Naar een schriftelijk strafproces in hoger beroep

Iedere deelnemer aan het strafproces wenst in iedere aanleg een goede en zorgvuldige zaaksbehandeling. Daargelaten dat wat goed en zorgvuldig is voor ieder van die deelnemers verschillend zal zijn, zal iedereen het met mij eens zijn dat voor een goede en zorgvuldige behandeling middelen ter beschikking moeten worden gesteld. Ik zou zeggen dat de beschikbare middelen afhankelijk zijn van bredere politiek keuzes om ook andere kerntaken van de overheid (denk aan zorg en onderwijs) goed te financieren. Hoe dan ook lijkt het verstandig de voor de strafrechtspraak beschikbare middelen daar in te zetten waar ze vanuit strafvorderlijk oogpunt het meeste effect sorteren. Vanuit die gedachte zou ervoor gekozen kunnen worden om het zwaartepunt te leggen bij de behandeling in eerste aanleg. De herinneringen zijn dan nog het meest vers zodat het zowel in bewijstechnische zin als voor de normbevestiging vooral daar moet gebeuren. Het hoger beroep zou vervolgens minder als herkansing en meer als herstel van in eerste aanleg gemaakte fouten kunnen worden benut. Deze benadering (die natuurlijk meer uitwerking vergt dan een kort opiniërend blog kan bieden) brengt met zich dat in eerste aanleg alles uit de kast wordt gehaald om (onder meer) bovengenoemde strafvorderlijke doelen ten aanzien van bewijs en normbevestiging optimaal te dienen. Daarbij passen geen rechtbankrechters die zichzelf beschouwen als een eerste filter in de rechterlijke strafketen en ervan uitgaan dat het hof wel de puntjes op de i zet (hoewel daar bij hoven die hoe dan ook alles over doen en rechtbankvonnissen standaard vernietigen zonder meer begrip voor valt op te brengen). Wat er wel bij past, zijn hofrechters die zorgen voor een voortvarende en voortbouwende behandeling in hoger beroep. Wanneer immers het zwaartepunt in eerste aanleg ligt, moet de controle daarop ter verwezenlijking van eerder genoemde strafvorderlijke doelen snel gebeuren. Die snelheid heeft nog een andere belangrijk voordeel: het maakt mogelijk middelen vrij voor de eerste aanleg en zorgt er in ieder geval voor dat ook andere zaken voortvarend kunnen worden afgedaan (met als een soort Droste-effect dezelfde voordelen).

In het licht van het voorgaande valt de door de minister in de Contourennota modernisering strafvordering aangekondigde beweging naar voren dan ook te prijzen. Voor hoger beroep betekent dat de introductie van een nieuw beslismodel. In een eerder blog heb ik daar kritische kanttekeningen bij geplaatst omdat wat de minister wil volgens mij al kan en ook een ander beslismodel waarin de ambtshalve bevoegdheid overeind blijft staan, staat of valt met de bereidwilligheid van hofrechters om hun beslissing te laten voortbouwen op de beslissing in eerste aanleg. Hier wil ik me richten op een alternatieve hofbehandeling waarvoor een vorig jaar gewezen arrest van de Hoge Raad als inspiratiebron kan dienen. Het gaat dan om een arrest van 7 juli 2015 (NJ 2015, 458 m.nt. Borgers). Dat arrest biedt mogelijk aanknopingspunten voor hoven om in voorkomende zaken in overleg met verdediging, openbaar ministerie en eventuele slachtoffers en benadeelde partijen de hoger beroepszitting tot een formaliteit te beperken.

In de genoemde zaak was de verdachte niet van plan te verschijnen bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep, maar had de door de verdachte gemachtigde raadsvrouw die bedoeling wel. De raadsvrouw verkeerde echter in de veronderstelling dat de Utrechtse zaak in hoger beroep door het Amsterdamse hof zou worden behandeld, zodat ze niet in Arnhem aanwezig was toen het hof aldaar de behandeling aanving. Navraag door de griffier zorgde ervoor dat het hof in Arnhem tijdig kennis kon nemen van de reden van de afwezigheid van de raadsvrouw. De raadsvrouw nam alle schuld voor haar afwezigheid op zich. Per fax verzocht zij het hof primair de behandeling van de zaak aan te houden en subsidiair de bij de fax gevoegde pleitaantekeningen die ze ter zitting van het hof had willen voordragen als voorgedragen te beschouwen. Dit laatste was in het bijzonder van belang vanwege een in die pleitaantekeningen gevoerd bewijsverweer. Het hof wijst vervolgens het (primaire) aanhoudingsverzoek af ‘in het belang van een voortvarende rechtspleging en gelet op het feit dat het hof heeft kennis genomen van de pleitnotities van de verdediging’. Het hof voegt de pleitnotities van de raadsvrouw in het dossier en in het arrest wordt het bewijsverweer gemotiveerd verworpen. Het subsidiaire verzoek wordt dus toegewezen.

In cassatie wordt geklaagd over afwijzing van het aanhoudingsverzoek. De advocaat-generaal oordeelt de klacht terecht voorgesteld nu niet blijkt dat het hof de door de Hoge Raad verlangde belangenafweging heeft gemaakt ‘tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging’.

De Hoge Raad kiest een andere weg en verklaart het cassatieberoep – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie – niet-ontvankelijk. Door de Hoge Raad wordt daartoe uitgebreid gewezen op de bijzonderheden van de zaak:

– de verdachte en de raadsvrouwe is op juiste wijze kennisgegeven van de terechtzitting in hoger beroep;
– de verdachte was niet voornemens ter terechtzitting te verschijnen en heeft zijn raadsvrouwe uitdrukkelijk gevolmachtigd hem aldaar te verdedigen;
– de raadsvrouwe is niet verschenen ter terechtzitting van het Hof;
– naar aanleiding van haar onverklaarde afwezigheid heeft de griffier navraag gedaan waaruit is gebleken dat zij zich als gevolg van een in haar risicosfeer gelegen vergissing bij het verkeerde hof had vervoegd;
– zij heeft medegedeeld niet tijdig ter terechtzitting van het Hof te kunnen zijn en heeft voormeld faxbericht aan het Hof gezonden;
– dat faxbericht houdt in het verzoek aan het Hof: primair tot aanhouding van de behandeling van de zaak en subsidiair tot kennisneming van de bij het faxbericht gevoegde pleitaantekeningen;
– het Hof heeft de behandeling van de zaak pas voortgezet nadat de door de raadsvrouwe aangekondigde pleitaantekeningen waren ingekomen;
– het Hof heeft het subsidiaire verzoek ingewilligd doch het primair gedane aanhoudingsverzoek afgewezen “in het belang van een voortvarende rechtspleging en gelet op het feit dat het hof heeft kennisgenomen van de pleitnotities van de verdediging”;
– het Hof heeft in zijn eindarrest een met redenen omklede beslissing gegeven omtrent het in de pleitaantekeningen vervatte verweer.

Dat alles brengt de Hoge Raad tot de slotsom dat het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident is en dat de schriftuur evenmin de in zo een geval vereiste toelichting omvat. Bij het oordeel van hof en Hoge Raad zijn enkele kanttekeningen te plaatsen. Zo kan onder meer gewezen worden op de moeizame verhouding van de gekozen benadering tot de in artikel 311 Sv uitgewerkte tegensprekelijke aard van de terechtzitting, zeker nu het hof een gevangenisstraf oplegde daar waar de advocaat-generaal conform de rechtbank een taakstraf had gevorderd (ik verwijs voor meer kritische kanttekeningen naar de conclusie van A-G Hofstee en de noot van Borgers). Dat de Hoge Raad louter de begrijpelijkheid van het aanhoudingsverzoek toetst is het gevolg van de beperkte strekking van het ingediende middel. De mogelijke reden voor het niet-ontvankelijk achten van het cassatieberoep noemt Borgers. Volgens hem zal dat ‘ermee van doen hebben dat niet duidelijk is gemaakt wat er dan nog méér zou kunnen zijn aangevoerd ter terechtzitting dan reeds in de pleitaantekeningen was vervat, en wat daar dan het gevolg van had kunnen zijn, ook waar het gaat om de door het gerechtshof — eerst na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting — bepaalde strafmaat’. Dat wordt immers niet duidelijk in de cassatieschriftuur. De bijzonderheden in deze zaak, zouden me in deze zaak minder enthousiast maken voor een behandeling die zich beperkt tot een formaliteit (zoals het hof deed). Dat ligt mogelijk anders wanneer wordt ingestemd met een dergelijke gang van zaken.

De Hoge Raad acht in deze zaak immers geen evident belang aanwezig bij behandeling van de zaak ter zitting in afwezigheid van de verdediging, ook al gaat daarmee de tegensprekelijke aard van de zitting verloren. Een belang lijkt helemaal lastig te onderbouwen wanneer collectief wordt ingestemd met een dergelijke behandeling. Als verdediging, openbaar ministerie en eventuele slachtoffers/benadeelde partijen voorafgaand aan de zitting instemmen met een behandeling waarbij volstaan wordt met de vordering van het openbaar ministerie en waarbij de toegezonden pleitaantekeningen en de inhoud van het dossier inclusief de vordering van de benadeelde partij als voorgedragen worden beschouwd, is die behandeling in cassatie wellicht onaantastbaar. Die overeenstemming zou in de voorfase schriftelijk kunnen worden bereikt. In het arrest van het hof kan gerespondeerd worden op de (schriftelijke) standpunten en over de materiële punten kan in cassatie nog steeds worden geklaagd. Inhoudelijk komt niemand zo tekort, terwijl er niet eens een zittingszaal aan te pas hoeft te komen bij deze ‘zitting’. Het uitroepen van de zaak is voldoende (bij gebrek aan publieke interesse lijkt me openbare verantwoording in dit soort zaken te veel ‘voor de bühne’ terwijl in wezen in het openbaar uitgesproken arrest verantwoording wordt afgelegd) en daarna kan worden geraadkamerd op basis van de ingediende pleitnota van de verdediging en de gemailde vordering van de advocaat-generaal. Het is de moeite waard om te onderzoeken hoeveel zaken bij het hof zich daarvoor zouden lenen, maar in ieder geval lijken daarvoor de zaken in aanmerking te komen waarin in hoger beroep slechts de gemachtigde raadsman verschijnt die de bij de rechtbank ingenomen standpunten herhaalt en slechts met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden zijn pleitnota aanvult.

Een moeilijkheid aan de hier voorzichtig beproefde benadering is dat voor advocaten op dit moment ook een financieel belang bestaat om ter terechtzitting te verschijnen, daar de Raad voor de Rechtsbijstand vergoeding van de toevoeging verbindt aan het optreden ter zitting. Het moet echter niet moeilijk zijn daar een oplossing voor te vinden (anders dan een lagere vergoeding voor advocaten die af zien van een inhoudelijke behandeling ter zitting, zeg ik er voor de zekerheid maar bij). Het lijkt mij namelijk in niemands belang om de behandeling bij het hof onnodig te vertragen en de strafvorderlijke regels keurig af te werken louter met het oog op financiering van in verband daarmee verrichte werkzaamheden.

Een voordeel is dat mogelijk financiële ruimte vrij komt voor de behandeling in eerste aanleg, want als gezegd zal daar primair het bewijs geleverd moeten worden en de normbevestiging plaats moeten vinden. Een snellere hofbehandeling zonder zitting zou ik op zichzelf reeds niet willen beschouwen als het afknijpen van procespartijen. Niet alleen omdat ze ermee instemmen maar ook omdat schriftelijk een behandeling goed en zorgvuldig kan geschieden en een allocatie van middelen mogelijk meer ruimte biedt voor de behandeling in eerste aanleg. De verantwoordelijkheid om het zwaartepunt daar te leggen is er een van ZM (eerste lijn en hoger beroep), OM en balie. Een niet onbelangrijke vraag is of dat met nieuwe wetgeving gerealiseerd dient te worden. Dat kan een voordeel zijn, maar uiteindelijk komt veel aan op een verantwoord gebruik van de capaciteit van de hoven. Of de benutters van die capaciteit daartoe in staat zijn, kunnen ze nu nog meer laten zien door een schriftelijk strafproces in hoger beroep niet als een juridische onmogelijkheid te beschouwen.

Rick Robroek
Wetenschappelijk medewerker vakgroep Strafrecht RUG en rechter-plaatsvervanger rechtbank Amsterdam