Connie P. en Lev T.

De rechter als prozaschrijver

Een citaat uit de roman I.M. van Connie Palmen (*1955), handelend over haarzelf en een zekere Ischa Meijer:

“Hij sluit de voordeur van de Reestraat af als ik vanaf de Prinsengracht de hoek om kom. We blijven allebei verstard staan, kijken elkaar aan en zeggen niks. Hij wou naar mij toe en ik naar hem, dat weten we. Zonder me van tevoren te waarschuwen wijkt mijn kringspier uit elkaar en ik doe het in mijn broek. Tegenover me spreidt hij zijn benen, grijpt naar zijn kont en roept verbaasd uit dat hij in zijn broek heeft gepoept. Ik zeg tegen hem dat ik dit keer wel met hem mee naar boven ga. Het is 12 februari 1991, zeven dagen na ons interview. Onder mijn kleren draag ik die dag een veel te wijde boxershort.”

De volgende tekst is ook een tikkeltje vulgair, maar dan van Lev Nikolai Tolstoi (*1828 – †1910). Vader Sergius zit al jaren in het klooster te bidden tegen zijn vleselijke lusten en heeft om zijn aandacht af te leiden een vinger afgehakt, waardoor er een bedevaart naar deze heilige op gang komt. Maar dan gebeurt er dit, als een koopman zijn dochter brengt om te genezen:

“Je zult beter worden, zei hij, bid.
Waarom zou ik bidden? Ik heb gebeden, het helpt niets. En ze bleef glimlachen. U moet bidden en uw handen op me leggen. Ik heb van u gedroomd.
Wat heb je gedroomd?
Ik droomde dat u uw hand zo op mijn borst legde. Ze pakte zijn hand en legde die tegen haar borst. Kijk hier.
Hij liet haar zijn rechterhand nemen.
Hoe heet je? vroeg hij bevend over zijn hele lichaam; hij voelde dat hij was verslagen, dat hij zijn wellust niet meer onder controle had.
Marja, waarom?
Ze nam zijn hand en kuste die, en daarna legde ze haar arm om zijn middel en drukte hem tegen zich aan
Wat doe je? zei hij. Marja je bent de duivel.
Ach, wat zou het.”

De eerste tekst zou, naar ik lees, op de werkelijkheid zijn gebaseerd. De tweede is denk ik door de schrijver verzonnen. Anders dan in de rechtspraak, doet het er in de bellettrie niets toe of iets dat geschreven staat waar is of niet. Overdag, als rechter een dossier lezend, interesseert het waarheidsgehalte van teksten mij bovenmatig. Des avonds als lezer in mijn vrije tijd vind ik dat niet belangrijk. De vraag is dan alleen of een verhaal boeit, geestig of verstrooiend is of anderszins aandacht trekt en niet of het waar, gelogen, literatuur of roddel en achterklap is.

Hoewel je door haar onwaarschijnlijkheid rekening moet houden met de mogelijkheid dat de eerste tekst net zozeer uit de duim is gezogen als de tweede, boeit me dat niet. Het kán waar zijn dat twee mensen die elkaar kennen het op hetzelfde moment in dezelfde straat in hun broek doen. Hoewel dat buiten de kindercrèche zeer ongebruikelijk is, kun je de mogelijkheid niet uitvlakken dat het toch zo is gebeurd.

De tweede tekst lijkt ook niet zo overtuigend. Het is vrij ongebruikelijk dat iemand zijn vinger afhakt om afleiding te zoeken van zijn hitsigheid, maar de geschiedenis leert dat op dat vlak nog wel krassere dingen zijn gebeurd. Maar ik vind de tweede tekst wel een stuk leuker. En beter, want in het verhaal vormt het afhakken van de vinger een consistent element in opbouw en ontknoping. Zonder dat wordt de held geen grote heilige, of beter gezegd, wordt hij door anderen niet als zodanig gezien en blijven hij en zijn getob tamelijk vlak en onbetekenend, geen verhaal waard. De grote opoffering leidt tot meer aanzien, groter mythevorming rond zijn persoon, en tot een enorme toeloop van volk. En de grap is dat het allemaal niks voorstelt. Jaren van getob vallen in een seconde in duigen als een aantrekkelijk meisje langs komt dat in de daad – in weerwil van de monnik, haar vader, en al het toelopend volk – niets meer ziet dan een onschuldig pleziertje. Of Tolstoi het zo bedoelde, weet ik niet, maar dit meisje lijkt me de ware held van het verhaal. Ze staat met beide benen op de grond, prikt door de mythe van hemel en hel heen, is de nuchterheid zelve, en in haar initiatief zelfs een moderne vrouw te noemen. Het is bijlange na niet Tolstois beste verhaal, maar vergeleken hierbij is de eerste tekst niet meer dan een ranzig praatje, waar of niet.

