Reactie op ‘Halve waarheden en gebrek aan kennis van zaken’ en naschrift

In zijn digitale column ‘Halve waarheden en gebrek aan kennis van zaken’ richt Dato Steenhuis zijn pijlen op ‘Criminaliteit en rechtshandhaving 2014’ (verder afgekort tot C&R) en het begeleidende nieuwsbericht. Wij, als redactielid en co-auteurs van deze publicatie, willen hierop reageren.

Steenhuis beweert o.a. het volgende:
1) “De conclusies zijn voorbarig en onvoldoende ondersteund door feiten.” En even later: “Al met al meen ik dat de conclusie dat de criminaliteit daalt niet mag worden getrokken op basis van de resultaten van de veiligheidsmonitor.”
2) “De toon in het begeleidend persbericht is nogal juichend en suggereert op zijn minst dat het goed gaat met de rechtshandhaving.”

Ad 1) Hoezo “voorbarig en niet ondersteund door feiten”? We meten criminaliteit volgens alle toegankelijk beschikbare bronnen. Het gaat in C&R om grote landelijke slachtofferenquêtes, politieregistraties, statistieken over het OM en de rechtbank etc. Uiteraard kennen al deze bronnen hun beperkingen. Zo zijn politiecijfers mede afhankelijk van bereidheid tot aangifte van slachtoffers. Slachtofferenquêtes kennen steekproefruis en mogelijk selectieve non-respons, waarvoor het CBS overigens zo goed mogelijk corrigeert. En dat slachtofferloze delicten zo buiten beeld blijven en – afhankelijk van de opsporingsinspanning van de politie – selectief in de politiestatistiek verschijnen, dat is allemaal na te lezen in C&R. Overigens: anders dan Steenhuis stelt, wordt in de slachtofferenquêtes gevraagd naar het slachtofferschap van alle delicten, ongeacht delicttype.

Inderdaad wordt niet alle criminaliteit in C&R gemeten. Zoals hiervoor al aangegeven: buiten zicht blijven in ieder geval de slachtofferloze delicten die niet ter kennis komen van de politie. Dit valt onder het zogenaamde ‘dark number’ en dat valt nu eenmaal lastig te bepalen. Ook Steenhuis beschikt niet over deze informatie. Maar dit is geen reden om de uitkomsten van slachtofferenquêtes en politieregistraties te negeren.

Feit is, dat alle beschikbare indicatoren in C&R een dalende trend in de criminaliteit laten zien. En C&R staat in deze constatering niet alleen. Zo is er ook het gelijktijdig met C&R verschenen, maar niet door Steenhuis genoemde onderzoek ‘Nationale Veiligheidsindex’, waarin op basis van de eerder genoemde bronnen, en aanvullende gegevens uit de doodsoorzakenstatistiek en over rijden onder invloed, een geïntegreerd beeld wordt gegeven van de ontwikkeling van criminaliteit. Ook dit onderzoek laat een dalende trend zien. Nederland is daarin overigens ook niet uniek: die dalende trends zijn in veel andere Westerse landen te zien.

Ad 2) Hoezo juichtonen? C&R en het begeleidend nieuwsbericht geven slechts een feitelijke weergave van wat daalt en wat stijgt. Waarom iets daalt of stijgt, kortom een verklaring van de ontwikkelingen, geeft C&R nadrukkelijk niet.
Dat laat onverlet dat je in C&R van alles kunt vinden over wat er bij de rechtshandhaving gebeurt. Alle onderdelen van de strafrechtelijke keten komen aan de beurt. Zo blijkt, anders dan Steenhuis beweert, dat het ophelderingspercentage de laatste paar jaar min of meer constant is. En – statistiek blijft moeilijk – dat de definitieve ophelderingspercentages de laatste paar jaar zelfs hoger zullen uitvallen als gevolg van de zogeheten ‘cohortmethode’ die het CBS hanteert. En C&R laat ook zien dat, in overeenstemming met wat Steenhuis beweert, het sepotpercentage bij het OM is gestegen. Conclusies mag de lezer verder zelf trekken.
Waar Steenhuis de ‘juichtonen’ op baseert, we weten het – bij gebrek aan enig concreet citaat in zijn column – niet.

Frank van Tulder (Raad voor de rechtspraak)
Sandra Kalidien en Paul Smit (WODC)

Naschrift

Gelukkig! Eindelijk een reactie van “de autoriteiten” op één van mijn columns. In het afgelopen jaar heb ik de Raad voor de Rechtspraak al beticht van gebrek aan transparantie, heb ik gewezen op de sterk dalende productie van de politie, het OM gebrek aan sturing van die politie verweten en aandacht gevraagd voor de grote kloof tussen het aantal mensen dat zegt aangifte te hebben gedaan en de omvang van de geregistreerde criminaliteit. Het is allemaal voor zoete koek geslikt en heeft tot geen enkele reactie geleid. Je vraagt je wel eens af waarvoor je zo’n column eigenlijk schrijft, maar nu weet ik het weer.

