Afscheid van de rechtspraak 1995-2016

1. Aanleiding

In dit voorjaar heb ik afscheid genomen van de rechtspraak en treed ik toe tot het openbaar ministerie. Een ogenschijnlijk kleine overstap binnen de rechterlijke organisatie, maar het voelt voor mij als een grote stap. In dit voorlopig laatste blog over de rechtspraak wil ik afscheid nemen met een overdenking over de organisatie en een enkele bespiegeling over het systeem van de strafrechtspraak.

2. Drie ernstige ontwikkelingen

1. Buruma sprak zich nog niet zo lang geleden als volgt uit over de vrijheid van meningsuiting:

“De eis van totale eerlijkheid, de gedachte dat tact een vorm van hypocrisie is en dat alles, ongeacht hoe gevoelig het is, in alle openheid en zonder enige beperking gezegd moet kunnen worden, die verheffing van lompheid tot een soort moreel ideaal, dat gecultiveerde gebrek aan fijngevoeligheid is iets wat we in het Nederlandse gedrag wel vaker tegenkomen. Misschien ligt de wortel in het protestantse piëtisme, een reactie op wat men destijds zag als katholieke schijnheiligheid. Biechten moest in het openbaar worden gedaan. Discretie betekende dat men de waarheid achterhield, tact was een teken van oneerlijkheid.”[1]

Buruma typeert de Nederlandse scheldcultuur als oer-Hollandse protestantse combinatie van morele eigengerechtigdheid en een gekoesterd gebrek aan manieren.[2] Veel hoogopgeleiden, waaronder ambtsdragers in het publieke domein, vonden deze analyses scherp en doeltreffend. Mijn interne grieven zijn bekend en heb ik in meer dan 1000 gepubliceerde pagina’s uitbundig over de collega’s uitgestort: de verruwing in de samenleving is ook de rechterlijke burelen binnengedrongen. Wat ik in 2010 in De nieuwe kleren van de rechter over verruwende omgangsvormen onder rechters schreef werd toen ten onrechte toegedicht aan een enkel gerecht. Sindsdien zijn de schadelijke omgangsvormen in rap tempo toegenomen. Een groeiende groep gedraagt zich onheus naar de leiding, spreekt defamerend over elkaar of over het openbaar ministerie en zo verder. De huisvestingsmanoeuvres van de Raad voor de rechtspraak en de gerechtsbesturen waren misschien niet optimaal doordacht voor wat betreft de landing, de beleidstaal van bestuurders vind ook ik soms bepaald ongelukkig, maar vormt geen enkele rechtvaardiging voor grof gedrag. Opgenomen filmpjes met kwalijke uitlatingen en uitstraling over het eigen bestuur, ronduit beledigende opmerkingen en bejegening van de leiding, het niet meer groeten van bestuurders, het sturen van tendentieuze groepsmails en zo verder vormen een illustratie hoe ook de rechtspraak een spiegel is gaan vormen van wat Buruma over de Nederlandse omgangsstijlen beschrijft. Ik ben meer dan bezorgd over het verval van de rechterlijke attitude buiten de zittingzaal. Als de kloof tussen de normdemonstratie jegens de rechtsgenoten in zittingen en vonnissen en het zonder toga fulmineren verder gaat, kan het niet anders dan dat het aanzien van de rechtspraak verder vervalt, zoals nu al veel goede collega’s zijn geschaad. Dit verval aan omgangsvormen kan in de verste verte niet gebillijkt worden met verwijzing naar principes. Er is geen enkel principe dat standhoudt door basale omgangsvormen te schaden, mogelijk misschien in oorlogstijd, maar daar zijn we 70 jaar van verwijderd. Met deze kritiek spreek ik voor alle goede collega’s die zich louter met hun ambt bezighouden en integer hun zaken voorbereiden en uitspraken doen. Helaas is er door het grote stilzwijgen van de meerderheid een minderheid van pakweg 30 procent, waarvan sommigen zich tegenlicht noemen, de bühne beklommen die te weinig wordt weersproken en gecorrigeerd.

2. Een tweede ontwikkeling is dat rechters de laatste jaren weinig innovatief vermogen hebben ontwikkeld. Veranderingen worden bedacht door bestuurders, soms onhandig verpakt, te breed uitgezet, te jubelend aangekondigd, te klunzig uitgevoerd en nog zo wat aan gebrekkigheid die elke mens en organisatie aankleven. Veel veranderingen worden echter niet verzonnen en gedragen door rechters. Deze lethargie, niet passend bij rechters met een hoogleraarsinkomen en levenslange aanstellingen, verklaart waarom het management en het besturen sinds de eeuwwisseling is opgekomen. Elke organisatie, van onderwijs, zorg, kerk, rechtspraak, is onderhorig aan veranderingen omdat anders de aansluiting met andere organisaties wordt gemist. Wie die veranderingen niet zelf vertaalt of helpt vormgeven staat aan de kant en moet toezien hoe de leiding veranderingen bedenkt en doorvoert. De kloof tussen rechters en hun leiding is hierdoor zeker verdiept, mede door de bestuurlijke taligheid die niet goed overeenkomt met wat de doorsnee rechter nodig heeft om het basale werk goed te – kunnen en blijven – doen.
Nota bene. De sterke terugloop van strafzaken, het bijplussen van tientallen miljoenen Euro’s, de afwezige aantoonbaarheid van verzwaring van zaken, maken het des te opmerkelijker dat de rechtspraak gefaald heeft in het doorvoeren van enige bezuiniging. Bezuinigingen zijn regelmatig aanjagers gebleken voor vernieuwing. Het niet in staat zijn om enige bezuiniging te realiseren, in tegenstelling tot willekeurig welk maatschappelijk deelterrein dan ook, veelvuldig onder het mom dat de rechtspraak heel bijzonder is, kennelijk meer bijzonder dan bejaardenzorg of stervensbegeleiding, verklaart mogelijk ten dele waarom vernieuwing in de rechtspraak zo ingewikkeld is (gebleken).

3. Vorenstaande overdenkingen, de verruwing binnen de paleizen van justitie in samenhang met het gebrekkige innovatievermogen van de rechtspraak, hangen rechtstreeks samen met een derde ontwikkeling, het tekortschietende leiderschap. Leiderschap moet plaatsvinden vanuit het debat over wat publieke ruimte inhoudt versus particuliere meningsvorming. In een boeiend essay betoogt De Wit dat de publieke ruimte steeds meer als verlenging of uitvergroting van de private ruimte wordt gezien: “Maar nergens wordt – bijvoorbeeld mét Hannah Ahrendt – de vraag opgeworpen of de politieke sfeer wel kan worden begrepen als een vergrote versie van de familie, of de polis wel uit de oikos kan worden afgeleid.”[3] Huiselijker gezegd: de uitdrukking “ik zeg ook maar wat ik denk” is niet alleen weinig professioneel, laat staan magistratelijk, maar toont ook gebrek aan bescheidenheid omdat de particuliere mening kennelijk belangrijk genoeg wordt gevonden om publiekelijk te delen, vooral in de wandelgangen. Emocultuur (minipolitiek zou Tom-Jan Meeus dat in zijn fraaie recente publicatie “Haagse invloeden. Hoe de Nederlandse politiek echt werkt” noemen) is de kern van kortdurend leiderschap in de rechtspraak geworden. Leiderschap zou moeten gaan over de (in)richting van de organisatie, eerst over omgangsvormen en eigen verantwoordelijkheid en organisatievermogen rond het eigen rechterlijke werk, en daarna over organisatieprincipes en –keuzen.
In het komende tijdvak is minimaal nodig dat binnen de rechtspraak wordt nagedacht over functioneel vertrouwen en tegenspraakmechanismen, geflankeerd door een bestuurlijke elite die niet alleen dat intellectuele, collegiale en organisatorische discours stimuleert en bewaakt, maar ook toeziet op wellevende omgangsvormen. Daarvoor is wel een andere taligheid en een bestuurlijke stijl nodig die primair stoelt op vakinhoudelijk gezag.

3. Prangende vragen rond de inhoudelijke ontwikkeling en afwikkeling van het strafproces

Ik schat in dat voorgaande zorgen zich de komende jaren zullen verdiepen. Een en ander kan echter niet verhelen dat de inhoud van het strafproces mogelijk aan revisie toe is.
Sinds jaar en dag wordt gesleuteld aan de wettelijke regeling rond het proces. De rechter in regie, zoals ik het sinds 2009 bepleit, wordt de toekomst. Aan de verdediging worden strengere eisen gesteld, de positie en het spreekrecht van het slachtoffer worden herzien en de bedoelingen rond deze en vele andere voornemens zijn helder: de procesvoering wordt zakelijker ingericht, bedoeld wordt een efficiëntere behandeling van de strafzaak mogelijk te maken. Dat streven is al heel lang aan de gang, het grote onderzoeksproject Strafvordering 2001 en de daaropvolgende wetswijzigingen staan, net als de cassatierechtspraak al vele jaren in dezelfde sleutel. De komende revisie staat daarmee op de schouders van de vorige. Er ontbreekt sinds jaar en dag echter debat over de vormgeving van de zitting.

Sinds mijn eerste zitting in 1995 tot en met vorig jaar is mijn continue indruk dat de strafzitting nauwelijks inhoudelijk debat oplevert. Dat heeft in het bijzonder van doen met het verificatiekarakter van het strafproces. De strafrechter verifieert, anders dan in andere rechtsstelsels, maar hopelijk kritisch, het onderzoek van de politie en niet meer dan dat. Soms worden getuigen gehoord, ter zitting of in het gerechtelijke kabinet. Maar het verhoren van verdachten en getuigen in de Nederlandse rechtspraktijk behelst geen inquisitoir doorzagen van betrokkenen. Daarvoor ontbreken de vaardigheden bij de officieren van justitie, de strafrechter en de advocatuur. Om diegenen die pleiten voor betere (scholing in) verhoormethodieken voor te zijn: de Nederlandse procespraktijk is een indirecte, meer daarvan verwachten vergt een ander procesbestel, meer op Angelsaksische leest geschoeid. Dat is niet aan de orde, dan moet er veel meer bestaande wetgeving op de schop dan thans plaatsvindt.
Desondanks verzuchten vele rechters dat de zitting er niet altijd toe doet of lijkt te doen: voor de behandeling is te veel of te weinig tijd uitgetrokken en er wordt te lang of te kort gerequireerd of gepleit. Nog wezenlijker is dat het verhoor van de verdachten zelden hout snijdt. Het komt niet vaak voor dat verdachten anders gaan verklaren dan ze reeds tegenover de politie of een eerdere rechter hebben gedaan. Ook rechterlijke woordkeuze en toonhoogte zijn vaak op straffe van de gegroeide wrakingsdreiging ingehouden van toon.

Voor mij is evenzeer wezenlijk dat de voorbereiding van de zitting zelden of nooit eenstemmig plaatsvindt. In het recent door mij uitgebrachte Het Proces (uitgeverij Boom 2015) heb ik mijn verbazing beschreven dat bij het binnengaan van de juridische operatiekamer geen van de ‘opererende’ rechters van elkaar weet hoe de behandeling van de strafzaak zal worden aangepakt, welke insteek het hoofd van het operatieteam, de zaakvoorzitter, gaat kiezen. Die onbekendheid met elkaars opvattingen komt voort uit integere afwegingen, men wil de collega niet beïnvloeden in de richting van de zitting en het raadkamerproces.

Waar leidt dit betoog toe? Een gebrekkige collegiale samenspraak tussen de drie rechters, het vlakke of te confronterende verhoor van verdachten en getuigen, het niet to the point opereren van openbaar ministerie en verdediging, daar blijft het niet bij. De uitspraken worden zelden bijgewoond door verdachten, de gehechte verdachten wordt meestal meegegeven dat ze voor de uitspraak ook hun advocaat kunnen bellen. Van soms slaapverwekkende verhoren tot het uitspreken van een vonnis in vrijwel altijd lege zittingzalen, het Nederlandse strafproces zou puntiger kunnen, dienstig aan het beter tot zijn recht laten komen van de strafzaak en de procespartijen.

