Politiereorganisatie

Het presteren van bedrijven, commerciële organisaties, wordt afgemeten aan omzet en winst. De ontwikkeling van die twee outputfactoren bepaalt in hoge mate de aandelenkoers en dus de waarde van het bedrijf. Bij overheidsorganisaties ligt dat genuanceerder. Daar is, formeel, geen sprake van omzet en winst, maar kunnen de prestaties wel degelijk ook in dat soort termen worden bekeken. Bij de politie bijvoorbeeld waar de bestrijding van criminaliteit één van de maatschappelijke hoofdtaken is, ligt het voor de hand de omvang van de criminaliteit waarmee de politie zich bezighoudt, als omzet te beschouwen en de hoeveelheid opgeloste misdrijven als winst te definiëren.

Wat dan vervolgens opvalt is dat het bij discussies over de politie zelden over deze twee kernvariabelen gaat, terwijl daar toch alle aanleiding voor is. Ze zijn namelijk in het afgelopen decennium beide met zo’n 30% gedaald en bovendien is de kwaliteit van de “opgeloste” zaken zodanig afgenomen dat het OM de helft van de zaken die het zelf afdoet moet seponeren, 50.000 in getal. Dit gebrek aan resultaat lijkt echter, anders dan bij bedrijven, nauwelijks invloed te hebben op de virtuele aandelenkoers van de politie. Hoe komt dat?

Ik zie twee hoofdoorzaken. De eerste is dat de politie veel te veel met zichzelf bezig is en veel minder op de samenleving is gericht als, gezien haar maatschappelijke opdracht, zou mogen verwacht. Ik zal het daar een volgende keer uitgebreid over hebben. De tweede is dat de burgers die naar analogie van het bedrijfsleven als de feitelijke aandeelhouders van de politieorganisatie moeten worden beschouwd onvoldoende mogelijkheden hebben om hun opvattingen over het presteren van de politie tot uitdrukking te brengen. De verantwoordingsstructuur en daarmee de democratische inbedding is dermate complex dat niemand van de betrokkenen namens de burgers, in de gemeente of in het land, kan spreken en niemand voor het geheel verantwoordelijk is.

Dat was vroeger zo met 25 korpsbeheerders, die zelf ook gezagsdragers waren en die daarnaast de (gezag)belangen van de andere burgemeesters in de regio en van het Openbaar Ministerie moesten behartigen. Maar het is nog steeds zo, ook nu er nog maar één korpsbeheerder is. Als de politie in Heesch, onvoldoende in staat blijkt om een vergadering van de gemeenteraad te beveiligen kan de burgemeester daarover de lokale politiechef aanspreken; die is echter voor de beschikbaarheid van voldoende capaciteit afhankelijk van de korpsbeheerder die in de huidige situatie in Den Haag is gezeten en verantwoording aflegt aan de Tweede Kamer. Als een OVJ geconfronteerd wordt met een verknoeid opsporingsonderzoek, kan hij zich daarover beklagen bij zijn Hoofdofficier. Die kan de politiechef aanspreken, en via het College van Procureurs generaal kan ook hier de korpsbeheerder worden aangesproken, maar ook hier ontstaat er al snel een zelfde soort patstelling tussen gezag en beheer.

In zijn interessante beschouwing “Politie en staat” (in de bundel “Politie. Studies over haar werking en organisatie”) komt Rosenthal te spreken over het beginsel van checks and balances en het tegengaan van machtsconcentraties in het Nederlandse politiebestel. Hij merkt daarbij op “dat de nadruk eerder ligt op het rechtsstatelijk karakter van de verhouding tussen bevoegd gezag en politie dan op het democratisch gewicht van het bevoegd gezag. In de relatie tussen staat en politie domineert in ons land het wettelijk kader, niet de democratische verankering”. Ik vind dat in de huidige tijd onterecht. Temeer omdat Rosenthal ook schrijft: “Er is weinig fantasie voor nodig om te begrijpen dat de spreiding van macht en invloed bij de externe controle en sturing van de politie tot onduidelijkheid en verwarring kan leiden en daardoor afbreuk kan doen aan de krachtdadigheid van die sturing en controle.”

Tegen deze achtergrond pleit ik ervoor om de politieorganisatie te splitsen in twee organisaties en gezag en beheer bij elk daarvan in één hand te brengen. De ene organisatie houdt zich bezig met de handhaving van de openbare orde en de criminaliteit die daar direct of indirect aan is gerelateerd. Rosenthal beschrijft de situatie waarin de burgemeester extra inspanningen van de politie eist om de overlast van rondhangende jongeren te bestrijden en het OM geen aanleiding ziet passende justitiële maatregelen te treffen met als gevolg dat de politie haar eigen baas kan kiezen.

Die tweespalt kan worden opgelost door de burgemeester ook het gezag te verlenen over al die criminaliteit die, direct of indirect in verband staat met vraagstukken van openbare orde en lokale veiligheid. Hij mag/ moet kunnen bepalen welke lokale prioriteiten bij de bestrijding van dit soort criminaliteit worden gesteld. Als dit zogenaamde loopzaken betreft, zaken die de politie zonder tussenkomst van een OVJ naar het OM zendt, verandert er feitelijk niets; als een officier leiding geeft aan zo’n onderzoek ook niet, behalve dan dat hij handelt op gezag van de burgemeester in plaats van op zijn eigen. Over al zijn activiteiten ter zake legt de burgemeester verantwoording af aan de gemeenteraad. Diens betrokkenheid zal op die manier ook verheven raken boven het niveau waarvan Rosenthal zegt dat het meestal beperkt blijft tot de vraag hoeveel “eigen” politiemensen men ter beschikking krijgt. De burgemeester krijgt namelijk ook het beheer en is daarmee degene die ook, binnen landelijke kaders, verantwoordelijk is voor alles wat daar onder valt. De bekostiging van deze politieorganisatie valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van BZK en de begroting ter zake moet uiteraard goedgekeurd worden door het parlement. Idealiter moet deze situatie in iedere gemeente worden ingevoerd. Gemeenten zijn in de afgelopen jaren gemiddeld al heel wat groter geworden en dat proces is nog volop gaande. Eventuele bezwaren op grond van schaalgrootte zullen dus vanzelf “uitsterven” en anders is altijd nog de mogelijkheid tot samenwerking tussen gemeenten.

De andere organisatie houdt zich bezig met die criminaliteit die niet lokaal “neerslaat” of is gerelateerd. Daarbij wordt het OM in dezelfde positie gebracht als de burgemeester bij de “lokale politie” en krijgt, naast het gezag over deze landelijk opererende politie ook het beheer. Via de Minister van Justitie – dat van Veiligheid en Justitie is inmiddels gesplitst – legt het OM verantwoording af aan de Staten Generaal.

Over de exacte grens van beide domeinen zal nog wel heel wat gesteggeld worden. Wat is precies landelijk en wat is lokaal? Wat moet er met de verkeerscriminaliteit op rijkswegen; waar komen de Boa’s terecht; zijn de afrekeningen in Amsterdam lokaal of juist nationaal. Al die vragen moeten worden beantwoord. Gelet echter op de toenemende druk om tot een goed georganiseerde en effectief opererende politie te komen, ben ik er, ook gezien de ervaringen uit het verleden, van overtuigd dat er een passend antwoord zal worden gevonden.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie