De straftoemetingsmal: een middel om straftoemeting begrijpelijker te maken

Henk Elffers

Als een strafrechter eenmaal besloten heeft dat hij een verdachte veroordeelt voor een bepaald delict, staat hij voor de beslissing welke straf op te leggen. Het is de taak van de rechter, en van hem alleen, om binnen de in het algemeen zeer ruime wettelijke grenzen te bepalen welke straf hij oplegt, gelet op de persoon van de verdachte, de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. De Officier van Justitie zal in zijn requisitoir daartoe een voorstel hebben gedaan, en de raadsman van de verdachte zal daarop hebben gereageerd. Heden ten dage is het gebruikelijk dat de rechter in zijn motivering van het vonnis uitleg geeft omtrent welke factoren hij heeft laten meewegen bij zijn beslissing. Meestal komt dat neer op een -soms nogal obligate- opsomming van enkele feiten en omstandigheden die de rechter in zijn afweging de revue heeft laten passeren: het strafblad van de verdachte, de schade aangericht, het leed aan het slachtoffer aangedaan, maatschappelijke verontwaardiging, het voornemen van de verdachte zijn leven te beteren, de uitgedrukte spijt, het feit dat verdachte inmiddels aan een opleiding is begonnen, …

Toch is het voor slachtoffers, verdachte, toehoorders op de publieke tribune, journalisten en vaak ook voor de officier en de raadsman moeilijk te volgen waarom op zo’n opsomming nu precies een bepaalde straf volgt. Sterker, vaak hebben ze geen idee hoe de resulterende straf zich verhoudt tot de overwegingen. Dat komt, meen ik, omdat rechters niet aangeven wat in die opsomming van argumenten nu precies tot welke straf, of tot welke strafverzwaring of strafverlichting leidt. Ik pleit ervoor dat rechters in hun strafmotivering daaromtrent expliciet zijn. Stel dat een rechter de ontstane maatschappelijk onrust in een bepaald geval aanleiding vindt voor een relatief zware straf, laat hem dat dan ook verwoorden. “Omdat er veel maatschappelijke onrust is ontstaan door uw wandaad, geef ik u een zwaardere straf”. Let wel, ik pleit er hier niet voor dàt rechters een zwaardere straf moeten geven, vanwege een bepaalde factor, ik pleit ervoor dat ze expliciet verwoorden dàt ze dat doen, àls ze het doen. De rechter kan uiteraard óók besluiten dat hij diezelfde maatschappelijke onrust in een concreet geval niet wil meetellen, of zelfs ten voordele van de verdachte vindt strekken. Inderdaad, dat is precies waarom de wet straf toemeten aan een rechter opdraagt, en niet aan een protocol: het is de taak van de rechter om in alle onafhankelijkheid te besluiten welke factoren hij hoe wil laten meetellen. Navenant geldt dat de rechter zeer wel kan besluiten omstandigheden in het ene geval wel tot strafverlichting te laten leiden, maar in het andere geval niet. Die afweging te maken is en blijve de taak van de rechter, en dat we dat aan de rechter opdragen is wat het mogelijk maakt om de opgelegde straf af te laten stemmen op het geval. Aan die onafhankelijkheid moeten we niet tornen, maar dat betekent in genen dele dat we de rechter niet zouden mogen vragen ons inzicht te geven in hoe hij dan wel die omstandigheden in dit concrete geval, in al zijn onafhankelijkheid, heeft meegewogen en hoe hij de straf heeft toegesneden op dit geval, en welke uitkomst dat had. Dat we slechts dan zouden kunnen spreken van onafhankelijkheid als de rechterlijke afweging een black box is, verwerp ik ten stelligste.

Hoe kunnen we de rechter verleiden tot de verlangde explicietheid? Ik pleit ervoor dat de straftoemetingsparagraaf in een vonnis altijd vorm wordt gegeven aan de hand van een straftoemetingsmal. Die mal heeft een vast gedeelte, dat de verschillende afwegingspunten afloopt, en een variabel gedeelte dat de rechter op grond van het concrete geval bepaalt.

Ik geef een voorbeeld van een verdachte die een inbraak in een woning ten laste is gelegd, en daarnaast nog verboden wapenbezit. De rechter heeft besloten het eerste bewezen te verklaren, maar het tweede niet, daarvan wordt de verdachte vrijgesproken. Op dit punt in het vonnis aangekomen wordt de mal ingevoegd, en door de rechter gecompleteerd. De mal bestaat uit een voorgedrukt deel met vaste tekst, dat de structuur van de redenering weerspiegelt, en een variabel deel, waarin de rechter nu zijn overwegingen ten aanzien van deze concrete zaak kan noteren, en zo kan laten zien hoe hij tot een bepaalde straf komt.

Straftoemetingsmal
[Vast gedeelte is cursief gedrukt; variërend gedeelte (door de rechter voor deze concrete zaak ingevuld) is onderstreept gedrukt. De straftoemetingsmal heeft zijn plaats na de bewezenverklaring, die hier bekend wordt verondersteld, maar kort wordt gerecapituleerd].

Zoals in de vorige alinea van dit vonnis uiteengezet, veroordeelt de rechtbank verdachte omdat hij
een inbraak in een woning
heeft gepleegd.
De Officier van Justitie eiste dat de verdachte ook veroordeeld wordt voor

verboden wapenbezit
maar dat vindt de rechtbank niet bewezen (zoals eerder al uiteengezet), en daar krijgt hij dan ook geen straf voor.
De rechtbank legt de verdachte voor die

inbraak in een woning
een straf op van
5 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.
Hoe is de rechtbank tot deze straf gekomen?
In de oriëntatiepunten straftoemeting wordt als straf voor
inbraak in een woning
een straf voorgesteld van
– 3 maanden onvoorwaardelijk (als het de eerste keer is dat een verdachte hiervoor wordt veroordeeld),
– 5 maanden onvoorwaardelijk (als de verdachte eerder voor inbraak is veroordeeld),
– 7 maanden onvoorwaardelijk (bij herhaaldelijke eerdere veroordelingen voor inbraak).
Aangezien deze verdachte zoals uit zijn strafblad blijkt
één keer eerder veroordeeld is voor woninginbraak
geldt als oriëntatiepunt:
5 maanden onvoorwaardelijk
Zijn er redenen om van dit oriëntatiepunt af te wijken, en een zwaardere of mildere straf op te leggen?
De Officier van Justitie heeft als straf geëist:

een gevangenisstraf van 8 maanden, een strenge straf, omdat de verdachte bij het binnentreden grote schade heeft toegebracht aan de gegraveerde glasdeur in de gang van de woning.
De rechtbank is van mening dat
die schade aanleiding is om strenger te straffen, en besluit daarom een zwaardere straf op te leggen dan het oriëntatiepunt
De raadsman van de verdachte heeft gepleit voor
een volledig voorwaardelijke straf, om te voorkomen dat verdachte zijn net aangevangen opleiding moet staken.
De rechtbank is van mening dat
het misdrijf zo ernstig is dat een onvoorwaardelijke straf op zijn plaats is. Wel wil de rechtbank het argument van de raadsman deels volgen, en een gedeelte van de straf voorwaardelijk opleggen, om de verdachte de gelegenheid te geven zo spoedig mogelijk weer met een opleiding te kunnen doorgaan.
Daarnaast vindt de rechtbank een strafverzwaring op zijn plaats omdat:
de verdachte tijdens het proces geen enkele blijk heeft gegeven in te zien hoezeer hij het leven van de slachtoffers heeft vergald
Daarnaast vindt de rechtbank een lichtere straf op zijn plaats omdat
n.v.t.
De rechtbank ziet verder niet nog meer redenen om af te wijken van de oriëntatiepunten, en komt daarom tot de volgende straf:
De oriëntatiepunten stellen, vanwege één eerdere veroordeling voor inbraak, een straf van 5 maanden onvoorwaardelijk voor.
Vanwege de ernst van de schade voegt de rechtbank daar één maand gevangenisstraf aan toe,
en vanwege het ontbreken van inzicht in het aan de slachtoffers aangedane leed nog één maand.
Dat is samen 7 maanden.
Vanwege het belang van de verdachte om zo snel als mogelijk zijn opleiding te kunnen voortzetten, legt de rechtbank die extra twee maanden voorwaardelijk op.

Mijns inziens maakt een dergelijke gestandaardiseerde verantwoording van de straftoemeting een ieder duidelijk waarom de rechter tot zijn oordeel is gekomen. Het laat zien wat de rechter ten voordele en ten nadele van de veroordeelde heeft meegeteld, en in welke mate. Het laat ook zien welke argumenten van OM en verdediging ten aanzien van de straftoemeting door de rechter geheel of gedeeltelijk zijn overgenomen, en welke niet. De mal laat het helemaal aan de rechter over welke straf hij uiteindelijk oplegt, maar stimuleert hem dat nauwkeurig uit te leggen.

Zoals u ziet stel ik voor om in de mal als uitgangspunt te nemen de in de oriëntatiepunten straftoemeting voorgestelde straf. Er is een uitgangspunt nodig, omdat ik de hele systematiek van deze mal zo heb opgezet dat er op grond van de door de rechter herkende omstandigheden van het geval extra straf wordt opgelegd, dan wel strafvermindering wordt toegekend, ten opzichte van een standaard. Dan lijken mij de bestaande oriëntatiepunten een voor de hand liggende keus. Betekent dit nu dat ik daarmee voorstel de oriëntatiepunten, die zoals we weten geen wettelijke basis hebben, bindend te verklaren? In genen dele, ik stel voor om ze als uitgangspunt in de mal te gebruiken, maar het staat de rechter natuurlijk vrij om bij de strafverzwarende en strafverlichtende omstandigheden meteen te zeggen: “ik vind inbraak een zo ernstig delict dat ik sowieso twee maanden meer geef dan de oriëntatiepunten suggereren”. Doordat zo expliciet te verwoorden maakt de rechter het voor de lezer van het vonnis duidelijk dat de resulterende strenge straf in dit geval niet voortkomt uit de perceptie van de rechter van de persoon van de dader of van de omstandigheden, maar om zijn afweging van het ernst van het feit. Dat is winst, lijkt mij. En het noopt een rechter die zich niet kan vinden in de oriëntatiepunten om helderheid te verschaffen: wat is in zijn optiek dan wel een redelijk uitgangspunt voor het delict waarvoor de verdachte wordt veroordeeld?

Kan de rechter worden verplicht zijn vonnissen met deze mal te schrijven? Binnen het huidige wettelijke kader past een dergelijke verplichting niet, maar ik denk dat het ook niet nodig is. Als de mal goed werkt, krijgen rechters die hem niet gebruiken vanzelf door dat ze ten opzichte van dader, slachtoffer en publiek tekort schieten, in vergelijking met hun collega’s die zich wel van de mal bedienen. Dan kiezen ze vanzelf wel eieren voor hun geld. Ik zie al uit naar een hoger beroep waarin bepleit wordt dat de straftoemeting onvoldoende is gemotiveerd vanwege het negeren van de mal …

Is deze mal in steen gehouwen? Allerminst, ik heb hem op een achternamiddag in elkaar gezet, en ik kan me goed voorstellen dat rechters nog heel wat verbeteringen weten aan te brengen. Zo zijn er heel wat delicten die niet in de oriëntatiepunten voorkomen, ik heb het onderwerp van kwalificatie van delicten hier laten rusten, en de mal gaat nu nog voorbij aan gevallen wanneer iemand voor meerdere delicten wordt veroordeeld (maar juist daar zou explicietheid zeer welkom zijn!). Kortom, er is nog wel werk aan winkel voor we echt van start kunnen gaan. Ik roep de magistratuur op mijn voorstel in de praktijk te brengen: laat een werkgroep van rechters eens proberen een wat verfijndere mal te maken, die allicht beter aansluit bij het dagelijks werk van een vonnisrechter. Laten ze er eens een proef mee opzetten, bijvoorbeeld bij een reeks eenvoudige strafzaken. En laten we dat dan begeleiden met onderzoek onder slachtoffers, daders, publiek, het OM, de balie en, vooruit, rechters, naar de mate waarin het gebruik van zo’n mal de begrijpelijkheid van de straftoemeting ten goede komt. Mijn hypothese is dat gebruik van de mal ook de acceptatie van vonnissen zal verbeteren, zelfs denk ik dat een dergelijke kadrering óók leidt tot efficiënter gebruik van de tijd benodigd om te vonnissen, dus laten we dat soort aspecten meteen ook meenemen in een zodanige evaluatie. Ik ben maar wat graag beschikbaar om bij te dragen aan een dergelijk onderzoek. Welke rechters nemen het voortouw?

Henk Elffers
Emeritus hoogleraar afdeling Strafrecht en Criminologie Vrije Universiteit Amsterdam