Hoe dan wel? Ik refereer aan het Belgische strafproces om eens niet naar verre oorden te hoeven verwijzen. Het is goed denkbaar dat de officier van justitie tevoren een schriftelijk requisitoir indient, zonder conclusie of strafeis, maar louter met het oog op de formele voorvragen en de cruciale vragen naar het daderschap en die naar de strafbaarheid van feit en dader. Op deze schriftelijke bewijsvoering volgt een schriftelijke pleitnota van de verdediging. De strafkamer raadkamert preliminair over de gewisselde strafpunten en beoordeelt ambtshalve of er nog nader onderzoek moet plaatsvinden. Zo niet, dan kan de zitting worden gepland. Bij de aanvang van de zitting deelt de voorzitter mee wat de eerste indrukken zijn over de springende punten in de zaak, in het bijzonder stoelend op de reeds aanwezige schriftelijke gedachtewisseling tussen openbaar ministerie en verdediging. Daarna krijgt het openbaar ministerie, het schriftelijke deel aanvullend met een strafeis, en de verdediging het woord voor een tweede termijn waarin gedupliceerd wordt op de aanscherping en strafeis van het openbaar ministerie. Vervolgens vangt het verhoor van de verdachte en de eventueel aanwezige getuigen aan. Het openbaar ministerie en de verdediging krijgen uiteraard de gelegenheid nog vragen te stellen en hun ingenomen standpunt ten laatste male bij te stellen, waarna het onderzoek wordt gesloten.

Deze inrichting van het strafproces kan tegemoet komen aan een levendiger en puntiger behandeling van de strafzaak. Thans moet in een ademtocht een wisseling van argumenten plaatsvinden, waarbij officier van justitie en verdediging zich bovendien niet hebben kunnen voorbereiden op elkaars argumenten. Dat komt de kwaliteit van het debat frequent niet ten goede. Voordat een anti-houding van cijfers en financiën leidt tot een pleidooi voor meer geld en daarmee meer tijd voor de behandeling van strafzaken, het gaat mij niet om meer zittingstijd per strafzaak. Ook bij een verviervoudiging van de zittingstijd blijft overeind dat de strafrechters onderling zonder samenspraak de zittingzaal betreden en dat openbaar ministerie en verdediging niet of nauwelijks over elkaars argumenten kunnen reflecteren. Er moet meteen op elkaars standpunt gereageerd worden, ik heb zelden en misschien wel nooit meegemaakt dat de ene procespartij zich heeft laten overtuigen door de andere.

Dan resteert er nog een klein maar niet onbelangrijk detail. In Nederland is verschillende malen gesleuteld aan de gronden van de voorlopige hechtenis, maar de vrije uitleg die sinds vele decennia wordt gegeven aan de hoofdregel dat de berechting in vrijheid kan worden afgewacht, heeft enkele grote nadelen. De eerste is dat een bevel gevangenneming niet rechtstreeks kan worden geëxecuteerd, maar afhankelijk is van nadere acties, zoals in de zaak Bart van U. zichtbaar werd. Een tweede mogelijk ernstiger gevolg ziet op de normdemonstrerende betekenis van het uitgesproken vonnis of arrest. Bij de uitspraken in Nederlandse rechtszalen zijn vrijwel nooit verdachten, benadeelde partijen, publiek en pers aanwezig. Dit komt omdat het veel tijd scheelt, gehechte verdachten niet hoeven te worden aangevoerd etc. In die gevallen worden meestal uitspraken geacht te zijn gedaan en verneemt eenieder de uitspraak via de telefoon. Dat is te betreuren omdat de behandeling van een strafzaak al op kousenvoeten verloopt teneinde de procespartijen en omstanders niet het gevoel van vooringenomenheid mee te geven. Het normdemonstrerend karakter van de rechterlijke uitspraak is met deze gang van zaken niet gediend.
