De strafmaatkloof

Ik wil het nog eens hebben over het strafniveau in Nederland. Ten tijde van de discussie over de minimumstraffen, een aantal jaren geleden, werd van diverse kanten beweerd dat die straffen helemaal niet nodig waren omdat Nederland al hoog scoorde op het punt van de punitiviteit en in Europa een soort koploper was geworden. Alle zeilen werden bijgezet om te laten zien dat er aan strafrechtelijke minima geen enkele behoefte bestond.

Ik heb altijd beweerd dat het strafniveau in Nederland aan de zeer lage kant is en nimmer ben ik tegengesproken. Steun was er echter evenmin. Die is er nu wel in de vorm van een artikel van Berghuis, nog wel in Trema, die langs andere lijnen dan ikzelf, concludeert dat Nederland met zijn aantallen gedetineerden, in Europees perspectief, inmiddels in de onderste regionen is terecht gekomen. Zo dat is dan in ieder geval duidelijk.

Ik wil het echter over een ander aspect van de strafmaat hebben en naar aanleiding daarvan ook de minimumstraffen nog eens tegen het licht houden. En overigens: waarom zijn er wel minimumlonen en minimumuitkeringen maar geen minimumstraffen? Giften moeten wel aan minimumeisen voldoen; voor boetes geldt dat kennelijk niet.

Wat me bij de bestudering van de straffen die in Nederland worden opgelegd iedere keer weer opvalt is het grote, om niet te zeggen tamelijk verbijsterende verschil tussen de door de wetgever geformuleerde maximumstraffen en het feitelijke strafniveau, zeg maar de gemiddelde sancties. Gegevens daarover zijn te vinden in de onvolprezen publicatie Criminaliteit en Rechtshandhaving.

In de tabellen bij hoofdstuk 6, de afdoening door de rechter, zijn zowel algemene cijfers te vinden over aantallen afgedane zaken, vrijspraken, schuldigverklaringen en opgelegde straffen, maar die gegevens zijn ook voor categorieën van delicten en zelfs voor individuele misdrijven beschikbaar. Als er een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd, is ook het gemiddelde aantal detentiedagen per feit bekend, evenals het totale aantal detentiejaren dat met dit soort feiten gemoeid is. Gegevens genoeg dus om een beeld te krijgen van het strafbeleid per delict(categorie).

Daarmee heb je echter nog geen beeld van de mate waarin de rechter gebruik maakt van de strafruimte die hem door de wetgever is verleend. Er zijn ook hier vast weer meer wegen die naar Rome leiden, maar ik heb de volgende gekozen, ervan uitgaande dat de maximale op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf die ruimte naar boven afgrenst. Daarna heb ik de volgende stappen gezet:

1. Bepaal het aantal gevallen waarin de rechter een deels onvoorwaardelijke hoofdstraf heeft opgelegd. Stel dit op 100%.
2. Bereken het aandeel van de (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze 100%.
3. Vermenigvuldig dit aandeel (zeg 80% oftewel 0,80) met de gemiddelde aantal opgelegde detentiedagen.
4. Deel het product van deze vermenigvuldiging door het maximale aantal detentiedagen dat krachtens de wet had kunnen worden opgelegd.

Ik heb voor een aantal veelvoorkomende, of anderzijds relevante misdrijven deze exercitie uitgevoerd. Omdat de afdoening van veel (de meeste) misdrijven in de eerste drie groepen door de politierechter geschiedt, heb ik daar als basis niet de wettelijke maximumstraf als uitgangspunt genomen, maar de 1 jaar die de politierechter ten hoogste mag opleggen. Wat levert die exercitie nu op?

Beginnen we met de gekwalificeerde diefstal, art. 311 Sr. De maximaal op te leggen gevangenisstraf bedraagt 6 jaar (in uitzonderingsgevallen 9 jaar). In 2014 werden er voor dit misdrijf in totaal 9183 (deels) onvoorwaardelijke hoofdstraffen opgelegd. In iets meer dan de helft van de gevallen (52%) was dat een gevangenisstraf; in 11% een geldboete en in 37% werd een taakstraf opgelegd. De gemiddelde duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf was 83 (detentie)dagen. Volgens het gekozen stappenplan leidt dat tot de volgende uitkomst: 0,52 x 83 : 365 = 11%. Dat is derhalve, uitgaande van het politierechter maximum het deel van de strafruimte dat de rechter bij gekwalificeerde diefstal benut. Van het wettelijk strafmaximum is het nog geen 2%.

Bij het misdrijf vernieling werd er in 2014 in 2243 gevallen een onvoorwaardelijke hoofdstraf opgelegd. Het aandeel van de gevangenisstraf daarin was iets meer dan 13% en de gemiddelde aantal dagen 27; dat alles leidt tot een benuttingsquote van ruim 3% van de ruimte van de politierechter en tot ruim 1% van de wettelijke ruimte.

Mishandeling laat weer een ander beeld zien: 8394 onvoorwaardelijke hoofdstraffen waarvan 22.4% gevangenisstraffen met een gemiddelde duur van 86 dagen oftewel een benutting van 6% van de beschikbare strafruimte voor de politierechter.

Verkrachting: slechts 77 onvoorwaardelijke hoofdstraffen (in 2007 nog 205), waarvan 82% gevangenisstraffen met een gemiddelde duur van 593 dagen. Benuttingsquote 11%.

Ten slotte de levensmisdrijven een categorie delicten met als maximale hoofdstraf levenslang. Dat is moeilijk rekenen en daarom heb ik hier 15 jaar als strafmaximum genomen. Dat levert de volgende berekening op: 488 onvoorwaardelijke hoofdstraffen waarvan 87% gevangenisstraffen met een gemiddelde duur van 858 dagen en derhalve een benutting van de strafruimte van 16%.

Wat opvalt is, dat naarmate de strafruimte groter is, de benuttingsquote toeneemt: bij de verkrachting tot 11% en bij de levensdelicten tot 16%. Maar dat is dan ook het maximum. Hoe minder ernstig een feit is, hoe minder de geboden ruimte, hoewel die dan natuurlijk ook veel kleiner is, wordt benut: bij vernieling slechts 3% van het bereik van de politierechter.

Men zal mij tegenwerpen dat deze situatie een gevolg is van het feit dat voor die minder ernstige feiten de gevangenisstraf nu eenmaal de uitzondering is in plaats van de regel. Dat snap ik ook wel en dat heeft uiteraard ook zijn weerslag op de uitkomsten van mijn exercitie. Maar de volgende vraag is dan natuurlijk waarom dat zo is. Waarom wordt er maar in iets meer dan de helft van de gevallen een gevangenisstraf opgelegd voor woninginbraak? Ik beschouw dat als een zeer ernstig feit, niet zozeer vanuit het vermogensperspectief, maar vanuit de ermee gepaard gaande aantasting van de privacy en de grote gevoelens van onzekerheid die er veelal het gevolg van zijn.

Het antwoord op deze vraag luidt: vanwege de overmatige focus op de persoon van de dader en het ongeloof in de positieve effecten van de vrijheidsstraf op zijn gedrag en door de verwaarlozing van de belangen de andere doelgroepen van de sanctie.

Hoe dit alles ook zij, door het hierboven beschreven strafbeleid, werkt de rechterlijke macht, hopelijk onbedoeld, in ieder geval nauw samen met de uitvoerende macht bij het streven het aantal gevangeniscellen zoveel mogelijk te reduceren. De oppassende burger ziet dat met lede ogen aan. Wat mij betreft toch nog maar weer eens denken over de invoering van minimumstraffen!

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie