Max B. en Jezus van N.

De dubbele bodem onder uitingsdelicten

Wie puur vanwege zijn woorden ter dood is veroordeeld, was de op 14 maart 1946 geëxecuteerde journalist Max Blokzijl (*1884-†1946). Zijn proces is vastgelegd in Bronnenpublicaties No. 1 van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Het was het eerste ‘civiele’ doodvonnis dat in Nederland na de bevrijding werd voltrokken. Max was overtuigd nationaal socialist geweest en hield vanaf 1941 propagandistische radiopraatjes, die hem uiterst gehaat maakten. De terechtzitting van het Bijzonder Gerechtshof vond plaats op 11 september 1945 in het paleis Kneuterdijk. Veertien dagen later werd uitspraak gedaan. Hij werd ter dood veroordeeld, maar kreeg, hoewel de aanklager het hof in overweging had gegeven dat niet te doen (het was maar een tijdrovende complicatie), toch verlof om binnen acht dagen cassatie aan te tekenen. De Bijzondere Raad van Cassatie hield op 14 november 1945 zitting in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden. Drie weken later, op 5 december 1945, verwierp de Raad het beroep.

Een in vaderlandse traditie voortvarend gevoerd strafproces, dat eigenlijk bepaald niet ongecompliceerd was (al vond de aanklager dat wel: hij vond de zaak juridisch, feitelijk en in de beoordeling zeer eenvoudig). De raadsman verwoordt dat de emoties over deze verdachte hoog opliepen, door aan te geven dat hij wrevel ervoer toen hij aan deze verdachte werd toegevoegd. Maar, voegt hij eraan toe, in een rechtstaat heeft zelfs de grootste misdadiger recht op verdediging en hij zal dat naar zijn beste kunnen doen. Dat doet hij vervolgens ook.

Blokzijl wordt verweten dat hij propaganda heeft gevoerd “gericht op het breken van het geestelijk verzet van het Nederlandsche volk tegen den vijand en ontrouw worden van dat volk aan zijn Regeering en de gemeenschappelijke geallieerde zaak” (volgt een aantal citaten) en daarmee de vijand in oorlogstijd heeft geholpen. De raadsman wijst er aan de hand van de wetsgeschiedenis op dat de vooroorlogse strafbaarstelling niet bedoeld was om propaganda strafbaar te stellen als hulp aan de vijand. De tijdens de oorlog ingevoerde strafbaarstelling acht hij – omdat ook het oorlogsnoodrecht aan beperkingen is gebonden – ook niet zonder complicaties en zeker te zwak om een doodvonnis op te baseren. Verder vraagt hij zich af of de praatjes van Blokzijl de vijand wel echt geholpen hebben. Uit de bewijsmiddelen blijkt daarvan niets. Volgens de raadsman is het succes van de hulp als te bewijzen bestanddeel in de delictsomschrijving opgenomen en is het bij een (niet-strafbare) poging gebleven. Ook wijst hij erop dat het opzet van verdachte was gericht op het verspreiden van het nationaal-socialistische gedachtengoed, wat niet per sé gelijk is aan opzet gericht op het breken van het geestelijk verzet van het Nederlandse volk. In beide instanties worden zijn argumenten van tafel geveegd als rechtens niet relevant. De tijdgeest was er misschien ook niet naar om aan juristerij te doen, zoals de aanklager treffend namens de samenleving verwoordde.

De argumentatie van de raadsman spreekt mij wel aan. Het strafproces tegen Blokzijn vertoonde inderdaad een innerlijke tegenstrijdigheid, misschien zelfs wel twee. De felle haat die deze man opriep bij de meeste Nederlanders, duidt er op dat zijn woorden naar hun aard ongeschikt waren voor het breken van het geestelijk verzet van de bevolking. Integendeel, het lijkt er op dat zijn woorden als antiserum werkten en de afkeer van de Nederlanders van de nazistische Duitsers eerder aanwakkerden. Onbedoeld veelzeggend, is het door het RIOD zelf geschreven nawoord: “En toen het morgenrood den Oostelijken hemel in vlammen zette, viel te midden van een beklemmende stilte het salvo, dat een einde maakte aan het leven van den man, die met zijn propaganda ons volk vergeefs trachtte rijp te maken voor het nazisme”. Of hij de vijand daadwerkelijk heeft geholpen, blijft dus maar de vraag. De tweede innerlijke spanning zit hierin, dat als Max wel overtuigend zou zijn geweest, hij vermoedelijk nooit vervolgd zou zijn. Het proces is vermoedelijk niet buiten de context van zijn tijd te begrijpen.

