De opbrengst van handhaving

Handhaven doe je niet voor de lol. Het is een serieuze aangelegenheid. Als iedereen zich gewoon aan de regels zou houden, was handhaving niet nodig. Of misschien toch wel? Veel regels houden immers niet vanzelf stand, maar moeten van tijd tot tijd opnieuw worden ingeprent. Eén van de mechanismen om normen in te prenten, is het strafrecht. Dat kan pas in actie komen als er een vermoedelijke normschending heeft plaatsgevonden. Het is dus per definitie reactief. Daarnaast zijn er ook z.g. proactieve mechanismen om normen te vormen zoals opvoeding, onderwijs, sociale controle e.d.

Dat het strafrecht pas reageert als er een misdrijf is gepleegd, betekent echter niet dat het alleen, in wrok, omziet. Het richt wel degelijk de blik ook op de toekomst. Helaas blijft die blik in ons land al geruime tijd uitsluitend gericht op de toekomst van de dader, de vermoedelijke pleger van het misdrijf. En laat me duidelijk zijn: natuurlijk is het van groot belang om strafrechtelijk zodanig op een normschending te reageren dat de kans op herhaling ervan wordt geminimaliseerd. Iedere veroordeelde die door een passende strafrechtelijke interventie op andere, betere, gedachten wordt gebracht is meegenomen. Maar de verdachte is niet de enige relevante normadressaat. Het strafrecht heeft meer pijlen op zijn boog.

Een heel belangrijke is gericht op het slachtoffer van het delict. Het is hier niet de plaats om in detail te schetsen hoe ontwrichtend de gevolgen van slachtofferschap voor mensen kan zijn. Vast staat in ieder geval dat er door het overkomen misdrijf gemorreld wordt aan de norm die achter de strafbepaling die deze norm beoogt te beschermen, schuil gaat. De reactie van het strafrecht heeft (dus) mede tot doel de mogelijk negatieve gevolgen daarvan voor de opvattingen van het slachtoffer over de zinvolheid van die norm te beperken en zo mogelijk te herstellen. Dat betekent dat bij het ‘construeren’ van een passende reactie niet alleen de persoon en de toekomst van de dader maatgevend mag zijn en uitdrukkelijk ook de persoon van het slachtoffer en diens toekomst moet worden meegewogen. Dat kan en moet ook tot andere accenten leiden bij de strafbepaling. Gelukkig wint dit besef steeds meer veld.

Een volgend pijl uit de strafrechtelijke koker is evenmin op de dader gericht, maar op degenen die dat zou kunnen of willen worden. Wie zijn dat? Bijvoorbeeld de vrienden van daders die net een ogenschijnlijk succesvolle overval hebben gepleegd en op de gedachte zouden kunnen komen dat er ook voor hen, zonder al teveel risico een rijke buit is weggelegd. Het straffen van (wel) gepakte overvallers, moet er dus mede toe strekken dat deze gevaarlijke gedachte zoveel mogelijk de kop wordt ingedrukt. Deze invalshoek geldt mutatis mutandis uiteraard ook voor potentiële daders van andere misdrijven. Vanuit die invalshoek worden er waarschijnlijk andere accenten gelegd dan vanuit het uitsluitende daderperspectief (Jihadstrijders).

De laatste, maar zeker niet minste pijl van het strafrecht moet altijd gericht zijn op de samenleving als geheel, op diegenen die niet als dader, slachtoffer of potentiële wetsovertreder bij het gepleegde misdrijf, direct of indirect, zijn betrokken. Dat zijn dus de mensen die de norm die zojuist is geschonden in ere houden en doordat ze kennis nemen van het gepleegde misdrijf aan het twijfelen kunnen worden gebracht over de vraag of dat nog wel de moeite loont. Deze zogenaamde conformisten/’law abiding citizens’ vormen naar mijn mening au fond de belangrijkste doelgroep (vandaar die pijlen) van het strafrecht. Ze zijn de ruggengraat van de samenleving; als hun besef van goed en kwaad gaat schuiven, kan die samenleving in grote problemen komen.

Uiteraard speelt deze besmettelijke normaantasting niet bij alle misdrijven in gelijke mate. Veel normen, vooral in het domein van het z.g. I, het kwaad ‘an sich’, das Böse, om met Saffransky te spreken, zijn zodanig diep geworteld in de moraal van de meeste burgers dat er heel wat moet gebeuren om die aan het wankelen te brengen. Maar andere, in onze samenleving kennelijk minder vaststaande normen, zoals: ‘gij zult niet frauderen’, hebben wel degelijk een voortdurende steun in de rug nodig. Ook die steun dient het strafrecht te verschaffen en dat leidt onherroepelijk tot een andere straf dan het uitsluitend in de beschouwing betrekken van de moeilijke financiële situatie van de dader die voor zijn normoverschrijdend gedrag, naar hij zegt, verantwoordelijk was.

Ziedaar dus de opgave voor officier en rechter bij het bepalen van een passende sanctie. De opbrengst van de handhaving kan aanzienlijk worden vergroot als de boodschap die van de sanctie uitgaat niet langer uitsluitend op de dader is gericht, maar meer evenwichtig alle genoemde ‘klanten’ probeert te bereiken.

In de economie geldt een wet die zegt dat de opbrengst van een bedrijf maximaal is als de marginale kosten van ieder product gelijk zijn aan de marginale opbrengsten ervan. In het strafrecht zijn bij het streven naar speciale preventie die kosten en baten niet in evenwicht: te hoge kosten en te weinig opbrengsten bij de pogingen om de dader op het rechte spoor te brengen; te lage kosten/inspanningen en dus ook nauwelijks opbrengsten bij de andere doelgroepen van de sanctie. Talrijk zijn bv. de klachten van slachtoffers als er weer eens een taakstraf is opgelegd, wanneer een gevangenisstraf in hun ogen voor de hand had gelegen. Bij de bepaling van de strafmaat moet dus gestreefd worden naar een nieuw evenwicht waarbij alle klanten zo goed mogelijk worden bediend De hoogte van die straf mag natuurlijk nooit uitgaan boven de mate van schuld van de verdachte, maar gelet op de enorme kloof tussen de wettelijke maximumstraf en de gemiddeld opgelegde, is er meer dan genoeg ruimte voor variatie en aanpassing.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie