Max W.

Rechtspraak, rationele mythes en de vloek van welvaart

Net als Karl Marx was de socioloog (en nog veel meer) Max Weber een denker van de moderne tijd. Beiden verschilden radicaal van elkaar. Weber was gefascineerd door de rationalisaties van het moderne kapitalisme waarvan hij het ontstaan in de westerse wereld, in sterk contrast tot Marx die de klassenstrijd als verklarende factor hanteerde, mede verklaarde uit het in Europa opgebloeide protestantisme met zijn ascetische en ethische, op arbeidsmoraal gerichte houding. Zijn invloed werkt tot op de dag van vandaag door en is voor het praktisch dagelijks leven vermoedelijk nog vele malen groter dan die van Karl Marx.

Beiden verkeerden in de veronderstelling dat de mensheid een ontwikkeling met een zeker doel doormaakte. Bij Marx lag dat doel ingebed in de volgens hem onstuitbare ontwikkeling van de geschiedenis. Weber zag een doel van de mensheid omdát mensen dat op culturele en religieuze grondslagen nastreefden. Landen met een overwegend orthodox christelijk geloof, zoals Rusland, Griekenland en Bulgarije, zouden bijvoorbeeld veel minder zijn gericht op ontwikkeling, en er een meer statisch wereld- en geschiedbeeld op na houden, gelijk traditioneel levende volkeren op andere continenten.

Wie de West-Europese en Noord-Amerikaanse politiek vergelijkt met die van bijvoorbeeld Rusland, ziet dat het laatste land relatief veel belang hecht aan zijn plaats en aanzien in de wereld, aan patriottisme, aan de Russische ziel, wat die ook moge inhouden, en vanouds – om mij overigens onduidelijke redenen – een soort messianistisch ideaal heeft om de wereld zuiver te houden en te redden, in welk kader men een hekel lijkt te hebben aan ‘modernisme’, zoals het toekennen van gelijke rechten aan homo’s. Een land als Oekraïne wordt vrijwel letterlijk verscheurd door de onverzoenbaar lijkende oostelijke en westelijke helft.

Nauw verwant aan het ontwikkelingsdenken is het denken en handelen in rationele structuren tegenover het handelen langs traditionele of religieuze patronen en gewoonten. Rationele structuren zijn inderdaad belangrijk. In Weberiaanse zin, omdat een goede structuur zorgt voor bijvoorbeeld een efficiënt en niet verkwistend overheids- en industrieel apparaat. Zodanig streven naar efficiency is, anders dan antiglobalisten vaak menen, niet verkeerd, maar voorkomt verspilling en zorgt ervoor dat de middelen die er zijn, zo goed mogelijk worden gebruikt, zodat de onder de mensen te verdelen taart zo groot mogelijk wordt (hoe de taart wordt verdeeld, is natuurlijk een politiek vraagstuk). In plaats van dingen te doen, zoals ze al eeuwen worden gedaan of zoals ze door gewoonte, rite of religie worden voorgeschreven, moet je dus telkens weer herijken, efficiënter worden, door middel van feed-back het systeem verbeteren, nieuwe technieken ontwikkelen, systeemfouten herstellen, de dingen vandaag beter doen dan je ze gisteren deed.

Ook in Marxistische zin doen structuren ertoe, nog meer zelfs dan bij Weber. Bij Marx ontwikkelt de geschiedenis zich – als gezegd – langs wetmatige lijnen. In het Marxistisch denken is de mens bovendien zelf gevormd door de klasse waartoe hij behoort. Ben je ‘bourgeois’, edelman of arbeider, dan denk je – bewust en onbewust – als zodanig, conform je klassenbelangen, en kom je, een enkeling zoals Karl en zijn strijdmakker de industrieel Friedrich Engels daargelaten, daar niet goed los van. Ook bijvoorbeeld misdaad kon uit structuren worden verklaard en zou zelfs door middel van een betere structurele aanpak te bestrijden zijn.

Misdaad is in het denken van Marx het gevolg van een structuur waarin bezit niet gelijk is verdeeld. Zou de ongelijkheid zijn opgeheven, dan zou ook misdaad vanzelf (grotendeels) verdwijnen. In de traditionele christelijke visie daarentegen, is de mens in aanleg tot het slechte geneigd en niet in staat zichzelf zonder hulp (bijvoorbeeld de kerk met haar disciplinerende structuur, wier dienaren en dienaressen – tragisch genoeg, maar dogmatisch niet-onlogisch – zelf voor wandaden ook niet immuun waren en zijn) te corrigeren. In de heersende liberale visie is misdaad te bestrijden door consequent straffen, lik op stuk beleid, zero tolerance, ‘keiharde aanpak’ en dergelijke opvattingen meer die uitgaan van de mens als rationeel kiezend wezen, waarbij het slechts de uitdaging is het juiste beleid te kiezen en zo onverbiddelijk en consequent mogelijk uit te voeren. De geschiedenis laat eerder zien dat in alle opvattingen wel een kern van waarheid zit, maar dat elke opvatting op termijn steeds weer de neiging heeft tegen de grenzen van zijn eigen houdbaarheid aan te lopen.

Sporen van dit soort denken kom je alle dagen tegen in beleidsnota’s, krantenartikelen, strategische visies, nieuwjaarsredes. Ook in de politiek gaat het vaak over gewenste ontwikkelingen die moeten worden nagestreefd of ongewenste die moeten worden bestreden, zoals de kloof tussen arm en rijk. Alles staat welhaast in het teken van structuur- en ontwikkelingsdenken, we moeten onze kinderen niet met onze schulden opzadelen, we moeten af van fossiele brandstoffen anders gaat de temperatuur omhoog en houden over x-jaar onze dijken het niet meer, we moeten meekomen in de wereld, onze kinderen moeten Engels spreken en naar buitenlandse universiteiten, we moeten de loonontwikkeling beperken anders kunnen we niet meer mee, de vergrijzing maakt dat we over x-jaar dit of dat niet meer kunnen enzovoort.

Veel problemen en oplossingen worden aan tekortschietende of na te streven ‘structuren’ gekoppeld. Vraag een leraar op school, en je krijgt talloze voorbeelden van ouders van kinderen die moeite hebben met leren, die de leerproblemen niet daaraan wijten, maar aan de school, het falende lesprogramma, oneerlijk uitpakkend beleid e.d.. Het onderwijssysteem wordt al decennia lang onderworpen aan de ene structuurwijziging na de andere, bijvoorbeeld om ‘gelijke kansen’ te creëren, het niveau op te krikken, de rekenvaardigheid te verbeteren, de studenten tot groter ijver te prikkelen. Alleen al uit de schijnbare noodzaak iedere keer weer naar de structuurwijziging te moeten grijpen zou je kritische vraag kunnen stellen of die wijzigingen eigenlijk wel zin hebben.

In de discussies over de zorg worden individuele problemen op politiek niveau besproken en vrijwel steevast gekoppeld aan de falende zorg als systeem en niet bijvoorbeeld aan een falend tehuis, of falende individuen met de handen los van het bed.

In het justitieel apparaat zijn incidenten vrijwel steeds aanleiding tot aanscherping van de wet, verhoging van het strafmaximum, uitbreiding van de voorlopige hechtenis, beperking van bevoegdheden bij de een en uitbreiding bij de ander.

Zijn er incidenten, een ernstige brand, of relletjes, dan worden in sommige minder rechtvaardige landen algauw arrestaties verricht om (al dan niet vermeend) schuldigen op te sluiten en daarmee de publieke opinie te sussen. Bij ons en ons omringende landen wordt daarentegen minder gauw de schuld geworpen op individuen, maar wordt algauw de vraag opgeworpen of het systeem wel adequaat heeft gereageerd, of het vergunningstelsel voldoende waarborgen biedt, de politie wel adequaat heeft gereageerd en of de minister voldoende vat op de ontwikkelingen heeft en voldoende zijn of haar best heeft gedaan om het parlement tijdig en volledig te informeren. Soms noemt men per ongeluk niet de daders of raddraaiers ‘de verantwoordelijken’ maar de politie of de betrokken overheid.

In reactie wordt in ons soort landen dus meestal naar een structurele oplossing gezocht. Neemt een bestuurder of minister geen structurele maatregelen dan komt dat hem of haar op kritiek te staan en – zeker bij een volgend incident – komt de houdbaarheid van de functionaris op de agenda. Het is om die reden dus voor alle functionarissen met een leidinggevende of coördinerende taak, verstandig om zo veel mogelijk bezig te zijn met structurele oplossingen. In onze cultuur is dat een rationele overlevingsstrategie. Eenvoudig zeggen: ‘mensen de wereld is onvolmaakt en oneerlijk, het is niet anders, we kunnen ons geld maar één keer uitgeven, we doen hier even niets aan’ wordt in rijke landen niet makkelijk geaccepteerd en vormt politiek het equivalent van de eigen tenondergang.

