Graag meteen ook de antwoorden

Een advocaat mag niet liegen. Zeker niet tegen de rechter. Daar schijnt wisselend over gedacht te worden, maar dat ligt misschien aan de definitie. Ik versta eronder: bewust feitelijke onjuistheden voor waar meedelen, en dat mag dus niet. Ik denk trouwens dat de meeste advocaten ook helemaal niet willen liegen. Het maakt de boel ingewikkeld en het strafproces is al complex genoeg.
Voor de verdachte ligt het anders: hij mag alles, dus ook liegen dat het gedrukt staat. En veel verdachten zullen kleine of grote redenen hebben om, zoals wel parmantig in vonnissen staat, ‘de waarheid te bemantelen’. Of het wijs is om dat te doen is de vraag, en dat raakt aan een belangrijke taak voor de advocaat: de cliënt voorbereiden op de verhoren.
Niet altijd gemakkelijk. Ook voor de advocaat is er een afbreukrisico: je voelt je er toch op aangekeken als jouw cliënt tijdens het verhoor alle hoeken van de kamer ziet!
En waar bereid je eigenlijk op voor? De gemiddelde cliënt wil niet alleen de vragen horen die hij kan verwachten maar graag meteen ook de antwoorden. Maar iemand zijn verklaring kant-en-klaar voorschotelen is duidelijk niet de bedoeling. Van de raadsman wordt wel verwacht dat hij wijst op de juridische gevolgen van diverse te volgen strategieën, waaronder af te leggen verklaringen. Dat houdt dus in: de best mogelijke verklaring met de meeste kans op een gunstige afloop. Je ontkomt er dan niet aan om verschillende opties door te nemen, en het waarheidsgehalte hoeft niet doorslaggevend te zijn.
Het kan ook niet anders, want de advocaat is niet bezig met waarheidsvinding, maar met eenzijdige belangenbehartiging. Wat niet wegneemt dat hij de grens met zijn cliënt moet bewaken; die moet de bron van de verklaring zijn, niet zijn raadsman. Een potentieel mijnenveld.

Ter illustratie een (onherleidbaar gemaakt) geval uit mijn praktijk. Drie mannen hebben de gewoonte bedrijfsinbraken te plegen. Als ze een keer worden overlopen, kunnen ze nog net in hun auto springen. Maar bij de afrit van het bedrijventerrein is een gealarmeerde politieagent, die toevallig in de buurt was, bezig de poort dicht te trekken. De bestuurder geeft extra gas en rijdt door, waardoor de agent tegen de grond wordt gekwakt. Het gevolg: ernstig en blijvend hersenletsel. De vluchtpoging slaagt, maar het spoor leidt naar mijn cliënt. De andere betrokkenen worden niet gevonden. Volgens zijn gewoonte zwijgt cliënt, wat lastig wordt als zijn DNA opduikt op een belastende plek in het bedrijf. Naar mijn inschatting is er voor de inbraak geen redden aan. Maar er hangt hem ook de veel zwaardere beschuldiging van poging doodslag c.q. zware mishandeling boven het hoofd.
Ik raad hem aan de inbraak toe te geven (Het gebeurt best vaak dat de advocaat het duwtje geeft tot een bekentenis, misschien vaker dan rechters en officieren zich realiseren). Over het aanrijden van de agent zeg ik hem: het blijkt niet uit het dossier wie de bestuurder is geweest. Als je zou verklaren dat jij op de passagiersstoel zat en er van schrok dat je maat dwars door de half dichte poort reed, zit er vrijspraak in.
Cliënt heeft het advies gevolgd en is weggekomen met een paar maanden voor de inbraak.

Missie geslaagd, maar in hoeverre is hier binnen de grenzen gemanoeuvreerd? Ik heb gewezen op een mogelijke strategie maar geen bijzonderheden ingevuld, dat heeft hij gedaan. Wel is het de vraag of hij uit zichzelf voor deze lijn zou hebben gekozen. Waarschijnlijk niet, als typische zwijger. Ik heb zelf de rechtbank geen onwaarheden verteld maar me ertoe beperkt te wijzen op de resultaten van het onderzoek en de mogelijke conclusies. Aan de andere kant had ik redenen om aan te nemen dat de verklaring van cliënt leugenachtig was. In die zin heeft de verdediging meegewerkt aan het verkeerd voorlichten van de rechtbank.
Ik heb dit voorgelegd aan vakgenoten (ook aan héél correcte) en niemand zag er een probleem in. Helemaal gerust was ik pas toen een zeer ervaren Amsterdamse rechter (voorheen advocaat) er zijn zegen aan gaf. Dit kan wel, zei hij in de pauze van een cursus, maar wist verder ook niet aan te geven waar dan precies de grens lag tussen informeren en (laten) liegen.
Ik ben tot het volgende gekomen. Bij de informerende taak van de raadsman hoort het schetsen van mogelijke verklaarstrategieën. Varianten die voor de hand liggen, ofwel tamelijk logisch uit het dossier voortvloeien, moet je daarbij betrekken. De redenering is dan dat de cliënt daar zelf ook op was gekomen als hij de benodigde rechtskundige kennis had gehad. En dat is het wezen van rechtsbijstand: het invullen van leemtes in de kennis van het recht.
Je gaat over de schreef als je voor de cliënt een exotische variant bedenkt, die misschien wel effectief kan zijn, maar zich niet als het ware juridisch-logisch uit de zaak opdringt. Dan ben je aan het construeren en ga je verder dan het compenseren van een rechtskundige leemte.
Dat schept een nieuwe grens, tussen voor-de-hand-liggende en exotische verklaringen. Misschien is het probleem dan alleen maar verschoven. Maar mij is hierdoor wel duidelijk dat ik in het geschetste geval aanvaardbaar heb gehandeld.

Vasco Groeneveld
Strafpleiter bij Plasman cs advocaten