Ik ben dus blij met die reactie maar ik ben het er niet mee eens. Ik begin met het 2e punt, de juichtonen. Natuurlijk geeft Criminaliteit en Rechtshandhaving alleen een feitelijke weergave van wat er is bevonden, wat daalt en wat stijgt. Ik verwacht ook niet anders van het WODC en het CBS. Ik beschouw C en R als een buitengewoon waardevolle publicatie, de enige waardoor je, statistisch gezien, nog iets over het functioneren van het strafrecht te weten kunt komen. Waar het mij om gaat is de impliciete koppeling die gemaakt wordt tussen de criminaliteitsontwikkeling zoals die uit de resultaten van de Veiligheidsmonitor naar voren komt en de ontwikkeling van de rechtshandhaving. Zowel in het persbericht van de Raad voor de Rechtspraak, als in de brief van de Minister aan de Tweede Kamer van 19 oktober jl. wordt die koppeling gemaakt.
De Minister schrijft: Tot slot: het afgelopen decennium daalde de geregistreerde criminaliteit met een kwart. Dat betekent dat steeds minder mensen en bedrijven (sic!) te maken krijgen met de nadelige gevolgen van criminaliteit. Het is op basis van de cijfers uit C en R en de NVI (de veiligheidsindex) verheugend te concluderen dat de daling van de criminaliteit zich voortzet.
In het persbericht van de Raad wordt ook gewezen op de daling van de door de politie geregistreerde criminaliteit en daaraan wordt toegevoegd dat deze daling zich doorzet in de hele keten. En in dat persbericht heet het vervolgens: het aantal personen dat zegt slachtoffer te zijn geworden van criminaliteit vertoont een vergelijkbare trend.

De gemaakte koppeling, is zoals ik in mijn column betoog, volstrekt onterecht. Er is (nog steeds) meer dan voldoende criminaliteit in Nederland om de “productie” van de strafrechtsketen op peil te houden of zelfs te vergroten. Dat zulks niet het geval is zegt iets over de prestaties van de politie bij de opsporing en nergens anders over. Het zou wetenschappers overigens niet misstaan ook eens op het bovengenoemde schijnverband in te gaan.
Als dat niet gebeurt noem ik dat een nogal juichende benadering en spreek ik later van juichtonen. Zo’n juichtoon vond ik ook nog bij Dick Meuldijk, Hoofd van het Bureau Veiligheidsmonitor, die al op 9 juni van dit jaar, bij een terugblik op het beschikbaar komen van de cijfers zei: “Weer een stuk veiliger”. Uit die cijfers blijkt vervolgens dat behalve in Den Haag en Oost Nederland het slachtofferschap sinds 2012 nergens wezenlijk is veranderd.

Nu mijn verwijt dat ik de conclusie voorbarig vind en niet ondersteund door de feiten. Ik noem daarvoor vier argumenten. Het eerste is dat niet alle misdrijven, ook die waarvan je wel slachtoffer kunt worden, in de vragenlijst van de monitor zijn opgenomen. Dat wordt bestreden. Ik heb die lijst echter nog eens duchtig bestudeerd en geen vragen kunnen vinden over bedrog en andere valsheidsmisdrijven, niet over afpersing en afdreiging en evenmin over brandstichting en discriminatie om maar eens enkele misdrijven te noemen.
Mijn opmerking over de diverse aanpassingen van de onderzoekmethode wordt niet bekritiseerd en mijn bezwaar tegen de vergelijkbaarheid van de resultaten door de jaren heen blijft derhalve staan. Sterker nog, een nadere analyse van de verschillende fasen die de methode heeft doorgemaakt – ik tel er vijf vanaf 1980 – zou nog wel eens interessante resultaten kunnen opleveren.
Mijn tweede argument over de steekproeftrekking en de mogelijke invloed van een selectieve respons wordt niet weersproken en blijft dus vooralsnog staan.
Het derde punt, het ontbreken van de slachtofferloze delicten wordt evenmin bestreden. Natuurlijk ken ik de werkelijke omvang van die criminaliteit ook niet maar ze horen natuurlijk wel bij de criminaliteit. En ik zeg ook niet dat er aan de uitkomsten van de slachtofferenquêtes en de politieregistraties geen aandacht moet worden besteed. Integendeel, ik put er al jaren uit voor mijn columns; maar er is wel een meer genuanceerde en relativerende presentatie nodig.
Op mijn vierde punt, het ontbreken van gegevens over bedrijven, sinds 2010, wordt ook niet gereageerd. We weten dus, strikt genomen niet of zich bij de bedrijven dezelfde ontwikkeling voordoet als bij de burgers. Interessant is in dit verband misschien nog dat het aantal geregistreerde winkeldiefstallen, als één van de weinige vermogensmisdrijven sinds 2005 met ruim 3000 zaken is toegenomen.
Ten slotte het ophelderingspercentage. Ik zeg niet dat het absoluut gezien daalt, maar dat het aantal opgehelderde misdrijven net iets sneller daalt dan de geregistreerde criminaliteit (daalt), namelijk met iets meer dan 25%. En vertel mij wat over het ophelderingspercentage. Graag verwijs ik voor dit onderwerp naar mijn columns van februari en maart 2013 en naar mijn bijdrage in de afscheidsbundel van J.J.M. van Dijk (KLM van Dijk, Wolf Publishers, Nijmegen 2012, pp. 351-363).

Al met al zie ik vooralsnog geen reden om terug te komen op het door mij eerder gestelde.

Dato Steenhuis
Tot enkele jaren geleden Procureur-Generaal en lid van het College van Procureurs-Generaal Openbaar Ministerie