Wie ook zuiver vanwege zijn woorden werd berecht en ter dood gebracht, was Jezus van Nazareth (*0-†33), maar met een totaal ander gevolg. Hij bekritiseerde de heersende religieuze opvattingen, noemde zichzelf (uitgerekend hij, een plattelandsjongen, geboren in een voederbak, rijdend op een ezel) zoon van God en schopte daarmee tegen de schenen van schriftgeleerden en hun medestanders. Ook hij moet in zijn tijd bij een zodanig breed publiek zo veel haat hebben opgeroepen, dat de Romeinse stadhouder er aanleiding in vond hem ter dood te veroordelen, ook al vond hij zelf dat Jezus onschuldig was. Nog liever liet het volk een moordenaar gaan. Hij werd vastgespijkerd aan een houten kruis en overleed kort daarna. Waar Max in de geschiedenis een dode verrader is gebleven, is naar Jezus een nieuwe jaartelling genoemd. Dat komt zo. Jezus pretendeerde Gods zoon – eigenlijk God zelf – te zijn, die mens van vlees en bloed werd om uit solidariteit met zijn schepselen zelf het lijden door mensen veroorzaakt (wel beschouwd zijn eigen toch niet helemaal perfecte schepping: dat Adam en Eva meteen van de appel zouden eten, had hij natuurlijk kunnen weten), te ondergaan en door een soort boetedoening een aftrap te geven voor een nieuw begin. In beeldspraak wordt hij vergeleken met een slachtlam. Een zeer wonderlijke god, vooral in Romeinse ogen, want hun goden baseerden hun almacht niet op slachtofferschap maar op echte macht. Nou ja, echt… het is maar hoe je het bekijkt. Jezus liet zien dat zijn kwetsbaarheid voor macht kan staan. De romeinen hadden hem beter niet ter dood kunnen brengen. Binnen betrekkelijk korte tijd legden hun goden namelijk het loodje en, sterker nog, werd hun eigen machtige staatsapparaat de krachtige verbreider van het geloof in de timmermans(stief)zoon.

Dit soort dubbelheden kom je vaker tegen rond uitingsdelicten. Naar het schijnt, heeft de koninklijke familie weinig op met vervolgingen wegens majesteitschennis. Voor je het weet, straalt zo’n proces negatief op jou af of worden er eindeloos grappen over je gemaakt. En een verdachte kan ook zomaar in de robin hoodrol terecht komen. Met het veranderen der tijden wordt er achteraf ook nog wel eens anders tegen dit soort processen aangekeken.

Normen moeten, gezien hun aard, als het goed is worden (uit)gedragen of soms herontdekt door de samenleving zelf. Zoals het effect dat Max Blokzijl zijns ondanks bereikte met zijn propaganda: het volk raakte van het tegendeel van zijn gedachtengoed overtuigd. Daar voegde het strafproces niet veel aan toe. En zoals minister Asscher onlangs deed, toen hij die mensen aan de kaak stelde, die op internet nare dingen over anderen zeggen, vooral degenen die dat anoniem doen of onder schuilnamen. Wie reacties onder sommige nieuwssites leest, ziet inderdaad nogal wat onbeschaafde, lompe en onintelligente uitlatingen. Asscher deed er goed aan te laten weten dat de aan zijn adres gerichte vuigheden hem pijnlijk raakten. Daarmee wordt de zin van de fatsoensnorm die hij daarbij en passant in herinnering riep, naar de menselijke maat nog het sterkst geïllustreerd. Vroeg of laat kan immers iedereen lijdend voorwerp zijn.

Peter Lemaire
Rechter op Aruba