In het verleden zijn voorstellen gedaan, in het bijzonder door Knigge, om strafzaken van een bepaald gewicht zo veel mogelijk desnoods gedwongen op tegenspraak te laten plaatsvinden.[4] Het gaat mij in dit verband om een ander aspect. Teneinde de berechting en de uitspraak dichter bij elkaar te brengen, tussen de veelal neutrale behandeling en het per definitie geladen karakter van de uitspraak een hechtere band aan te brengen, dient de wetgever verplichte aanwezigheid van de verdachte bij de uitspraak voor te schrijven in die gevallen waarin door het openbaar ministerie een vrijheidsbeneming van langer dan een jaar is gevorderd. In het geval de strafrechter betwijfelt of de verdachte gehoor zal geven aan de wettelijke verschijningsplicht dient er een bevel gevangenneming te volgen. Het gewicht van de zaak, maar ook de beraadslagingen in de raadkamer kunnen daartoe nopen. De wetgever kan de voorgestelde wettelijke verschijningsplicht bij de uitspraak flankeren met een tweede wettelijke bepaling dat in het laatste geval na sluiting van het onderzoek en voor de uitspraak een bevel gevangenneming gegeven kan worden indien de rechter betwijfelt of de verdachte wel zal verschijnen bij de uitspraak. In het geval de verdachte bij de uitspraak verschijnt en de strafrechter legt een vrijheidsbenemende sanctie op dient deze meteen geëxecuteerd te worden. Daarmee is het fenomeen van de lopende vonnissen in ernstige zaken voor een groot deel ten einde.
Uiteraard zijn er dan nog de berechtingen bij verstek, waaraan een langdurende opvatting ten grondslag ligt die neerkomt op het in vrijheid mogen afwachten van de berechting. Deze opvatting heeft naast andere bijkomstige nadelen een lastige betekeningsproblematiek in het leven geroepen, maar een groot deel van de zwaardere strafzaken wordt met bovengenoemd voorstel ondervangen. Minstens zo belangrijk is de bijkomstigheid dat in zaken als tegen Bart van U. geen lopend vonnis was ontstaan, er een tijdige signalering was uitgegaan, maar de verdachte bij zijn uitspraak aanwezig was geweest en de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 3 jaar meteen na de uitspraak was aangevangen.
Deze voorstellen zijn dienstig aan een hoger gehalte van de normdemonstratie door de rechter, aan een betere tenuitvoerlegginspraktijk en brengen bovendien de verantwoordelijkheden tussen openbaar ministerie en rechtspraak iets meer in balans. De plicht tot executie rust nu immers en terecht op het openbaar ministerie, maar door de vrijwel altijd afwezige verdachte bij de uitspraak van het vonnis of arrest wordt niet alleen de tenuitvoerlegginspraktijk bemoeilijkt maar ook het rechterlijk gezag van de uitspraak tekort gedaan. Met een verplichte aanwezigheid bij de uitspraak ontstaat er meer een gezamenlijk belang en verantwoordelijkheid tussen de staande en zittende magistratuur.

4. Toekomst en persoonlijke eindnoten

De culturele, structurele en juridische organisatie van het strafproces is niet op orde, de vormgeving van de zittingsbehandeling is aan revisie toe. De uitdagingen zijn groot, de vraag of de rechtspleging in staat is ze overtuigend aan te gaan moet onbeantwoord blijven. Treurig is dat de spelers in een eigen tijdgewricht denken dat ze in de moeilijkste fase van de wereldgeschiedenis de grootste stappen hebben gemaakt. Maar vanuit wetenschappelijk perspectief liggen de grootste ontdekkingen en uitvindingen achter ons. De mens heeft in moeilijker tijden vliegtuigen ontworpen, maanreizen gemaakt, internet uitgevonden. De grootste innovaties liggen achter ons. Tegen die achtergrond ligt er een dure plicht op onze schouders om scherper met de spanningen van onze tijd om te gaan, waarbij in ieder slachtofferschap en passiviteit ons van de regen in de drup helpen.

Ik heb met integere collega’s gewerkt, ik heb vele fouten gemaakt, rechtspreken is het moeilijkste en intrigerendste werk dat ik heb mogen doen, grote dankbaarheid heeft me altijd vergezeld dat ik dit werk in alle verschillende soorten en maten heb mogen verrichten.
Helaas hadden mijn beschouwingen in De nieuwe kleren van de rechter voorspellende waarde en ik vrees dat we nog lang niet van de problemen af zijn. Mogelijk heb ik de grote organisatorische en personele stagnatie van de strafrechtspraak nog onderschat, hetgeen mij mijn hart doet vasthouden over wat de rechtspraak nog aan spanningen te wachten staat. Maar elke tijd krijgt en verdient zijn eigen deelnemers, dus met leidinggevenden die onvoldoende verbinding tussen vakinhoud en organisatie weten te leggen en met rechters die consequent onvoldoende de organisatorische merites van hun eigen juridisch handelen wensen te overzien, gaat de trein verder richting een nog spanningsvollere situatie. Daarbij klinken mijn wensen ietwat archaïsch. Ik wens iedereen klassieke deugden toe die begrepen kunnen worden vanuit ogenschijnlijke vergane glorie: deemoedigheid over eigen belang en prestaties, wellevendheid jegens de ander en de leiding en lankmoedigheid over de veranderingen. Misschien heb ik collega rechters bezeerd in mijn benadering van gebrekkigheid en de daaruit voortvloeiende lasten voor het eigen vakmanschap en menselijkheid en voor hun omgeving die dat vaak stilzwijgend (morrend) moet dragen. We willen liever niet bij onze juridische en collegiale gebrekkigheid stilstaan, dat doet pijn aan de ogen waarmee we ons zelf (willen) beschouwen. Ik beleef dat anders. Ik hoop consequent op welwillendheid en vergevingsgezindheid jegens mijn vele fouten en eigenaardigheden.
Het zal er op aankomen of rechters en hun leidinggevenden weer enige kanteling weten door te maken van een minder persoonsgebonden rechtspraak en persoonsgebonden vertrouwen naar een meer onpersoonlijke paleishofhouding in dienst van een millennium oud fenomeen van rechtspraak. Het mysterie van rechtspraak is meer gebaat bij een waardige houding en intermenselijke bejegening, collegialiteit en leiding dan met de bozigheid van de straat en lege mantra’s. Ik blijf opteren voor geringere verwachtingen, minder emo-cultuur en meer vriendelijkheid dan voor hoogstaande principes die meer kapot maken dan je lief is.

Ik kom toe aan mijn eindnoten. Mij rest grote erkentelijkheid naar de lange rij van leidinggevenden die me soms tijdelijk, maar meestal permanent, krediet hebben geschonken en wat ik de ene keer meer en de andere keer minder heb kunnen waarmaken: mijn presidenten Rudy, Leen, Fred, Nico, Dick en Fred en andere leidinggevenden Jenne, Bert, Henk en Peter. Rechterhanden als Freek, Nelleke, Karolien, Ineke, Hestia, Susanne, Ingeborg, Dick en Rick met wie ik een sterke wederkerigheidsrelatie had en die mijn werk hebben vergemakkelijkt, in het bijzonder door het grote vertrouwen dat we in elkaar stelden. Ook bodes als René die me altijd aan het lachen kregen zal ik blijven herinneren. Verder denk ik terug aan de vele honderden keren dat de deur van de zittingzaal openzwaaide en het gerechtshof werd aangekondigd en we als een troepje ganzen, klunzig en niet in lijn, naar binnen schoven en ik kon zeggen: gaat u zitten, tot het moment dat de zitting werd gesloten, en waar tussendoor glazen werden omgegooid, advocaten te laat kwamen, en ik soms de goede toon wist te treffen, maar ook regelmatig dacht dat ik het de volgende keer weer beter moest proberen te doen. Het zijn bijna voorbije momenten, maar die me zullen bijblijven als menselijke en organisatorische smaakmakers die mijn werkende leven als rechter het werken en het leven waard maakten. Daarbij hielp dat er met rechters, medewerkers, advocaten en advocaten-generaal heel veel is gelachen en met de grote groepen vertrouwde collega’s kon worden gespot over elkaar en onszelf. Het zijn de lach en de ontspanning die het hoge ambt relativering meegaven en het werk licht maakten.

Het openbaar ministerie wacht, een eigensoortig deel van de rechterlijke organisatie, met andere cultuurvragen, structuur en problemen. Ik zie om in weemoed en zie uit naar een nieuwe wereld. Het ga de rechtspraak goed.

Rinus Otte
Hoogleraar rechtspleging RUG en senior raadsheer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Voetnoten:
[1] Ian Buruma, Dood van een gezonde roker, Atlas Amsterdam.
[2] Grenzen aan de vrijheid, Lemniscaat Amsterdam 2010, p. 11.
[3] De publieke ruimte: geluidsversterker of bliksemafleider? In: Tussen geloof en ongeloof, Thijmgenootschap 2015, in het bijzonder pp. 75-76.
[4] Pre-advies voor de Nederlandse Juristenvereniging in 1994, getiteld Strafvordering in geding.

Een gedachte over “Afscheid van de rechtspraak 1995-2016

  1. Pingback: Rechters, weest weer waardig | ZITTINGSZAAL 14

Reacties zijn gesloten.