Het nemen van structurele maatregelen wordt dus als iets goeds ervaren, is nodig, er wordt een organisatie gekanteld, gecentraliseerd, gedecentraliseerd, gefuseerd, ontvlochten, onder toezicht geplaatst, geprivatiseerd, of genationaliseerd. Organisatie-adviseurs varen er om minstens twee redenen wel bij. Zij hebben de blauwdrukken klaar liggen en vormen, mits zij een kwalitatief goede reputatie hebben, een garantie voor de verantwoordelijken, mocht het mis blijven gaan (en incidenten zullen er altijd zijn), dat zij niet amateuristisch gefröbeld hebben. De tijd dat je als verantwoordelijke bezig bent met een structuurwijziging vormt verder gedurende langere tijd een zekere bescherming tegen nieuwe incidenten, want men ís immers nog bezig de structuur aan te passen.

Waar ik de aandacht op vestig, zijn de neveneffecten, de culturele kant zo u wilt, van een op zichzelf wenselijke manier van denken, waar naar mijn smaak – ook in de rechterlijke organisatie – soms te veel energie wordt gestoken in structuuraanpassingen, die eigenlijk niet rationeel zijn, niet voldoende zijn gebaseerd op een kosten/baten-analyse, te vaag zijn, tot niks kunnen leiden, of omwille van een jaarplan of het kalmeren van een meningsverschil er nog even tussendoor gedaan moeten worden.

Ook de rechterlijke werkgemeenschap en zijn bestuurders en leidinggevenden, dansen met elkaar soms een vermoeiende tango. Veel rechters zijn bijvoorbeeld het marktgerelateerde jargon en denken in de rechtspraak begrijpelijkerwijs meer dan zat. Maar in de interactie met hun besturen, leidinggevenden en de raad voor de rechtspraak zie je schrijvers van protestnota’s vreemd genoeg (Marx zou het misschien vanzelfsprekend vinden) vervolgens datzelfde jargon en denken hanteren, maar dan vanuit het door het bestreden managementdenken zelf aangereikte tweelingbroertje van het kwantitatieve denken, namelijk ‘de kwaliteit’, iets waar in het tijdperk van vóór het managementdenken nooit iemand het over had omdat vakmanschap als vanzelfsprekend voorop stond. En zo zit de muis in de val. Raad en besturen reageren welwillend op door rechters geuite onvrede, door kwaliteitsprogramma’s op te zetten, ‘kwaliteitsfunctionarissen’ aan te stellen, kwaliteitscommissies op te richten, en andere op kwaliteitsverbetering gerichte beleidsplannen te initiëren. Die kosten iedereen dan wel tijd en geld en is dat het altijd waard?

Ik vermoed dus dat de oorzaak van dit repeterende fenomeen zit in onze gehechtheid aan systeem-denken en in de bij de meesten van ons levende overtuiging dat structurele aanpassingen beter zijn dan ad hoc-reacties of zelfs het uitblijven van enige reactie, als dat rationeel mocht zijn (wat heel vaak het geval is, maar wat niet makkelijk is te verkopen of wordt geslikt). Zo gaat er veel energie zitten in systeemaanpassingen naar aanleiding van incidenten en conflicten, terwijl ze het systeem niet of nauwelijks daadwerkelijk veranderen of verbeteren, maar iedereen lijkt er om eigen redenen tevreden mee. De middelen zijn ervoor beschikbaar (tijd eigenlijk niet, want die zou aan rechtspraak besteed moeten worden) en de bereidheid bestaat die daarvoor in te zetten. Het is moeilijk – ervaar ik persoonlijk als leidinggevende ook – te zien wanneer je de tango niet moet dansen, omdat incidenten, in Weberiaans denken, feed-back zouden moeten opleveren om het systeem te verbeteren. Zonder dat, zouden we allemaal in rammelende Lada’s moeten blijven rijden. Maar het is paradoxaal genoeg juist onze welvaart die ons ook in staat stelt niet kritisch genoeg te zijn en ons geld mede te besteden aan minder rationele neveneffecten van dit soort denken, die iedereen ook nog eens tevreden lijken te stellen. In landen waar de middelen schaarser zijn, bestaat de vrijheid niet om je van dit soort mechanismen te bedienen en moeten noodgedwongen dus meer keuzes worden gemaakt om iets dan maar niet of minder te doen. Vanuit een werelddeel 8.000 kilometer verder, kan ik u verklappen: het is soms wel een verademing (en goed voor de productie-;)) eens een tijdje in Caribische sferen te verkeren.

Peter Lemaire
Rechter op Aruba