Heruitvinding van het OM

In een gesprek met een aantal leden van het OM, kwam plotseling de gedachte op dat het weer eens tijd werd voor een nieuw visiestuk van het OM. Wat een vreselijk woord, maar het gaat natuurlijk niet om het stuk, maar om de visie. Organisaties hebben, kennelijk, de behoefte om zich van tijd tot tijd, opnieuw uit te vinden; Philips doet zijn lichtdivisie de deur uit en concentreert zich op medische technologie; Shell gaat, eindelijk, ook in de alternatieve energie en Jumbo koopt de restaurantketen La Place uit de failliete boedel van VenD.

Maar wat valt er in vredesnaam opnieuw uit te vinden aan een organisatie als het OM. Dat is belast met de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde, een op het eerste gezicht, tamelijk eenduidige maatschappelijke taak waaraan niet zoveel opnieuw uit te vinden valt en waarbij het OM bovendien slechts één instrument ter beschikking staat, de strafrechtelijke interventie, zij het in diverse varianten.

Toch valt daar wel wat meer over te zeggen. Die handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde is namelijk geen doel op zich maar dient verder gelegen doelen. Die kunnen worden samengevat in het drieluik naming, blaming en shaming. Het kwaad dat door het plegen van het misdrijf is begaan, moet benoemd worden, als afwijking van normaal gedrag, het moet publiekelijk worden afgekeurd en idealiter zou de dader zich berouwvol moeten tonen. Van dat laatste is tegenwoordig steeds minder te merken. Mede door de beroepsopvatting van veel strafrechtadvocaten, is het berouw vrijwel uit de rechtszaal verdwenen. Ik laat dat maar even zo. Het benoemen van het kwaad en het afkeuren daarvan zijn voor mijn betoog belangrijker.

Meer dan van een eventuele berouwvolle verdachte is het uitspreken van die afkeuring namelijk de essentie van de boodschap die via het strafrecht moet worden overgebracht. Kort gezegd luidt die: burgers van het land, slachtoffers in het bijzonder: er zijn mensen die de normen die gij allen aanhangt hebben overtreden; dat is ernstig en moet worden afgekeurd en bestraft.

Daarbij is de dader niet de belangrijkste geadresseerde, maar de burger die de normen waarvan de overtreding met straf wordt bedreigd, heeft geïnternaliseerd; anders gezegd: de law abiding citizen. De dader is in deze visie veeleer het object van de strafrechtelijke reactie dan het doel ervan. Degenen die primair moeten worden geadresseerd zijn die nette burgers, bij wie het erom gaat zoveel mogelijk strafrechtelijke normen, zolang als mogelijk geïnternaliseerd te houden. Zoveel mogelijk mensen moeten derhalve gevat blijven binnen het normenkader, waarvan overtreding met straf wordt bedreigd. Bij voorkeur niet vanwege die bedreiging, maar omdat ze de betreffende normen uit overtuiging aanhangen.

Maar hoe doe je dat, zorgen dat zoveel mogelijk oppassende burgers, dat ook blijven? Hoe zet je de interventies zo in dat ze in dit opzicht het beste resultaat opleveren?

In ieder geval niet op de manier waarop dat thans gebeurt. Daarbij staat in alle opzichten de verdachte centraal: straf op maat, passend bij de situatie waarin hij zich bevond tijdens het plegen van het delict en op het moment dat hij terecht staat; maximaal rekening houdend met het verleden en met de omstandigheden die (mogelijk) tot het delict hebben geleid; maar ook met de blik op de toekomst als het gaat om het opleggen van een sanctie, die de kans dat de verdachte in herhaling valt minimaliseert. En tegelijkertijd met nog veel te weinig oog voor de situatie van de slachtoffers en de omstanders in ruime zin van het gepleegde misdrijf. Natuurlijk, bij ernstige feiten wordt het feit dat de samenleving is geschokt niet onvermeld gelaten, maar bij geringere feiten blijft het slachtofferperspectief dikwijls op de achtergrond, ook bij het OM.

Het feit namelijk dat de verdachte object is van het onderzoek en de hoofdrol speelt op de terechtzitting, hoeft namelijk helemaal niet betekenen dat ook de aard en de inhoud van de strafrechtelijke reactie, vooral op hem moeten zijn toegesneden. Dat de verdachte die overheersende rol heeft gekregen komt mijns inziens door de steeds sterkere juridisering van de strafrechtelijke reactie. Het vaststellen van de schuld en alle andere juridische aspecten die aan het toepassen van een interventie zijn verbonden hebben ertoe geleid dat het effect daarvan ook primair aan de verdachte is gekoppeld. Dat was in de beginperiode van het strafrecht geenszins het geval. De straf diende er vooral toe het gedane onrecht te compenseren en zo het voordeel dat de dader door het misdrijf had behaald, ongedaan te maken.

Het is betreurenswaardig dat ook het OM zover is meegelopen op deze doodlopende weg, die wel tot lagere straffen heeft geleid, inmiddels bijna de laagste van Europa, maar niet tot de zozeer nagestreefde resocialisatie. 70% van de veroordeelden recidiveert en de 30% die dat niet doet, laat dat niet achterwege door de bijna liefhebbende benadering van veel rechters. Wie eenmaal de norm achter zich heeft gelaten, komt meestal pas na lange tijd tot het inzicht dat het anders moet en kan. Recidivebeperking is derhalve een lastig te realiseren doelstelling.

Veel meer voor de hand ligt om zich bij het vormgeven van de interventie allereerst weer te gaan richten op de nette burgers, de slachtoffers voorop, de conformisten, die geen resocialisatie behoeven, maar slechts een steuntje in de rug nodig hebben om de normen te blijven volgen. Een benadering waardoor ze zich serieus genomen voelen als slachtoffers en niet, ondanks de recente verbetering van hun positie in de afgelopen jaren, in de steek gelaten als gevolg van de alle zorg waarmee de dader wordt omringd. Niet in een casus als Robert M. maar wel, zoals gezegd, bij de ‘gewone criminaliteit’ waarbij de gemoederen doorgaans minder hoog oplopen. Waarom zoveel aandacht voor diegenen die de norm al hebben losgelaten en zo weinig voor degenen die hem nog aanhangen? Waarom maatwerk voor de verdachte en geen passend kleding of op zijn hoogst confectie voor de oppassende burgers, de slachtoffers daaronder begrepen?

De strekking van dit betoog is dunkt me evident. Als het OM zich opnieuw wil uitvinden, zal het de doodlopende weg van het dadercentrisme moeten verlaten en de blik moeten richten op anderen dan daders. De verdachte is doorgaans bij zijn raadsman in goede handen als het gaat om het aanvoeren van omstandigheden die tot vrijspraak of tot strafvermindering moeten leiden en anders is er altijd nog de rechter.

Laat het OM zich concentreren op diegenen voor wie de strafrechtelijke reactie is uitgevonden, het slachtoffer en zijn omgeving en eindelijk zijn taak als openbaar, publiek ministerie ter hand nemen.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie