maar soms stemde hij strategisch mee met een hogere strafmaat dan door hem aanvankelijk bepleit, om een meerderheid te bereiken tegenover de voor de doodstraf pleitende rechterlijke kameraden in uniform.

Een voorbeeld van een genuanceerd oordeel van het tribunaal is het proces tegen Baldur von Schirach, verantwoordelijk voor de nazistische jeugdvorming en ‘Gauleiter’ van Wenen en daarmee verantwoordelijk voor de deportaties van Weense Joden. Hij was een hoge nazi, maar hoorde niet tot de kring van types als Göring, Himmler en Göbbels. Hij werd aangeklaagd voor ‘samenzwering’ (het ‘grote plan’, zeg maar, waartoe onder andere behoorden de voorbereidingen tot een machtsovername en aanvalsoorlogen) en voor misdaden tegen de menselijkheid. Als zodanig werd hem verweten dat hij de jeugd (vrijwel alle daarvoor in aanmerking komende jongeren in het Reich) systematisch op het ‘grote plan’ voorbereidde. Bewijstechnisch was dat lastig omdat hij niet tot de inner circle behoorde.

Over mevrouw Von Schirach gaat een door meerdere bronnen bevestigd verhaal dat zij, met haar man te gast op de Obersalzberg, Adolf aansprak op de slechte behandeling van Amsterdamse Joden. Er zijn veel thrillers waarin de slechterik zich lang als goede weet te voor te doen en pas aan het eind van het verhaal blijken de echte goeden al die tijd een adder aan de borst te hebben gekoesterd. De grote hopman kon die zelfbeheersing niet opbrengen en begon meteen tegen het mens te tieren, zodanig dat het echtpaar de Obersalzberg des nachts in allerijl moest verlaten om er nooit meer terug te keren. Mevrouw Von Schirach kon wellicht een zekere naïviteit niet worden ontzegd en ook Baldur deed voor zichzelf een beroep daarop. Hij werd tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens misdaden tegen de menselijkheid maar werd vrijgesproken voor de ‘samenzwering’.

De expositie geeft jammer genoeg weinig informatie over de rechters. Ik was daarnaar benieuwd, omdat de Neurenberger processen, met hun ad hoc procesrecht en vier potentaten als broodheren, waarvan één bloeddorstig, in de nog vers in het geheugen liggende nasleep van zes oorlogsjaren voor de rechters bepaald uitdagend moeten zijn geweest. Het lijkt er op dat de meerderheid van deze rechters het hoofd koel heeft weten te houden. Zij zullen toch de uitwendige druk en de persoonlijke, inwendige neiging hebben gevoeld, ook zij die conform hun nationale rechtstradities geen instructies meekregen, om korte metten te maken met die Duitsers die de wereld in de oorlog hadden gestort en planmatig miljoenen hadden laten vermoorden.

Rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid vormen niet zonder reden een groot goed. De eerlijkheid van de Neurenbergse procesvoering (bepaald niet alleen een verdienste van de rechters, trouwens, waartoe ik mij hier beperk) heeft ertoe bijgedragen dat dit proces geen lynchpartij is geworden, maar de aanzet tot een modern internationaal strafrecht.

Ook in onze tijd komt het tot discussies over rechterlijke onafhankelijkheid en onbevangenheid, worden in codes nauwkeurig, soms tot in detail, de betrekkingen, functies en gedragingen vastgelegd die daarmee op gespannen voet zouden staan. Ook zijn er rechters en anderen die vrezen voor dreigende aantastingen van hun onafhankelijkheid door bepaalde ontwikkelingen in de wetgeving of in de rechterlijke of overheidsorganisatie. Die codes zijn een poging tot ‘veruiterlijking’ van onafhankelijkheid en neutraliteit die van rechters wordt verwacht. Ze zijn enigszins vergelijkbaar met de etiquette, die weliswaar van de uiterlijke, maar daarmee nog niet altijd ook van de innerlijke beschaving getuigt. Hiermee is ook hun beperktheid gegeven en – wat mij betreft – tevens die van de discussies over een eventueel lidmaatschap van rechters van een politieke partij of levensbeschouwelijke club.

Het Neurenbergse tribunaal laat geloof ik zien dat onafhankelijkheid, onpartijdigheid en onbevangenheid geworteld moeten zijn in een eerbiedwaardige, onomstreden nationale of internationale rechtstraditie waarin het vanzelfsprekend is dat rechters niet zomaar de laan uitgestuurd kunnen worden, geen expliciete of impliciete instructies of wenken ontvangen (of deze spontaan als de van hen verwachte rol ‘begrijpen’) maar dat deze door rechters ook als innerlijke, persoonlijke kwaliteiten moeten worden verworven. Daarmee kunnen rechters een attitude opbouwen waarmee ze tegen een stootje kunnen, zelfs al zou het formele institutionele kader waarbinnen zij hun werk moeten doen niet altijd helemaal ideaal zijn of voor verbetering vatbaar.

Peter Lemaire
Rechter op Aruba