Wie in het recht overtuigend kan schrijven of pleiten, heeft een grote voorsprong op mensen die dat niet kunnen. Voor de praktijkbeoefenaars (politie, advocaten, officieren van justitie, rechters, journalisten, wetenschappers) is het bewustzijn daarvan om ten minste twee vanzelfsprekende redenen van levensbelang.

Ten eerste natuurlijk de kritische toets op een tekst. Hoe geloofwaardig is bijvoorbeeld een getuigenverklaring? Hoe beoordeel je dat en hoe toets je de totstandkoming van je eigen oordeel daarover? Over dit proces en de dreigende vooroordelen daarbij is al eindeloos veel geschreven. Ik volsta met twee voorbeelden. Stel (waar gebeurd): vier getuigen zien een persoon in een auto rijden. Drie van hen herkennen verdachte die terecht staat niet. De vierde wel, maar dat is iemand die kort ervoor een cva heeft gehad. Is die getuige betrouwbaar? Een deskundige wordt om advies gevraagd. ‘Mee oppassen’ luidt het advies, kort gezegd. Nadien gaat verdachte ineens bekennen. U mag raden welke van de vier getuigen het achteraf bezien goed had gezegd, matchend aan andere nadien aan het licht gekomen gegevens. Tweede voorbeeld: jongeman wordt vervolgd wegens openlijke geweldpleging in het uitgaansgebied. Een keurige jongeman, studerend, beschaafd, zonder strafblad, die met eerlijke ogen vertelt dat hij het echt niet heeft gedaan, dat hij alleen langs de kant had gestaan. De advocaat heeft zijn werk goed gedaan. Hij maakt aannemelijk dat de politie in de hectiek een voor de hand liggende fout heeft gemaakt en twee jongens met dezelfde etnische afkomst heeft verwisseld. Ook legt hij schriftelijke verklaringen over van vrienden van verdachte die diens verhaal bevestigen. Bijna ben ik overtuigd, ook al omdat camerabeelden, die er wel zouden moeten zijn, ontbreken. De officier vraagt schorsing om de DVD te laten brengen. Na de schorsing is nog slechts de advocaat aanwezig. Hij zegt: mijn cliënt is even de parkeermeter bijvullen en niet meer terug gekomen. U begrijpt wat er op de beelden te zien was.

Ten tweede, ook vanzelfsprekend, is van belang de overtuigingskracht van een pleidooi, requisitoir, artikel of reportage. Ik heb het dan niet over de uiterlijke vorm, de welbespraaktheid. Al is die zeker niet onbelangrijk en leuk om naar te luisteren, maar iemand die het dossier kent, prikt er doorheen als het onvoldoende leunt op naar relevantie voor de zaak geselecteerde en naar het doel van het betoog (een advocaat doet dat anders dan een officier) logisch geordende feiten. Ook hier is al veel over geschreven en gepubliceerd, vooral ook naar aanleiding van de te betreuren dwalingen in bijvoorbeeld de Schiedammer parkmoord, de zaak Lucia de B. en de Puttense moordzaak, waar de verdachten om uiteenlopende redenen de schijn tegen zich hadden of leken te hebben, werden veroordeeld, maar het toch niet hadden gedaan.

Ook een modern vonnis moet overtuigingskracht hebben. Een strafvonnis heeft meerdere functies. Ten eerste moet onder meer uit het vonnis blijken waarvan de verdachte wordt verdacht, welke feiten de rechter bewezen acht en op basis van welke bewijsmiddelen, of het feit strafbaar is, of verdachte strafbaar is en (behoudens vrijspraak) welke straf hij moet krijgen. Die informatie is niet alleen voor de procespartijen van belang, maar ook de dienst die de straffen uitvoert, moet zeer nauwkeurig kunnen vaststellen wat er moet gebeuren. Hetzelfde geldt voor het bijhouden van het strafblad. Maar het vonnis dient nog een doel, namelijk het mogelijk maken van controle in hoger beroep en door de Hoge Raad. Deze instanties moeten kunnen controleren of de uitspraak aan alle wettelijke vereisten voldoet en welke redeneringen de rechter heeft gevolgd om tot zijn conclusie te komen. De rechter is verplicht zijn beslissingen te motiveren en te reageren op verweren en standpunten van de procespartijen. Die motivering moet innerlijk consistent zijn en niet in strijd met de bewijsmiddelen die de rechter selecteert. Tenslotte heeft het vonnis een voorlichtende functie voor het publiek, journalisten, studenten en wetenschappers.

Deze functies zijn niet altijd gemakkelijk met elkaar te verenigen. Vroeger waren strafvonnissen heel bondig en bij de gerechtshoven vooral gericht op het zogeheten cassatieproof maken. Dat wil onder meer zeggen dat de juiste wettelijke of door de Hoge Raad gegeven toetsingscriteria worden genoemd, dat op de juiste wijze wordt gereageerd op verweren en dat het bewezen verklaarde feit op alle onderdelen door het minimum-vereiste aantal en soort bewijsmiddelen wordt gedekt. Dit is in wezen een formeel-logische benadering van het strafvonnis, die nauw aansluit bij het beslissingsschema dat de strafwet voorschrijft.

Soms op gespannen voet daarmee staat het moderne strafvonnis, vaak ook wel Promis genoemd, dat een begrijpelijk, lopend verhaal beoogt te schrijven, dat voor iemand die het dossier niet kent op zichzelf leesbaar en te volgen is. Een goed geschreven verhaal dus, dat als een klok klinkt en waarbij de slotsom voor de lezer zonder gedachtesprongen logisch en overtuigend moet voortvloeien uit de beschreven feiten en waarderingen daarvan. In dit genre beweegt de strafrechter zich op meer op het terrein van de journalistiek en eigenlijk zelfs van de literatuur. Bij grotere of de aandacht trekkende zaken plegen rechtbanken en hoven vaak ook persberichten uit te geven. Ook daarin probeert men in zo gewoon mogelijk Nederlands uit te leggen wat de zaak inhield, waar het debat over ging en wat de beslissing van de strafrechter was. De spanning met het formeel-logische vonnis is evident: bij het een staat begrijpelijkheid voorop, bij het ander het juridisch beslissingsschema.

Voor de strafrechter zijn beide nuttige exercities. Vanzelfsprekend moet het vonnis kloppen met het wettelijk schema. Voor de inhoudelijke juistheid van het vonnis is de tweede exercitie (kan ik het logisch opschrijven?) misschien nog wel een belangrijker controlemechanisme dan de eerste. Een ‘verhaal’ dat niet overtuigt, berust mogelijk ook niet op een goede grondslag en moet dus aanleiding geven alle stappen in de redenering nog eens kritisch na te lopen. Waar de zwakke schakels zitten, is het zaak die nog eens wat verder uit te spitten om te zien of de schakels inderdaad niet sterk genoeg zijn, of beter moeten worden verklaard en uitgelegd. In beide gevallen leidt dit tot een betere of beter onderbouwde beslissing.

De moderne strafvonnissen zijn een compromis. Het strafdossier is vaak aan het begin van de behandeling van de zaak een los of geheel niet geordend geheel, uitzonderingen daargelaten, zoals bijvoorbeeld strafdossiers die worden aangeleverd door de Fiscale Inlichtingen en Opsporings Dienst (FIOD). Zowel het materiaal als het verhaal moet nog uit de strafdossiers worden gehaald en in het vonnis opgetekend. Het dienen van verschillende doelstellingen met het strafvonnis roept het risico in het leven, zoals critici van Promis regelmatig hebben geopperd, van een compromis tussen de klassieke controle-functie van het vonnis (het zichtbaar en controleerbaar voldoen aan het wettelijk beslissingsschema) en het lopend verhaal.

Je zou hieraan op twee manieren kunnen ontsnappen. Vlecht beide doelstellingen uit elkaar en maak in zaken die daarom vragen, twee teksten: het klassieke vonnis, zo zakelijk, bondig en controleerbaar mogelijk, en het lopend verhaal in de vorm van een apart memo.

De andere manier (beide sluiten elkaar niet uit) is om al in de fase van de tenlastelegging (dus door het openbaar ministerie) de vervolgingsbeslissing van het OM beter te documenteren, zoals de FIOD meestal al doet en wat incidenteel ook sommige officieren van justitie doen. Aldus zou het openbaar ministerie reeds bij het uitbrengen van de tenlastelegging (dus systematisch per onderdeel van de strafbaarstelling) de verweten strafbare feiten moeten voorzien van verwijzingen naar de bewijsmiddelen die – naar het eerste inzicht van het openbaar ministerie; men kan zijn standpunt altijd nog bijstellen – zouden moeten leiden tot veroordeling. Voor zover dit thans al gebeurt, komt de officier meestal pas ter zitting met zijn of haar standpunt en hangt het van de individuele officier af hoe systematisch de bewijsmiddelen worden langs gelopen. Een vroegere verantwoording van de bewijsmiddelen heeft tot voordeel dat de officier van justitie zelf al in een vroeg stadium kan controleren in hoeverre hij of zij een overtuigend verhaal heeft of waar nog nader gerechercheerd moet worden. Ook de terugkoppeling naar de politie kan dan systematischer en voor de aanvang van de terechtzitting. Voordeel is bovendien dat de verdediging dan meer to-the-point zijn verdediging kan richten op het vervolgingsverhaal van de officier. Wat mij betreft al schriftelijk op voorhand, omdat het debat op zitting zich dan kan concentreren op eventuele ‘zwakke schakels’ of verschillen van analysen en overtuiging. Het strafproces wordt dan meer to-the-point en het vonnis is dan niet meer de eerste gelegenheid waarin de feiten voor het eerst systematisch worden geordend en het verhaal verteld moet worden.

Peter Lemaire
Rechter op Aruba