Karl M.

De rechtspraak is een planeconomie

Karl Marx beweerde dat dialectische krachten, eenduidig en onstuitbaar, slechts een beetje te versnellen met een revolutie, de geschiedenis bepalen in de zin van een voortdurende klassenstrijd, uitmondend, na een dictatuur van het proletariaat, in de werkelijke bevrijding van de mensheid in een egalitaire samenleving met een eerlijke verdeling van goederen via gemeenschappelijk bezit.

Zoals bekend is het, tot nu toe althans, anders gelopen (al hoorde ik eens een oudere ex-communist zeggen dat als hij van 1925 ineens in 1975 terecht zou zijn gekomen, hij gedacht zou hebben dat het communistisch ideaal verwezenlijkt was; Hij had het over Nederland, wel te verstaan, niet over de DDR of Noord-Korea). Dat wil niet zeggen dat Karl er niet toe deed. Weinig denkers hebben zoveel invloed gehad als hij. In desastreuze zin, zoals in Sovjet-Rusland waar zijn revolutionaire denkbeelden lang dienden tot rechtvaardiging van massale onderdrukking, vergoelijking van massaslachtingen en eindeloze armoede, schaarste en verspilling. In positieve zin, vooral via de door hem geïnspireerde sociaal-democraten, die het lot van de arbeidersklasse hebben weten te verbeteren, voor zover ik weet zonder bloedvergieten en strafkampen, en die daarmee ironisch genoeg Karls theorie over de wetmatigheid van de geschiedenis en de onvermijdelijke verelendung, onderuit haalden. Indirect – van de weeromstuit – ook doordat hij christelijke en liberale politieke partijen en hun achterban zodanig de stuipen op het lijf jaagde dat ook zij, vooral onder revolutiedreiging na 1918, serieus werk gingen maken van een meer sociale politiek en die uiteindelijk in meer of mindere mate ook tot de hunne maakte.

In mijn jonge jaren beleefde de belangstelling voor Marx een opleving, niet alleen onder de Karl, Che en Ho idealiserende jeugd en studenten, maar ook onder sommige ouderen die toen eigenlijk al beter moesten weten. Ook nu zie je, na bijna 10 jaar economische laagconjunctuur, bij deze en gene nostalgie opkomen naar de 19e eeuwer, en niet alleen vanwege zijn ook nu weer hippe baard. En ook nu zou men beter moeten weten.

Dit stukje schrijf ik op een veraf gelegen eiland in de Caribische zee, mijn tijdelijke vaderland met Hollands randje, gelegen op een kilometer of 30 (hemelsbreed ongeveer even ver als de afstand Arnhem-Zutphen) van de kust van een groot en eens rijk land waar de overheid – getroffen door de lage olieprijs en niet meer in staat subsidies te geven – maximum-prijzen invoerde voor eerste levensbehoeften om zo de armsten onder zijn burgers enigszins te beschermen. Helaas ontstond schaarste, niet alleen voor de armsten, want geen aanbieder kan langdurig onder de kostprijs produceren. Venezolanen die het nog kunnen betalen, komen nu naar hier hun boodschappen doen. Mensen met rolkoffertjes achter zich aan, die soms niet eens geld hebben voor een overnachting. Smalle marges, Joop den Uijl zei het al, laten weinig ruimte voor radicale politiek.

Over schaarste en verspilling wil ik het hier hebben. Schaarste en verspilling (in de zin van planmatig te weinig of te veel dingen voortbrengen die niet aansluiten op behoeften van degenen voor wie ze bedoeld zijn) ontstond in communistische landen door hun plan- of geleide economie, anders gezegd door een gebrek aan vrijheid voor ondernemers en burgers om naar soort en kwaliteit te produceren en kopen wat men wilde, te verkopen aan en te kopen van wie men wilde, waar en op welk moment men wilde en met zijn geld te doen wat men wilde. Aan vrijhandel en deregulering ligt de gedachte ten grondslag dat deze door opheffing van beperkingen en ondoelmatigheden de welvaart verhogen via kostenverlagingen, schaalvoordelen, optimalisaties e.d..

Dit streven, dat bepaald rationeel is, ook bezien vanuit het perspectief van de armen en derde wereld, staat meer en meer in een verdacht daglicht. Met enige regelmaat kun je in de media berichten lezen dat een handjevol mensen een onevenredig aandeel bezit in ’s werelds vermogen. Los van de wat flauwe vraag hoe er geteld wordt en of zo’n berekening klopt, is de suggestie die hiervan uitgaat, dat die welvaart voor herverdeling in aanmerking komt. Die suggestie lijkt mij in historisch perspectief wat misleidend. Wie af en toe de financiële pagina’s van zijn krant, het jaarverslag van zijn pensioenfonds leest of zich verheugt in de almaar dalende WOZ-waarde van zijn eigen huis, weet dat waarde van bezit tamelijk theoretisch is. Met iedere beurscrash verdampen de miljarden net zo makkelijk weer. De waarde van huizenbezit daalt met de beperking van de hypotheekrente-aftrek. Wie de Sint Pieter in Rome bezit, heeft in theorie een triple A locatie van onschatbare waarde. IS zal er misschien wat voor over hebben, maar betalen zullen ze wel niet. Wie rijk was en aandelen bezat in Russisch spoor, was in 1918 failliet. Zodra waar ook ter wereld radicale leiders nu eens echt eerlijke verdeling van welvaart willen realiseren, stort de beurs in, sluiten ondernemingen, ontstaan bankruns, weg is het bezit of althans de waarde ervan, er valt weinig meer te verdelen en er ontstaat schaarste. François Mitterrand hield zijn socialistische politiek in de 80’er jaren niet lang vol. Rusland kon na de zogenaamde oktoberrevolutie economisch gezien opnieuw beginnen en kampte ondanks de onteigening van de bezittende klasse jarenlang met tekorten en hongersnoden. Een beroemde anekdote uit de begintijd luidde als volgt. Iemand vraagt aan een communist waar het communisme voor staat. Zegt de communist: dat we allemaal alles kunnen krijgen wat we nodig hebben. Zegt de ander: je bedoelt zoals onder de tsaar?

Staat de vrije markt al in een kwade reuk, speciaal bij antiglobalisten en mensen die ‘de multinationals’ als oorzaak zien van veel onrecht, helemaal is dat het geval wanneer het om sociale of maatschappelijke diensten en staatsmachten gaat, zoals onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerheid en rechtspraak. Toegegeven, ook ik huiver bij op de rechtspraak toegepast jargon als rendement, productie, klantvriendelijkheid, doorlooptijden enzovoorts. En dan ben ik zelf nog wel manager. De rationalisering van deze diensten en machten dient echter wel een doel. Waar banken, warenhuisketens, drogisterijen, schoenwinkels, reisbureaus en dergelijke die inefficiënt zijn, niet meer mee kunnen komen, van de markt verdwijnen zonder dat schaarste ontstaat, kan dat bij bedoelde organisaties niet. Die organisaties moeten immers wel aan de burgers kunnen blijven brengen waarvoor deze zijn opgericht. Voor artsen en rechters is het heel leerzaam zelf eens als patiënt of rechtzoekende in het ziekenhuis onderscheidenlijk de rechtszaal te komen. De moeilijk te begrijpen informatie in oproepingen, het wachten, de onduidelijkheid over de behandeltijd en –duur, over het vervolg, de betekenis van dingen, een professional die niet de vragen stelt die je verwacht, die geen inzicht verschaft in zijn of haar voorlopige gedachtegang, waardoor je moet raden waarnaar men op zoek is, onduidelijkheid over wat en wanneer men zelf wat mag inbrengen. Voor je het weet sta je weer buiten. Er is ongetwijfeld al veel energie gestoken in verbetering, maar het blijft een strijd in een alsmaar bewegend getij.

De rationalisering in de zin van het stellen en nastreven van normdoorlooptijden, motiveringsvoorschriften, werklastnormen, bekostigingssubsidies (een rechtbank of hof krijgt, bij wijze van kwaliteitsstimulering, in Nederland meer betaald voor een behandeling ter zitting door drie dan door één rechter(s)) en dergelijke zijn bedoeld om via kwantitatieve ook kwalitatieve randvoorwaarden te stellen aan de rechterlijke macht. Die bedoelingen zijn zonder meer goed en regels en kwantitatieve doelstellingen zijn ook nodig, maar het resultaat draagt – zeker op termijn – net als bij een planeconomie altijd een risico in zich van verstoring, inflexibiliteit en een ongewenst nevenresultaat en een vervreemding van de rechter van zijn ‘eindproduct’. Kwaliteitsprikkels door middel van financiering creëren immers een eigen belang van de organisatie, dat niet noodzakelijk parallel loopt aan belangen van rechtzoekenden. Uitgebreide motivering levert niet per definitie betere of begrijpelijker uitspraken op, maar kan wel leiden tot grotere werkdruk, hogere kosten en mindere of latere uitstroom.

Schaarste of verspilling als gevolg van regels liggen dus ook in de rechtspraak op de loer. In die zin lijkt de rechtspraak met zijn (meer)jarenplannen dus meer op een micro-planeconomie, dan op een vrij speelveld waar rechters, gerechtssecretarissen en hun bestuurders, managers en planners kunnen inspelen op eisen en problemen van het moment, de mogelijkheden en onmogelijkheden van zogeheten ketenpartners als het openbaar ministerie, met andere woorden in te spelen op veranderde marktomstandigheden, (excusez le mot), zonder de consequenties te hoeven vrezen van het losschieten uit de ankerpunten van het kwaliteits- en financieringssysteem, dat, net als in het onderwijs en de gezondheidszorg, steeds een doel op zichzelf dreigt te worden teneinde goed uit landelijke of internationale vergelijkingen te komen. Het is de paradox van een bureaucratisch systeem, dat juist bedoeld was om verbetering van doorlooptijden en het terugdringen van achterstanden te bereiken, maar dat zeker op termijn ook beperkingen op de vrijheid meebrengt en inflexibiliteit vertoont. Op termijn bemoeilijkt dat systeem het bestuurders en managers om daadwerkelijk te besturen en managen en ruimte te geven om aansluiting te zoeken op wensen van rechtzoekenden, de advocatuur en het OM, waar thans het accent nog sterk ligt op planning en rapportage aan de Raad voor de Rechtspraak langs de parameters van het jaarplan.

De enige rechterlijke instantie die bij mijn weten schaalvergroting en bureaucratisering nog het meest heeft weten te vermijden, is het hoogste Nederlandse rechtscollege, de Hoge Raad. Door op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie te selecteren aan de poort op zaken die wel of niet in aanmerking komen voor volle behandeling in de cassatie-fase (zaken die “geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden”), houdt het hoogste rechtscollege zijn capaciteit beschikbaar voor de zaken ‘die er toe doen’ (lees: waaraan behoefte bestaat), zonder steeds te hoeven uitbreiden en – door de toets aan de poort – zonder al te veel risico’s op onrechtvaardigheden voor de rechtzoekenden. Mirabile dictu zou het voor de lagere colleges misschien ook wel een uitkomst kunnen zijn om de bureaucratie die met de grote zaaksaantallen gepaard gaat over te laten aan – wat betreft strafzaken ‘die er niet toe doen’ – het openbaar ministerie, zoals met de strafbeschikking is gebeurd, mits maar mogelijkheid bestaat op verzet en beroep op de rechterlijke macht. Iets soortgelijks zou denkbaar zijn voor andere bulkzaken, zoals echtscheidingen, alimentatieberekeningen, schuldsaneringen e.d., waarvan het niet per sé noodzakelijk lijkt die in eerste instantie door rechters te laten beoordelen. In ruil zou meer vrijheid en ruimte gecreëerd kunnen worden voor de zaken ‘die er wel toe doen’ ten behoeve van de rechtzoekenden en de maatschappij en zouden aldus de strafrechters kunnen ontsnappen aan nadelige effecten van de planeconomie en zich beter kunnen richten op de vraag naar recht.

Peter Lemaire
Rechter op Aruba