Trots en werkelijkheid

Onlangs las ik een artikel over kinderen die door hun ouders voortdurend uitbundig worden geprezen. Iedere tekening, ieder legohuisje en iedere noot die uit de blokfluit komt, wordt bejubeld alsof er zojuist een nieuwe Rembrandt, Koolhaas of Bach is opgestaan. Uit het onderzoek waarop het genoemde artikel is gebaseerd blijkt dat het gedrag van zulke ouders slecht is voor kinderen. Ze worden er onzeker en nerveus van. Ze weten namelijk, intuïtief, heel goed dat de loftuitingen overdreven zijn en niet worden gerechtvaardigd door hun “prestaties”. Als ze echt moeten presteren en lof willen oogsten, moet er heel wat meer gebeuren, vandaar die onzekerheid.

Ik vraag me af of hetzelfde mechanisme niet ook geldt voor organisaties en de mensen die daarin werken. Niet zo lang voordat hij zijn terugtreden bekendmaakte, verkondigde de baas van de Nationale Politie, dat de politie het nog nooit zo goed had gedaan als in het afgelopen jaar. Hij staafde dat o.a. met de mededeling dat er nog nooit zo weinig verdachten waren geweest als in dat jaar. Nu zijn de verdachten in Nederland nog steeds voor het oprapen en dat er steeds minder worden opgespoord valt dan ook allerminst als een prestatie te beschouwen. Het is eerder een gebrek daaraan. En ik ben ervan overtuigd dat vrijwel iedereen in de organisatie, in ieder geval de rechercheurs, dat ook heel goed weten. Lang geleden was ik eens bij de installatie van een nieuwe regiochef. In zijn installatietoespraak zei hij trots te zijn op de organisatie die hij vanaf die dag ging leiden zonder dat hij er nog indringend mee had kennisgemaakt. Enige tijd later bleek dat het betreffende korps één van de slechtst presterende van Nederland was.

Ook bij het OM en bij de zittende magistratuur valt het woord trots regelmatig. Naar mijn stellige overtuiging te vaak zonder dat de feiten daar enige aanleiding toe geven. Waarom zou je trots moeten zijn op organisaties die steeds minder produceren, daar langer overdoen en gedurende het productieproces ook nog eens een flink deel van de productie, wegens gebrek aan kwaliteit, moeten “weggooien”.

Ook elders in de samenleving barst het van de trots. Je hoort het overal en natuurlijk begrijp ik best dat spindoctors hun bazen dit soort terminologie in de mond leggen om de mensen in de organisatie op te beuren, te motiveren en te stimuleren. Maar zouden die (mensen) nu echt zo dom zijn om te geloven dat het helpt en dat de medewerkers dommer zijn dan de eerder genoemde kinderen en niet door hebben dat het allemaal grootspraak is, om geen ergere woorden te gebruiken. Als die organisaties allemaal echt zo fantastisch zouden functioneren als het gebruik van het woord trots suggereert, waarom wordt er dan op bezuinigd? De kip met de gouden eieren die ga je toch niet slachten.

Door de dikwijls grote kloof tussen woord en daad, ontstaat een soort psychologische kwakzalverij waar ieder verstandige medewerker moeiteloos doorheen kijkt. Intussen
moet gevreesd worden dat ook hier de gevolgen optreden die zich ook in het eerder genoemde onderzoek manifesteerden: onzekerheid en verlies van eigenwaarde. Daar komt in casu vermoedelijk ook nog wantrouwen bij, jegens een leiding die mooie dingen zegt, maar niet in staat is de organisatie zo te leiden dat bezuinigingen, ontslagen en dergelijke, achterwege blijven. Spreek dus de waarheid of houd anders je mond.

Het bovenstaande, toegepast op de politie, maakt duidelijk dat de problemen daar niet kunnen worden opgelost door meer geld, meer mensen, betere automatisering etc. Een oplossing kan alleen worden gerealiseerd als de prestaties van de organisatie onder adequaat en eerlijk leiderschap zodanig worden verbeterd dat er weer echt reden is om er trots op te zijn. Als er geen boeken meer kúnnen worden geschreven zoals dat van Princen, als er een cultuur ontstaat waarin geen reden meer is om geheime informatie te lekken en daardoor collega’s in gevaar te brengen en als het aantal opgespoorde verdachten weer toeneemt in plaats van gedurig daalt. Dat leiderschap hoeft niet de kwaliteiten van Bach, Koolhaas of Rembrandt te hebben, maar het moet wel eerlijk zijn en de medewerkers durven aan te spreken op fouten en gebreken. Daar mankeert het nogal aan bij de politie mede onder druk van de vakbonden.

Mensen willen serieus genomen in hun werk en andere sociale omgevingen. Dat gebeurt niet als je ze prijst als daar geen aanleiding voor is en ze niet corrigeert als dat moet. Dat leidt tot dubbele onzekerheid en daarmee zijn die mensen nog erger af dan de kinderen in het genoemde onderzoek.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie